Rechtbank Rotterdam, 28-01-2015 / 14/2194


ECLI:NL:RBROT:2015:410

Inhoudsindicatie
Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-01-28
Publicatiedatum
2015-01-28
Zaaknummer
14/2194
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht


zaaknummer: ROT 14/2194


uitspraak van de meervoudige kamer van 28 januari 2015 in de zaak tussen
[eiser], te[woonplaats], eiser,

en


de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder,

gemachtigde: mr. G.E. Eind.



Procesverloop


Bij besluit van 20 december 2013 heeft verweerder de aanvraag van eiser om een overbruggingsuitkering op grond van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (TRO) afgewezen op de grond dat zijn uitkering uit een VUT-regeling of daarmee vergelijkbare (particuliere) regeling niet lager wordt in de maand van zijn 65e verjaardag of op de 1e dag van de maand na zijn 65e verjaardag.


Bij besluit van 19 maart 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Eiser heeft zijn standpunt in brieven, door de rechtbank ontvangen op 1 mei en op 20 november 2014, nader toegelicht.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2015. Eiser is verschenen, vergezeld van zijn echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Overwegingen


1.1.

Eiser is op 28 april 2014 65 jaar geworden. Bij besluit van 30 oktober 2013 is aan eiser per 28 juni 2014 – zijn pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar en twee maanden – een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Tegen dit besluit heeft eiser geen bezwaar gemaakt en het staat dan ook in rechte vast.


1.2.

Eiser is met het oog op zijn prepensioen begin 2011 met de Rabobank een “goudenhanddrukregeling” aangegaan, als gevolg waarvan hij van 25 maart 2011 tot en met 25 februari 2014 maandelijkse uitkeringen ontving. Op 3 december 2013 heeft eiser een overbruggingsuitkering op grond van de TRO aangevraagd. Verweerder heeft deze aanvraag onder verwijzing naar artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de TRO afgewezen, omdat eisers uitkering uit de “goudenhanddrukregeling” eerder is geëindigd dan in de maand waarin eiser 65 jaar is geworden.


2.1.

Eiser betoogt, onder verwijzing naar de tekst van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de TRO, dat hij wel voldoet aan de daarin gestelde voorwaarden, aangezien hij op of na 1 januari 2013 de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en op die dag of de eerste dag van de maand voor of na die dag geen recht meer heeft op de uitkering uit de “goudenhanddrukregeling”, nu die immers op 25 februari 2014 is geëindigd.


2.2.

Dit betoog slaagt niet. Artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de TRO luidt:


“Recht op een overbruggingsuitkering heeft de persoon die is verzekerd of verzekerd is geweest op grond van de artikelen 6 en 6a van de AOW, alsmede de persoon, bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de AOW, of de persoon, bedoeld in de regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Financiën van 23 april 1985, nr. SZ/SV/VV/85/914, houdende spaarregeling gemoedsbezwaarden ex artikel 48 AOW (Stcrt. 87), indien hij: a. op of na 1 januari 2013 de leeftijd van 65 jaar bereikt en op die dag of de eerste dag van de maand voor of na die dag als gevolg van een in een regeling als bedoeld in artikel 5 genoemde leeftijdsgrens van 65 jaar, geen recht meer heeft, of een lager recht heeft op een op 1 januari 2013 reeds lopende uitkering op grond van een regeling als bedoeld in artikel 5 dan wel na het bereiken van de volledige duur daarvan, een daarop aansluitende uitkering of uitkeringen op grond van een regeling als bedoeld in artikel 5”.


Deze bepaling dient te worden uitgelegd in overeenstemming met de strekking van de TRO, die beoogt een compensatie te bieden voor inkomensverlies dat optreedt doordat per 1 januari 2013 de pensioengerechtigde leeftijd in de AOW, die voordien werd bereikt bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, is verhoogd, terwijl een bestaand recht op een VUT- of prepensioenuitkering eindigt bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. De strekking is dus niet om compensatie te bieden voor (extra) inkomensverlies dat optreedt na het op enig eerder moment al geëindigd zijn van een VUT- of prepensioenuitkering . Dit volgt ook uit de toelichting op artikel 4 van de TRO, waarin is vermeld: “In onderdeel a wordt geregeld dat iemand een lopende regeling als bedoeld in artikel 5 moet hebben die eindigt of verlaagd wordt in de maand dat iemand 65 jaar wordt of op de eerste dag van de maand na het bereiken van de 65-jarige leeftijd.” Verweerder heeft artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de TRO daarom uitgelegd en toegepast in overeenstemming met de tekst en de strekking van en de toelichting bij deze bepaling.


