Rechtbank Rotterdam, 25-06-2015 / 10/660148-13


ECLI:NL:RBROT:2015:4532

Inhoudsindicatie
Hennepkwekerij in woning. Overweging over medeplegen. Beroep op psychische overmacht afgewezen. De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan het telen van hennepplanten in een woning. De verdachte heeft zich daarnaast met zijn mededaders schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van 372 hennepplanten.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-06-25
Publicatiedatum
2015-06-25
Zaaknummer
10/660148-13
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team straf 2


Parketnummer: [parketnummer]

Datum uitspraak: 25 juni 2015

Tegenspraak



Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1],

raadsvrouw: mr. V.H. Hammerstein, advocaat te Amsterdam.



ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING


Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 11 juni 2015.



TENLASTELEGGING


Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.



EIS OFFICIER VAN JUSTITIE


De officier van justitie mr. [officier van justitie] heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een taakstraf van 70 uur, subsidiair 35 dagen vervangende hechtenis.



MOTIVERING VRIJSPRAAK


Het onder 3 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De officier van justitie heeft dit ook gevorderd, terwijl het eveneens is bepleit door de raadsvrouw, zodat dit geen verdere motivering behoeft.



BEWEZENVERKLARING


Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:


1.

hij in of omstreeks de periode van 17 juli 2012 tot 19 maart 2013 te Capelle aan den IJssel, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens opzettelijk heeft geteeld in een pand aan [adres 2] (telkens) (een) hoeveelheid van ongeveer 372 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;


2.

hij op 19 maart 2013 te Capelle aan den IJssel, tezamen en in vereniging met anderen, in een pand aan [adres 2] opzettelijk aanwezig heeft gehad 372 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;


Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.



BEWIJSMOTIVERING


De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.



OVERWEGINGEN


Medeplegen

Aangevoerd is dat het enkele feit dat de verdachte aanwezig is geweest in het pand waar de hennepkwekerij is aangetroffen, niet voldoende is om te kunnen komen tot het medeplegen van het exploiteren van de hennepkwekerij.


Het volgende wordt overwogen.

Volgens vaste jurisprudentie is voor medeplegen van een strafbaar feit is vereist dat er sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de betrokken personen, gericht op de totstandkoming van het delict. Daarbij moet de van medeplegen verdachte persoon aan de totstandkoming van het delict een wezenlijke bijdrage hebben geleverd.

De verdachte moest gedurende de periode dat de kwekerij in de woning aan de [adres 2] gevestigd was, aanwezig zijn in de woning. Hij functioneerde hierbij als de bewaker van het pand. Ook heeft de verdachte meermalen naar eigen zeggen achter de anderen aanlopend door de hennepkwekerij gegevens genoteerd die zagen op het functioneren van de hennepkwekerij. Hij was er naar eigen zeggen van op de hoogte dat er drie oogsten geweest zijn, waarvan één oogst mislukt is. De bijdrage van de verdachte bij de hennepkwekerij is gelet op dit alles te kwalificeren als het leveren van een wezenlijke bijdrage aan het telen van de hennep, en daarmee was er sprake van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met de anderen. Het handelen van de verdachte is dan ook aan te merken als het medeplegen van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.


STRAFBAARHEID FEITEN


De bewezen feiten leveren op:


1

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

2

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.


De feiten zijn dus strafbaar.



STRAFBAARHEID VERDACHTE


De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte een beroep op psychische overmacht toekomt en om die reden dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Aangevoerd is dat de verdachte onder druk werd gezet door de organisatie. De verdachte had de woning in goed vertrouwen en met dankbaarheid betrokken. Toen daar een week later een hennepkwekerij werd opgezet, was het voor de verdachte geen optie om de woning te verlaten. De verdachte voelde zich bedreigd en durfde zich niet tot de politie te wenden vanwege de betrokkenheid van politieagenten bij de organisatie.


Het volgende is overwogen.

Op basis van de gebleken feiten en omstandigheden kan worden aangenomen dat de verdachte mede onder druk van anderen tot zijn handelswijze is gekomen. Echter, een beroep op psychische overmacht kan slechts slagen indien er sprake is van een zodanige van buiten komende drang dat de verdachte daaraan redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Vast moet komen te staan dat van de verdachte niet kon worden gevergd dat hij anders zou handelen dan hij heeft gedaan.

