Rechtbank Rotterdam, 30-06-2015 / 10/197341-14


ECLI:NL:RBROT:2015:4588

Inhoudsindicatie
Verdachte wordt veroordeeld voor het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval (art. 6 WVW). Hij heeft verschillende voertuigen die voor een rood verkeerslicht stonden te wachten ingehaald, is vervolgens door het op rood staande stoplicht gereden en heeft op een fietsoversteekplaats het 87-jarige slachtoffer - die in een scootmobiel reed - aangereden. Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een rijontzegging.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-06-30
Publicatiedatum
2015-07-07
Zaaknummer
10/197341-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/197341-14

Datum uitspraak: 30 juni 2015

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres],

raadsman mr. A.C. Bosch, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 16 juni 2015.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. J. Boender heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 5 september 2014 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig personenauto, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig aanmerkelijk onvoorzichtig te rijden op de kruising gevormd door de voor het openbaar verkeer openstaande wegen de Gerdesiaweg, de Boezemweg en het Ammanplein, welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, terwijl op het Ammanplein het verkeerslicht voor het rechtdoorgaande verkeer in de richting van de Gerdesiaweg rood licht uitstraalde en vóór dat verkeerslicht meerdere voertuigen stilstonden,

rijdend op het Ammanplein via de voorsorteerstrook voor het linksafslaande verkeer die vóór het rode verkeerslicht wachtende voertuigen heeft ingehaald en in strijd met dat rode verkeerslicht de kruising rechtdoorgaand is opgereden en gaan oversteken en

aldus rijdende niet tijdig heeft opgemerkt dat de bestuurder van een scootmobiel, die inmiddels groen licht had, doende was de rijbaan van de Gerdesiaweg over te steken op of ter hoogte van de aldaar gelegen fiets-/bromfietsoversteekplaats en die oversteekplaats reeds voor een groot deel was overgestoken en die scootmobiel niet heeft laten voorgaan en ondanks hard remmen en uitwijken in botsing of aanrijding is gekomen met die scootmobiel, als gevolg waarvan de bestuurder van die scootmobiel ten val is gekomen;

waardoor de bestuurder van die scootmobiel, genaamd [slachtoffer], werd gedood;

zulks terwijl hij, verdachte, korte tijd (ongeveer 10 minuten) vóór de bovenomschreven aanrijding plaatsvond, door de politie werd staande gehouden in verband met meerdere verkeersovertredingen waaronder het met hoge snelheid rechts inhalen van voertuigen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft op 5 september 2014 een verkeersongeval veroorzaakt. Hij heeft, rijdende op het voorsorteer vak voor linksafslaand verkeer, een aantal auto’s die voor het rode stoplicht voor rechtdoorgaand verkeer stonden, ingehaald. Vervolgens is hij niet naar links afgeslagen door het op groen staande stoplicht, maar rechtdoor gereden. Aldus reed de verdachte feitelijk door het op rood staande stoplicht voor rechtdoorgaand verkeer. De verdachte is vervolgens vlak daarna in botsing gekomen met het zevenentachtig jaar oude slachtoffer dat in een scootmobiel aan het oversteken was. Het slachtoffer is ten gevolge van deze aanrijding een dag later in het ziekenhuis aan haar verwondingen overleden. De verdachte heeft door aldus aan het verkeer deel te nemen zeer onvoorzichtig gehandeld. Immers, door het rijden op een weg waar door middel van een op rood staand stoplicht is aangegeven dat er niet mag worden gereden, heeft hij het risico genomen in botsing te komen met andere verkeersdeelnemers aan wie het op dat moment wel was toegestaan om te rijden of lopen.

Bij het bepalen van de aard en duur van de op te leggen straf heeft de rechtbank, naast het voorgaande, in het nadeel van de verdachte meegewogen dat hij, als beginnend bestuurder, tien minuten voorafgaand aan het fatale ongeval was staande gehouden door twee politieagenten en was aangesproken op zijn rijstijl, waarbij hij is bekeurd voor een aantal verkeersovertredingen. Blijkens het desbetreffende proces-verbaal van bevindingen dat zich in het dossier bevindt, reageerde de verdachte hierbij laconiek en weinig geïnteresseerd. De verdachte heeft blijkbaar geen aanleiding gezien om zijn rijstijl vervolgens aan te passen, maar is op eenzelfde onvoorzichtige wijze aan het verkeer blijven deelnemen met fatale gevolgen.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 14 juni 2015, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Het leed dat de verdachte door zijn handelen bij de nabestaanden van het slachtoffer heeft veroorzaakt is groot en onherstelbaar en is treffend verwoord in de schriftelijke slachtofferverklaring. De nabestaanden moeten nog dagelijks leven met het feit dat hun moeder en grootmoeder abrupt uit hun leven is weggerukt.

Duidelijk is dat ook de verdachte zeer geraakt is door deze ingrijpende gebeurtenis. Hij zal levenslang (psychisch) gebukt gaan onder het feit dat hij ongewild een aanrijding heeft veroorzaakt die een vrouw het leven heeft gekost. Dit neemt echter het laakbare van het handelen van de verdachte niet weg.

