Rechtbank Rotterdam, 28-01-2015 / 14/1691


ECLI:NL:RBROT:2015:409

Inhoudsindicatie
Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-01-28
Publicatiedatum
2015-01-28
Zaaknummer
14/1691
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1


zaaknummer: ROT 14/1691


uitspraak van de meervoudige kamer van 28 januari 2015 in de zaak tussen
[eiser], te[woonplaats], eiser,

en


de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder,

gemachtigde: mr. G.E. Eind.



Procesverloop


Bij besluit van 20 november 2013 heeft verweerder de aanvraag van eiser om een overbruggingsuitkering op grond van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (TRO) afgewezen op de grond dat zijn inkomsten te hoog zijn. Wel krijgt eiser een partneruitkering tot een bedrag van € 257,70 bruto (€ 194,- netto).


Bij besluit van 23 januari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Eiser heeft zijn standpunt bij brieven van 26 augustus 2014 en 13 januari 2015 nader toegelicht.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2015. Eiser is met bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Overwegingen


1. Eiser is op 11 april 2013 65 jaar geworden. Bij besluit van 28 november 2012 is aan eiser per 11 mei 2013 – zijn pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar en één maand – een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Nadat eisers hiertegen gerichte bezwaar niet-ontvankelijk was verklaard, is dit besluit in rechte vast komen te staan.


2. Op grond van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, in verbinding met artikel 32, tweede lid, van de TRO bedraagt de maandelijkse bruto-overbruggingsuitkering over de periode van 11 april 2013 tot 11 mei 2013 (de periode in geding) in eisers situatie in beginsel € 797,96. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de TRO moet daarop het inkomen van eiser (niet zijnde inkomen uit arbeid, waarop de artikelleden vier tot en met zes betrekking hebben) in mindering worden gebracht. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan het inkomen van eiser zoals dat door verweerder is vastgesteld, namelijk in april 2013 € 2.412,25 en in mei 2013 € 978,71. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit daarom terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser na aftrek van zijn inkomen over de periode in geding geen recht heeft op een overbruggingsuitkering op grond van de TRO.


3. Op grond van artikel 8, derde lid, in verbinding met artikel 32, tweede lid, van de TRO bedraagt ook de bruto-partneruitkering in eisers situatie in beginsel € 797,96. Op grond van artikel 11, tweede lid, van de TRO wordt de bruto-overbruggingsuitkering – waaronder in dit verband op grond van artikel 6, tweede lid, van de TRO ook de bruto-partneruitkering moet worden begrepen – echter “afgetopt”, voor zover hier van belang op het verschil tussen het inkomen voorafgaand aan het bereiken van de leeftijd van 65 jaar en het inkomen zoals dat is verlaagd bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. Dit betekent dat de bruto-partneruitkering niet meer kan bedragen dan het inkomensverlies bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. Op grond van de uit de stukken, waaronder de aanvraag, blijkende inkomensgegevens is er geen reden om te twijfelen aan verweerders berekening van het inkomensverlies van eiser en zijn partner in de periode in geding: in april 2013 € 0,44 en in mei 2013 € 1.433,98. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit daarom terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de bruto-partneruitkering over april 2013 wordt afgetopt op € 0,44 en dat eiser over de maanden april onderscheidenlijk mei 2013 (naar rato van het aantal kalenderdagen tot de ingangsdatum van het AOW-pensioen) recht heeft op een bruto-partnertoeslag van (20/30 x 0,44 + 10/31 x 797,96 = ) € 257,70.


4. Eisers betoog dat zijn uitkering op grond van de TRO op een te laag bedrag is vastgesteld, kan op grond van het onder 2. en 3. overwogene niet slagen. Zijn verwijzing naar de door hem overgelegde berekening die hij heeft gemaakt op verweerders website kan hem niet baten, aangezien hij daar ten onrechte heeft ingevuld dat zijn VUT- of daarmee vergelijkbare particuliere uitkering stopt in april 2013 of op 1 mei 2013, terwijl deze uitkering niet is gestopt, maar lager is geworden, hetgeen tot een andere – hierboven onder 2. en 3. weergegeven – berekening leidt.


