Rechtbank Rotterdam, 12-06-2015 / ROT 14-4035


ECLI:NL:RBROT:2015:4107

Inhoudsindicatie
In de parlementaire geschiedenis van artikel 6:11 van de Awb ziet de rechtbank aanknopingspunten voor het oordeel dat de wetgever bij het opstellen van artikel 6:11 van de Awb niet heeft beoogd het bereik daarvan zo beperkt te houden dat de woorden ‘redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld’ in de praktijk betekenen ‘uitsluitend indien de indiener aannemelijk maakt dat hem geen enkel verwijt kan worden gemaakt’. Tot het bereik van artikel 6:11 van de Awb rekent de rechtbank daarom onder meer gevallen waarin de indiener ten gevolge van bijzondere omstandigheden die hem persoonlijk betreffen, niet tijdig van zijn rechtsmiddel gebruik heeft kunnen maken. Zo’n geval doet zich bijvoorbeeld voor wanneer de indiener aannemelijk maakt dat zijn geestestoestand dusdanig is (geweest) dat hij niet in staat geacht kon worden zijn belangen voldoende te behartigen. Met de door eiser beschreven gebeurtenissen - ten aanzien waarvan ook ter zitting alle partijen duidelijk blijk gaven deze als uitermate ingrijpend te beschouwen - maakt eiser aannemelijk dat zijn geestestoestand de reden is geweest dat hij niet in staat kon worden geacht zijn belangen voldoende te behartigen.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-06-12
Publicatiedatum
2015-09-08
Zaaknummer
ROT 14-4035
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2


zaaknummer: ROT 14/4035


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2015 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. J.P.W. Temminck Tuinstra,


en


de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.

Procesverloop


Verweerder heeft bij besluit van 3 februari [jaartal] (het primaire besluit) het verzoek om naturalisatie van eiser afgewezen.


Bij brief met dagtekening 6 februari [jaartal], ontvangen door verweerder op 11 april [jaartal], heeft eiser tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.


Bij besluit van 8 mei [jaartal] (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld van zijn partner. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Overwegingen


1. Verweerder legt aan de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar ten grondslag dat niet binnen de termijn van zes weken, bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bezwaar is gemaakt en dat deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.


2. Niet in geschil is dat het primaire besluit per aangetekende post aan eiser is toegezonden en door hem op 6 februari [jaartal] is ontvangen. Verder is niet in geschil dat het bezwaar buiten de termijn van zes weken door verweerder is ontvangen, waarmee de bezwaartermijn is overschreden.


3. Eiser voert als beroepsgrond aan dat in zijn individuele geval zeer bijzondere omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest.

3.1.

Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 6:11 van de Awb volgt voor de rechtbank dat het uitgangspunt is geweest bij het opstellen van dit artikel dat de indiener stelt (cursivering rechtbank) dat de termijnoverschrijding is te wijten aan een hem niet toe te rekenen omstandigheid en over de onjuistheid van die stelling geen zekerheid is verkregen. Deze tekst is verlaten, zo volgt verder voor de rechtbank uit de parlementaire geschiedenis, omdat de wetgever misbruik van die tekst vreesde, niet omdat de wetgever de tekst om andere redenen onjuist achtte. Hierin ziet de rechtbank aanknopingspunten voor het oordeel dat de wetgever bij het opstellen van artikel 6:11 van de Awb niet heeft beoogd het bereik daarvan zo beperkt te houden dat de woorden ‘redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld’ in de praktijk betekenen ‘uitsluitend indien de indiener aannemelijk maakt dat hem geen enkel verwijt kan worden gemaakt’. Tot het bereik van artikel 6:11 van de Awb rekent de rechtbank daarom onder meer gevallen waarin de indiener ten gevolge van bijzondere omstandigheden die hem persoonlijk betreffen, niet tijdig van zijn rechtsmiddel gebruik heeft kunnen maken. Zo’n geval doet zich bijvoorbeeld voor wanneer de indiener aannemelijk maakt dat zijn geestestoestand dusdanig is (geweest) dat hij niet in staat geacht kon worden zijn belangen voldoende te behartigen.

3.2.

Uit het feit dat eiser tegen het primaire besluit een bezwaarschrift heeft opgesteld, en dit bezwaar mogelijk ook per post heeft verzonden, volgt dat eiser nog de tegenwoordigheid van geest had om te beseffen dat hij bezwaar moest maken. Daarmee heeft hij zijn belangen echter niet voldoende behartigd. Niet in geschil is dat eisers partner op [datum], na een zwangerschap van 26 weken, prematuur is bevallen van een tweeling. De kinderen waren al van het infuus af en zouden op korte termijn naar huis mogen, toen eiser en zijn partner het bericht kregen dat het niet goed ging. Op 5 januari [jaartal] overleed een van de twee kinderen. Daarna hebben de artsen er alles aan gedaan om het andere kind in leven te houden. Op het moment dat eiser bezig was met het regelen van de begrafenis van zijn ene kind, was het de verwachting van de artsen dat het tweede kind zou blijven leven. Toch en dus onverwacht en kort na het eerste kind, overleed ook het tweede kind, op 13 januari [jaartal]. Met deze gebeurtenissen - ten aanzien waarvan ook ter zitting alle partijen duidelijk blijk gaven deze als uitermate ingrijpend te beschouwen - maakt eiser aannemelijk dat zijn geestestoestand de reden is geweest dat hij niet in staat kon worden geacht zijn belangen voldoende te behartigen.

3.3.

De beroepsgrond slaagt.


4. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.


5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.


6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en wegingsfactor 1).



Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 980,-, te betalen aan eiser.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Klomp, rechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2015.






griffier rechter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.