Gelet op alle omstandigheden en op hetgeen in de regel voor vergelijkbare zaken als straffen wordt opgelegd, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en een langdurige ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen passend en geboden. Voor het opleggen van een deels voorwaardelijke straf, zoals door de officier van justitie is geëist, wordt geen aanleiding gezien.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als nabestaande van [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd: [benadeelde], wonende te [woonplaats]. Namens de erfgenamen vordert hij een bedrag van € 1.314,50 aan materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente.

Nu is komen vast te staan dat de opgevoerde kosten voor het rouwboeket rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit aan de benadeelde partij toegebrachte schade betreft en de verdachte de vordering van de erfgenamen niet heeft betwist, zal de vordering tot een bedrag van € 152,50 worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 november 2014. De benadeelde partij zal voor het overige deel in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de opgevoerde kosten van huisontruiming geen schade betreft die rechtstreeks door het bewezenverklaarde strafbare feit is veroorzaakt. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 24 (vierentwintig) maanden;

bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994;

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde], wonende te [woonplaats] toe tot een bedrag van € 152,50 en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 november 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 152,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 november 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening;

beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 152,50 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 3 dagen, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.


Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.F. Koekebakker, voorzitter,

en mrs. J. Snitker en H.D. Overbeek, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. W.A.J.A. Welten en E. Kerens, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 juni 2015.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.


Bijlage I bij vonnis van 30 juni 2015.

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 5 september 2014 te Rotterdam als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig

heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met

aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te

rijden op de kruising gevormd door de voor het openbaar verkeer

openstaande wegen de Gerdesiaweg, de Boezemweg en het Ammanplein,

althans op één van deze wegen, welk genoemd rijgedrag hierin heeft

bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

terwijl op het Ammanplein het verkeerslicht voor het rechtdoorgaande

verkeer (in de richting van de Gerdesiaweg) rood licht uitstraalde en vóór

dat verkeerslicht meerdere voertuigen stilstonden,

rijdend op het Ammanplein via de voorsorteerstrook voor het linksafslaande

verkeer die vóór het rode verkeerslicht wachtende voertuigen (met hoge

snelheid) heeft ingehaald, en/of

in strijd met dat rode verkeerslicht de kruising rechtdoorgaand is opgereden

en gaan oversteken en/of zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld of

aangepast dat hij in staat was zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen

de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was

en/of

(aldus rijdende) niet (tijdig) heeft opgemerkt dat de bestuurder van een

scootmobiel, die inmiddels groen licht had, doende was de rijbaan van de

Gerdesiaweg over te steken op of ter hoogte van de aldaar gelegen fiets-

/bromfietsoversteekplaats en die oversteekplaats reeds voor een groot deel

was overgestoken en/of die scootmobiel niet heeft laten voorgaan en/of

ondanks hard remmen en/of uitwijken in botsing of aanrijding is gekomen

met die scootmobiel, als gevolg waarvan de bestuurder van die scootmobiel

ten val is gekomen;

waardoor de bestuurder van die scootmobiel, genaamd [slachtoffer],

werd gedood;

zulks terwijl hij, verdachte, korte tijd (ongeveer 10 minuten) vóór de

bovenomschreven aanrijding plaatsvond, door de politie werd

staandegehouden in verband met meerdere verkeersovertredingen

(waaronder het met hoge snelheid rechts inhalen van voertuigen en

hinderlijk/gevaarlijk van rijstrook wisselen);

( art 6 Wegenverkeerswet 1994 )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 5 september 2014 te Rotterdam als bestuurder van een

motorrijtuig personenauto), daarmee rijdende op de kruising gevormd door

de voor het openbaar verkeer openstaande wegen de Gerdesiaweg, de

Boezemweg en het Ammanplein, althans op één van deze wegen, zich

zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg/wegen werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg/wegen werd

gehinderd, althans kon worden gehinderd;

welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

terwijl op het Ammanplein het verkeerslicht voor het rechtdoorgaande

verkeer (in de richting van de Gerdesiaweg) rood licht uitstraalde en vóór

dat verkeerslicht meerdere voertuigen stilstonden,

rijdend op het Ammanplein via de voorsorteerstrook voor het linksafslaande

verkeer die vóór het rode verkeerslicht wachtende voertuigen (met hoge

snelheid) heeft ingehaald, en/of

in strijd met dat rode verkeerslicht de kruising rechtdoorgaand is opgereden

en gaan oversteken en/of zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld of

aangepast dat hij in staat was zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen

de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was

en/of

(aldus rijdende) niet (tijdig) heeft opgemerkt dat de bestuurder van een

scootmobiel, die inmiddels groen licht had, doende was de rijbaan van de

Gerdesiaweg over te steken op of ter hoogte van de aldaar gelegen fiets-

/bromfietsoversteekplaats en die oversteekplaats reeds voor een groot deel

was overgestoken en/of die scootmobiel niet heeft laten voorgaan en/of

ondanks hard remmen en/of uitwijken in botsing of aanrijding is gekomen

met die scootmobiel;

zulks terwijl hij, verdachte, korte tijd (ongeveer 10 minuten) vóór de

bovenomschreven aanrijding plaatsvond, door de politie werd

staandegehouden in verband met meerdere verkeersovertredingen

(waaronder het met hoge snelheid rechts inhalen van voertuigen en

hinderlijk/gevaarlijk van rijstrook wisselen);

( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )