Rechtbank Rotterdam, 29-04-2015 / C/10/441938 / HA ZA 14-23


ECLI:NL:RBROT:2015:3917

Inhoudsindicatie
Eindvonnis na tussenvonnis met bewijsopdracht (NL:RBROT:2014:9225). Weigering door veilingnotaris van een koper op executieveiling. Betekenis Algemene Veilingvoorwaarden. In dit geval voldoende objectivering voor de weigering. Weliswaar bepalen de Algemene Veilingvoorwaarden dat de notaris de bevoegdheid heeft tijdens de veiling, ook zonder opgave van redenen, een bod niet te erkennen en/of een gegadigde van de veiling uit te sluiten, de maatschappelijke rol van de notaris bij een executieveiling brengt desondanks mee dat hij willekeur dient te vermijden. Afhankelijk van de feitelijke situatie is de notaris dan ook tot verantwoording gehouden, voor zover dat in de omstandigheden van het geval redelijkerwijs van hem kan worden verlangd.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-04-29
Publicatiedatum
2015-06-05
Zaaknummer
C/10/441938 / HA ZA 14-23
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • RN 2015/20
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel


zaaknummer / rolnummer: C/10/441938 / HA ZA 14-23


Vonnis van 29 april 2015


in de zaak van


[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J.M.L.G. de Jong,


tegen


1de naamloze vennootschap VAN HEESWIJK NOTARISSEN N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. MR. VICTOR JOSEPH ANTONIUS JOHANNES CLEMENS

VAN HEESWIJK,

wonende te Nieuwerkerk aan den IJssel,

gedaagden,

advocaat mr. A.A. Marcus.



Partijen zullen hierna [eiser] en Van Heeswijk c.s. genoemd worden.



1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - het tussenvonnis van 26 november 2014;
  • - de akte na tussenvonnis van Van Heeswijk c.s., met producties 1 tot en met 4;
  • - de antwoordakte van [eiser].

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.



2De verdere beoordeling

2.1.

De behandeling van deze zaak is om interne, organisatorische redenen overgedragen aan een andere rechter.


2.2.

In het tussenvonnis van 26 november 2014 hebben Van Heeswijk c.s. in de eerste plaats de opdracht gekregen te bewijzen dat Amstelstaete of NIBC voorafgaand aan de veiling Van Heeswijk heeft geïnstrueerd [eiser] niet als koper te accepteren.

Van Heeswijk c.s. hebben bij akte na tussenvonnis een aantal stukken overgelegd. Een nader aanbod bewijs te leveren door middel van getuigenverklaringen is daarbij niet gedaan.


2.3.

De rechtbank volgt [eiser] in zijn standpunt dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat er sprake is geweest van een voorafgaand aan de veiling door de bank gegeven instructie hem niet te accepteren als koper. Van Heeswijk c.s. hebben een “verklaring van NIBC Bank” overgelegd, in de vorm van een e-mail van 20 januari 2015 namens die bank aan de advocaat van Van Heeswijk c.s.. Deze e-mail bevat geen bevestiging van de stelling van Van Heeswijk c.s. dat de executerende bank een instructie heeft gegeven [eiser] niet als koper te accepteren. De e-mail bevat algemene informatie, informatie over een telefoongesprek tussen [eiser] en een buitendienst- medewerker van de bank en de opmerking dat de bank niet extern pleegt te communiceren over haar veiligheidsprogramma en/of over haar correspondentie met opdrachtnemers. Verder is in de e-mail vermeld dat de notaris moet selecteren welke bieders wel of niet (als koper) kunnen kwalificeren. Dit levert echter geen specifieke instructie op als bedoeld in de bewijsopdracht.

Ook aan de andere stukken kan bedoeld bewijs niet worden ontleend. Dit betekent dat de in deze procedure en in de brief van 3 december 2012 door Van Heeswijk opgegeven reden voor weigering van [eiser] als koper, in deze procedure niet is komen vast te staan.


2.4.

Vervolgens is aan de orde de vraag of Van Heeswijk c.s. zijn geslaagd in de tweede bewijsopdracht. Dit betreft de stelling dat in de Veilingcommissie van notarissen van het Venduhuis / Regio Veiling Rotterdam is besloten dat [eiser] niet als bieder op veilingen moet worden geaccepteerd in verband met eerdere problemen met [eiser], waaronder problemen met de betaling van een waarborgsom en gebrek aan geld.


2.5.