2.3.

Gelet op hetgeen onder 2.2. is overwogen kan eisers betoog dat hij naar de strekking van de TRO wel voor een overbruggingsuitkering in aanmerking komt, evenmin slagen.


3.1

Eiser betoogt voorts dat het maken van onderscheid tussen degenen waarvan het prepensioen eindigt in de maand waarin zij 65 jaar worden en degenen waarbij het prepensioen bij toeval eerder of later eindigt, in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Eiser stelt daartoe dat de periode waarin zijn “goudenhanddrukregeling” tot uitkering kwam betrekkelijk toevallig was; hij zou de maandelijkse uitkeringen ook langer hebben kunnen laten doorlopen als hij tijdig had geweten dat dit van belang was voor het recht op een overbruggingsuitkering.

3.2.

Ook dit betoog kan niet slagen. De verhoging van de AOW-leeftijd is een gevolg van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd die op 1 januari 2013 in werking is getreden. Daaraan is ten aanzien van eiser uitvoering gegeven met het besluit tot toekenning van AOW pensioen van 30 oktober 2013. Dit besluit staat, zoals onder 1. overwogen, in rechte vast en kan daarom in deze procedure niet meer ter discussie worden gesteld.


3.3.

Artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de TRO stelt, in overeenstemming met de onder 2.2. weergegeven strekking van de TRO, als voorwaarde dat een VUT- of prepensioenuitkering als bedoeld in artikel 5 van de TRO is beëindigd of verlaagd in de maand dat de betrokkene 65 jaar wordt of op de eerste dag van de maand na het bereiken van de 65-jarige leeftijd. In de TRO is aan verweerder niet de bevoegdheid gegeven – bijvoorbeeld in de vorm van een hardheidsclausule – om van deze voorwaarde af te wijken. De voorwaarde maakt daardoor weliswaar een onderscheid tussen degenen waarvan het prepensioen eindigt in de maand waarin zij 65 jaar worden en degenen waarbij het prepensioen bij toeval eerder of later eindigt, maar dit betreft geen onderscheid tussen personen die in een gelijke positie verkeren. Er is dus geen sprake van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld.


3.4.

Voor zover eisers betoog zo opgevat moet worden dat de regelgever in de TRO de onder 3.3. genoemde voorwaarde als neergelegd in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de TRO, niet mag stellen, kan dit niet slagen. De TRO is een algemeen verbindend voorschrift is, niet zijnde een wet in formele zin. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad, onder meer de uitspraak van 22 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2274) kunnen aan de inhoud of de wijze van totstandkoming van een dergelijk algemeen verbindend voorschrift zodanig ernstige gebreken kleven, dat dit voorschrift om die reden niet als grondslag kan dienen voor daarop in concrete gevallen te baseren beslissingen. De rechter dient daarbij te beoordelen of het desbetreffende voorschrift al dan niet in strijd komt met een of meer regels van geschreven of ongeschreven recht, daaronder begrepen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bij die beoordeling zal hij gezien zijn staatsrechtelijke positie de nodige terughoudendheid dienen te betrachten. Daarbij is tevens van belang, aldus nog steeds de Raad, dat de rechter niet treedt in een belangenafweging welke reeds door de wet- en regelgever is verricht of geacht moet worden te zijn verricht.


3.5.

De rechtbank is van oordeel dat aan artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de TRO niet dergelijke ernstige gebreken kleven. Met deze bepaling is vorm gegeven aan de strekking van de TRO. De bepaling is niet in strijd met hogere regelgeving, noch met enig algemeen rechtsbeginsel of enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. De regelgever heeft voorts blijkens de toelichting op de TRO de inkomens- en vermogenspositie van potentiële rechthebbenden in de beoordeling betrokken. Het is niet aan de rechter om op dit punt een eigen andere afweging te maken. Evenmin kan worden geoordeeld dat de toepassing van de TRO in het geval van eiser tot onaanvaardbare gevolgen heeft geleid. In de situatie van eiser zijn geen bijzondere omstandigheden en belangen aan de orde die niet al in de afwegingen van de regelgever zijn meegenomen.


4. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden en dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, voorzitter, en mr. H. Bedee en mr. A. van Gijzen, leden, in aanwezigheid van J. Bijleveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2015.





griffier voorzitter


Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.