5. Eisers betoog dat als gevolg van het opschuiven van de pensioengerechtigde leeftijd sprake is van discriminatie van een groep pensioengerechtigden kan evenmin slagen, nu dit geen betrekking heeft op de overbruggings/partneruitkering, maar op de wijziging van de AOW en de toekenning van het AOW-pensioen per een latere datum dan voorheen. Dit toekenningsbesluit staat, zoals onder 1. overwogen, reeds in rechte vast en kan daarom in deze procedure niet meer ter discussie worden gesteld.


6.1.

Omtrent hetgeen eiser in wezen heeft aangevoerd tegen de TRO als zodanig, stelt de rechtbank voorop dat de TRO een algemeen verbindend voorschrift is, niet zijnde een wet in formele zin. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad, onder meer de uitspraak van 22 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2274) kunnen aan de inhoud of de wijze van totstandkoming van een dergelijk algemeen verbindend voorschrift zodanig ernstige gebreken kleven, dat dit voorschrift om die reden niet als grondslag kan dienen voor daarop in concrete gevallen te baseren beslissingen. De rechter dient daarbij te beoordelen of het desbetreffende voorschrift al dan niet in strijd komt met een of meer regels van geschreven of ongeschreven recht, daaronder begrepen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bij die beoordeling zal hij gezien zijn staatsrechtelijke positie de nodige terughoudendheid dienen te betrachten. Daarbij is tevens van belang, aldus nog steeds de Raad, dat de rechter niet treedt in een belangenafweging welke reeds door de wet- en regelgever is verricht of geacht moet worden te zijn verricht.


6.2.

De rechtbank is van oordeel dat aan de TRO niet dergelijke ernstige gebreken kleven. Blijkens de toelichting op de TRO is daarmee beoogd een overbruggingsregeling te treffen voor mensen met een laag inkomen die een VUT- of prepensioenuitkering ontvangen die eindigt bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar en voor wie het AOW-pensioen het belangrijkste deel van het besteedbaar inkomen is, zodat het wegvallen van één of meer maanden AOW-inkomen voor deze groep een substantiële inkomensachteruitgang betekent. In aansluiting op het regeerakkoord en de afspraak in het sociaal akkoord tot uitbreiding van de regeling, kent de TRO – die gelijkelijk geldt voor een ieder die te maken krijgt met de verhoging van de AOW-leeftijd – een inkomens- en een vermogenstoets en biedt zij een uitkering op minimumniveau. De rechtbank ziet hierin geen strijdigheid met een of meer regels van geschreven (Europees) of ongeschreven recht, daaronder begrepen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Evenmin kan worden geoordeeld dat de toepassing van de TRO in het concrete geval van eiser tot onaanvaardbare gevolgen heeft geleid. In de situatie van eiser zijn geen bijzondere omstandigheden en belangen aan de orde die niet al in de eerdere afweging door de regelgever zijn meegenomen en eiser heeft in de periode in geding steeds beschikt over een inkomen ter hoogte van minimaal de door de regelgever beoogde uitkering op minimumniveau.


7. Hetgeen eiser heeft aangevoerd over de door hem genoemde lastenverhogingen waarmee gepensioneerden zijn geconfronteerd, kan niet tot een ander oordeel leiden, omdat die lasten thans niet ter beoordeling voorliggen en verweerder aan de TRO, die ook geen hardheidsclausule bevat, niet de bevoegdheid kan ontlenen daarvoor compensatie te verschaffen.


8. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden en dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.


9. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, voorzitter, en mr. H. Bedee en mr. A. van Gijzen, leden, in aanwezigheid van J. Bijleveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2015.


griffier voorzitter


Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.