Van Heeswijk c.s. hebben in dit kader het rapport “De fraude voorbij “overgelegd, naar de rechtbank begrijpt om te benadrukken dat notarissen zich ertoe hebben verbonden zorgvuldig en kieskeurig te zijn bij het aanvaarden van biedingen/bieders. Verder hebben Van Heeswijk c.s. een “uittreksel uit de notulen van de op 9 december 2014 gehouden vergadering“ van de Veilingcommissie overgelegd. Blijkens de tekst daarvan betreft dit een uittreksel uit nog niet definitief vastgestelde notulen. Het uittreksel is uitgegeven door de directeur van Vendu Notarishuis te Rotterdam en ondertekend door de secretaris van de veilingcommissie. In dit uittreksel is opgenomen dat het tussenvonnis met de bewijsopdracht is besproken in de vergadering. Verder is vermeld:

“Bevestigd werd dat in de commissie rond 2010 meerdere keren naast die van andere handelaren de naam van de heer [eiser] in negatieve zin is gevallen en meerdere notarissen klachten hadden over zijn betaalgedrag, de afwikkeling der veiling en hoe hij omging met de bewoners. Daarop is destijds afgesproken dat de commissie adviseert biedingen van dergelijke handelaren niet meer te aanvaarden.”


2.6.

De rechtbank volgt niet de kanttekeningen die [eiser] hierbij heeft geplaatst bij antwoordakte. Het overgelegde uittreksel maakt voldoende aannemelijk dat (ruim) voor de onderhavige executieveiling binnen de Veilingcommissie meermalen is gesproken over problemen met handelaren, onder wie [eiser], en dat de kritiek op [eiser] niet uitsluitend afkomstig was van Van Heeswijk. Dat het uittreksel niet duidelijk maakt wie wat tijdens de vergadering hierover heeft gezegd, zoals [eiser] aanvoert, maakt het bewijsstuk minder specifiek maar niet onbruikbaar of ontoereikend. De omstandigheid dat – volgens [eiser]: slechts – sprake is geweest van een advies en niet van een beslissing om [eiser] niet als bieder te accepteren, maakt wel dat niet aan de letterlijke tekst van de tweede bewijsopdracht is voldaan, maar aan de strekking ervan doet dit geen afbreuk. Het gaat er om dat er in voldoende mate sprake is geweest van objectivering van het motief van Van Heeswijk voor diens beslissing het bod van [eiser] niet te accepteren. Hiervoor maakt in de kern geen verschil of binnen de Veilingcommissie is gesproken over een advies dan wel over een beslissing.

De rechtbank ziet geen concrete aanknopingspunten voor de juistheid van de stelling van [eiser] dat het uittreksel niet betrouwbaar zou zijn. De omstandigheden dat destijds, in 2010, (blijkbaar) geen notulen van het besprokene zijn opgemaakt en dat het overgelegde uittreksel dateert van na het tussenvonnis, betekenen nog niet dat het overgelegde stuk onbetrouwbaar is.


2.7.

Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat voldoende objectivering is gebleken voor de weigering door Van Heeswijk van [eiser] als koper op de executieveiling. In deze situatie leidt de omstandigheid dat de aanvankelijke door Van Heeswijk c.s. (achteraf) opgegeven reden daarvoor niet is komen vast te staan, niet tot de conclusie dat Van Heeswijk op de veiling onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser].


2.8.

Dit oordeel impliceert dat dit mogelijk anders had kunnen zijn indien geen enkele objectivering zou zijn komen vast te staan voor de weigering van [eiser] als koper. Weliswaar bepalen de Algemene Veilingvoorwaarden (zie tussenvonnis, onder 2.4) dat de notaris de bevoegdheid heeft tijdens de veiling, ook zonder opgave van redenen, een bod niet te erkennen en/of een gegadigde van de veiling uit te sluiten, de maatschappelijke rol van de notaris bij een executieveiling brengt desondanks mee dat hij willekeur dient te vermijden. Afhankelijk van de feitelijke situatie is de notaris dan ook tot verantwoording gehouden, voor zover dat in de omstandigheden van het geval redelijkerwijs van hem kan worden verlangd.


2.9.

De eindconclusie is dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen. Om die reden dient [eiser] de kosten van de procedure te dragen, als gevorderd met nakosten en rente.


2.10.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Van Heeswijk c.s. worden begroot op:

- griffierecht 868,00

- salaris advocaat 1.447,50 (2,5 punt × tarief € 579,00)

Totaal € 2.315,50.



3De beslissing

De rechtbank


3.1.

wijst de vorderingen af,


3.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Van Heeswijk c.s. tot op heden begroot op € 2.315,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na dit vonnis,


3.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis,


3.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.



Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2015.





1 1694 / 2323