In het onderhavige geval zou de drang, het betoog van de verdediging volgend, zijn gelegen in het feit dat de verdachte onder druk werd gezet door de organisatie.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn door de verdachte en zijn raadsvrouw onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld voor het bestaan van genoemde drang. Meer in het bijzonder is onvoldoende concreet geworden op welke wijze verdachte onder druk is gezet in de context van de onderhavige hennepkwekerij.


De verklaringen van de verdachte bieden onvoldoende concrete feiten en omstandigheden die aan een beroep op psychische overmacht ten grondslag kunnen worden gelegd. De noodzaak van het horen van getuigen hieromtrent, als verzocht door de raadsvrouw, is dan ook onvoldoende gebleken. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.


Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit


De verdachte is dus strafbaar.


STRAFMOTIVERING


De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.


Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan het telen van hennepplanten in een woning. De verdachte heeft zich daarnaast met zijn mededaders schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van 372 hennepplanten. Hennepteelt is onaanvaardbaar en moet vanwege het belang van de volksgezondheid, om sociale en economische redenen en ter bestrijding van de bijkomende criminaliteit worden bestreden. Hennepteelt levert een softdrug op die bij langdurig gebruik kan leiden tot schade voor de gezondheid. De hennepteelt is echter niet alleen uit het oogpunt van de volksgezondheid maatschappelijk onaanvaardbaar, maar ook omdat met de handel in hennep buiten de reguliere en legale economie om grote winsten worden gemaakt. De handel in softdrugs is al sinds lange tijd grotendeels in handen van criminelen/criminele organisaties omdat er veel geld mee te verdienen is. Het gevolg is dat er allerlei andere vormen van criminaliteit door worden veroorzaakt en mee samenhangen. Daar komt bij dat de hennepteelt in woningen overlast, verloedering en (brand)gevaarlijke situaties in die woningen en daarmee in woonwijken veroorzaakt.

Dit alles maakt dat dergelijke feiten consequent moeten worden bestreden en dat daartegen streng moet worden opgetreden.


Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het voordeel van de verdachte meegewogen dat de onderhavige strafbare feiten reeds enige tijd geleden zijn gepleegd en dat de verdachte mede onder druk van anderen tot het plegen van die feiten is gekomen.


Wat de persoon van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden betreft, heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van verdachte gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 mei 2015 en het reclasseringsrapport van 4 juni 2015. Uit voornoemd uittreksel blijkt dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest wegens overtreding van de Opiumwet. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat de verdachte, na de onderhavige feiten, een positieve weg is ingeslagen. Het recidiverisico wordt op basis van de huidige leefsituatie van verdachte ingeschat als laag. Geadviseerd wordt om aan de verdachte een werkstraf op te leggen.


Voornoemde omstandigheden wegen in het kader van de strafmaat in het voordeel van de verdachte maar zijn niet van dusdanige aard dat, mede afgezet tegen de ernst van de door hem gepleegde feiten, zou kunnen worden volstaan met toepassing van artikel 9a Sr, waarbij het opleggen van een straf of maatregel achterwege blijft. Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.



VORDERING BENADEELDE PARTIJ


Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij], gevestigd te [vestigingsadres], ter zake van het onder 3 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 6.030,01 aan materiële schade.


De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde.


Nu de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.



TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


Gelet is op de artikelen 9, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.



BESLISSING

De rechtbank:


verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;


verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;


verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;


stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;


veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 70 (zeventig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;


beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 68 (achtenzestig) uren te verrichten taakstraf resteert;


beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 34 (vierendertig) dagen;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.



Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.I. Mentink, voorzitter,

en mrs. L.C. van Walree en J.C.M. Persoon, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.A. Commandeur, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 juni 2015.

Bijlage I bij vonnis van 25 juni 2015:


TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING


Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat


1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 juli 2012 tot 19 maart 2013 te Capelle aan den IJssel, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, (in een pand aan [adres 2]) (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) van (in totaal) ongeveer 372 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;


art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet


2.

hij op of omstreeks 19 maart 2013 te Capelle aan den IJssel, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, (in een pand aan [adres 2]) opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 372 hennepplanten, althans een (grote) hoeveelheid hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;


art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet


3.

hij in of omstreeks de periode van 17 juli 2012 tot 19 maart 2013 te Capelle aan den IJssel, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een woning/pand, gelegen aan de [adres 2], heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit/stroom (te weten 66.562 kWh), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming, te weten door verbreking van de verzegeling van het deksel van de hoofdaansluitkast van de elektriciteit;


art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht