Rechtbank Rotterdam, 26-06-2015 / KTN-4064779_26062015


ECLI:NL:RBROT:2015:4647

Inhoudsindicatie
Loonvordering in kort geding na ontslag op staande voet. Vrijwillige verschijning werkgever (artikel 255 lid 2 Rv). Overtreding van verbod op nevenactiviteiten door werknemer is aannemelijk, afwijzing vordering.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-06-26
Publicatiedatum
2015-06-30
Zaaknummer
KTN-4064779_26062015
Procedure
Kort geding
Rechtsgebied
Civiel recht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2015/1227
  • JAR 2015/200
  • AR-Updates.nl 2015-0606
Uitspraak RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 4064779 VV EXPL 15-217


uitspraak: 26 juni 2015


vonnis in kort geding van de kantonrechter ex artikel 254 lid 5 Rv optredend als voorzieningenrechter, zittinghoudende te Rotterdam


in de zaak van


[eiser],

wonende te Nieuwerkerk aan den IJssel,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.A. Noordam te Breda,


tegen


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AD NIEUWSMEDIA B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verzoekster,

gemachtigde: mr. B. Filippo te Rotterdam.


Partijen worden hierna aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘AD’.



1Het verloop van de procedure


[eiser] heeft bij exploot van 22 mei 2015 de besloten vennootschap De Persgroep Nederland B.V. (hierna: De Persgroep) in kort geding gedagvaard. De vorderingen van [eiser] zijn gebaseerd op een arbeidsovereenkomst. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 juni 2015, tegelijk met de behandeling van het door AD Nieuwsmedia B.V. tegen [eiser] ingediende verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst (zaaknummer 4076995 VZ VERZ 15-8920). Hierbij was [eiser] aanwezig samen met zijn gemachtigde mr. J.A. Noordam. AD en De Persgroep werden tijdens deze zitting vertegenwoordigd door mr. B. Filippo. Voorts waren de heer [P.] (chef redactie AD Sportwereld, de leidinggevende van [eiser]), de heer [O.] (coördinator regionale sport chefs bij AD) en de heer [B.] (manager P&O bij AD) aanwezig. AD heeft bij het voeren van haar verweer tijdens de mondelinge behandeling veelvuldig verwezen naar het in de hierboven genoemde ontbindingsprocedure ingediende verzoekschrift en de daarbij gevoegde producties. Het verzoekschrift en de producties maken daarom in zoverre deel uit van de stukken in dit kort geding.


Na de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter partijen verzocht zich nader uit te laten over welke rechtspersoon als (formeel) werkgever van [eiser] aangemerkt moet worden. Mr. Filippo heeft daarop namens AD en De Persgroep een akte met drie producties in het geding gebracht, waarin zij concludeert dat AD (en niet De Persgroep) de werkgever van [eiser] is. Mr. Noordam heeft bij brief bevestigd dat AD als werkgever van [eiser] aangemerkt moet worden en heeft daarbij verzocht de naam van de gedaagde partij in het kort geding te wijzigen van De Persgroep in AD.



2De vaststaande feiten


Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken staat tussen partijen – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende vast:


2.1.

AD geeft een landelijk dagblad uit dat tevens verschijnt onder zeven regionale titels. Daarnaast is zij uitgever van een nieuwswebsite. [eiser], geboren op [geboortedatum] 1970, is op 18 augustus 2001 in dienst getreden van (een rechtsvoorganger van) AD als sportjournalist. [eiser] was laatstelijk werkzaam als Regio Sport Coördinator tegen een salaris van € 4.789,23 per maand exclusief emolumenten. In de laatstgenoemde functie was [eiser] verantwoordelijk voor het aansturen van verslaggevers, fotografen en redacteuren (zowel in dienst van AD als freelance) die zich bezighielden met regionaal sportnieuws. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor Dagbladjournalisten (hierna: de CAO) van toepassing.


2.2.

In artikel 23 van de arbeidsovereenkomst (‘Verbod nevenactiviteiten’) is het volgende bepaald:“Behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van werkgever is het werknemer verboden naast de onderhavige arbeidsovereenkomst een bedrijf of beroep uit te oefenen, op welke wijze en in welke vorm dan ook, hetzij op eigen naam, hetzij door middel van en/of in samenwerking met andere natuurlijke of rechtspersonen, noch in dienstbetrekking werkzaam te zijn bij andere natuurlijke of rechtspersonen.


Werknemer mag zonder schriftelijke toestemming van de directie en hoofdredactie van de onderneming geen geregelde arbeid verrichten voor andere publiciteitsorganen – dan door werkgever geëxploiteerde organen – zoals voor andere dagbladen, tijdschriften en persbureau’s alsmede geen journalistieke arbeid verrichten voor radio- en televisie-instellingen, een en ander overeenkomstig de bepalingen van de CAO voor dagbladjournalisten.”


2.3.

In artikel 8.4 van de CAO is onder meer het volgende opgenomen:“1. Onverminderd zijn recht op volledige vrijheid van meningsuiting beperkt de journalist zich door het aangaan van een vast dienstverband in de commerciële aanwending van het door hem geschrevene. Zo zal de journalist zonder vooraf verleende schriftelijke toestemming van de directie en hoofdredactie geen geregelde arbeid verrichten voor andere publiciteitsorganen, zoals dagbladen, nieuwsbladen, tijdschriften, persbureaus.2. De in lid 1 bedoelde toestemming kan slechts worden geweigerd indien de voorgenomen medewerking de belangen van het eigen blad zou schaden:

  • - hetzij doordat die medewerking zou worden verleend aan een publiciteitsorgaan dat als concurrerend is te beschouwen;
  • - hetzij doordat die medewerking de journalist zou beletten de uit zijn arbeidsovereenkomst en deze cao tegenover zijn blad voortvloeiende verplichtingen ten volle na te komen;
  • - hetzij wegens de richting van het betrokken publiciteitsorgaan;
  • - hetzij doordat de medewerking slechts mogelijk zou worden gemaakt door of in verband zou staan met de vervulling van opdrachten voor het eigen blad, die een exclusief karakter hebben, of waarvan bijzondere kosten zijn verbonden, zonder dat het betrokken publiciteitsorgaan bereid is een redelijk deel van deze kosten te vergoeden.

3. Bij het verlenen van incidentele medewerking aan andere publiciteitsorganen dient de journalist daarvan in elk voorkomend geval aan zijn directie en hoofdredactie vooraf schriftelijk kennis te geven.


4. Vooraf verleende schriftelijke toestemming als bedoeld in lid 1, is evenwel vereist, indien de voorgenomen incidentele medewerking de belangen van het eigen blad zou kunnen schade op een van de gronden vermeld in lid 2.


(…)”


2.4.

Begin 2011 ontdekte AD dat [eiser] de redactionele leiding op zich had genomen van een nieuwe tijdschrift over ijshockey met de naam ‘PowerPlay’. [eiser] had voor deze werkzaamheden geen toestemming gevraagd aan de hoofdredactie. Tijdens een gesprek op 7 januari 2011 heeft AD [eiser] hierop aangesproken. Zij heeft daarbij te kennen gegeven dat zij ook geen toestemming zou hebben verleend, omdat PowerPlay concurrerend is met de activiteiten van AD en [eiser] zijn positie als onafhankelijk journalist in gevaar heeft gebracht. Daarnaast vreest zij dat nevenactiviteiten van [eiser] ten koste gaan van het werk voor AD. [eiser] heeft in het gesprek toegezegd de medewerking aan PowerPlay per direct volledig te beëindigen.


2.5.

Begin 2015 ontving AD een melding van een voormalig freelancer van AD, mevrouw [S.]. Zij gaf te kennen dat [eiser] in het verleden misbruik heeft gemaakt van zijn machtspositie, door van haar te verlangen dat zij onbetaald voor hem werkte onder dreiging dat zij anders niet meer door AD ingeschakeld zou worden. AD heeft [eiser] op 8 januari 2015 met deze melding geconfronteerd. [eiser] heeft toen tegenover AD verklaard dat de bewering van [S.] niet waar is en dat deze waarschijnlijk uit rancune zou zijn verzonnen.


2.6.

Toen AD vervolgens navraag deed bij [S.], heeft [S.] AD te kennen gegeven dat [eiser] ook na 7 januari 2011 nevenactiviteiten heeft verricht voor PowerPlay, daarnaast betrokken was bij het tijdschrift ‘ikhandbal.nl’ en tevens optrad als gevolmachtigd adviseur van het bedrijf All Sports Media B.V. (hierna: All Sports Media). AD heeft hier nader onderzoek naar gedaan en heeft vervolgens [eiser] op 19 februari 2015 geconfronteerd met haar bevindingen. [eiser] heeft daarop te kennen gegeven dat zijn bemoeienis met beide tijdschriften beperkt was en dat hij hier de laatste twee jaar geen activiteiten meer voor heeft verricht. Verder heeft hij laten weten dat hij slechts aandeelhouder is van All Sports Media en niet actief betrokken is bij deze vennootschap. AD heeft [eiser] vervolgens vrijgesteld van werk en heeft hem een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst aangeboden. [eiser] heeft dit aanbod niet aanvaard.


2.7.

Tijdens de voorbereiding van een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:685 BW ontving AD in de periode van 2 tot en met 9 maart 2015 van [S.] kopieën van zeer veel e‑mailberichten die zij met [eiser] had gewisseld. AD heeft [eiser] uitgenodigd om tijdens een gesprek op 9 maart 2015 te reageren op de van [S.] verkregen informatie. [eiser] is na afloop van dit gesprek geschorst. Na het gesprek heeft AD navraag gedaan over de beweringen van [S.] bij de tevens voor AD werkzame freelancer mevrouw [W.].


2.8.

Bij brief van 11 maart 2015 heeft AD [eiser] op staande voet ontslagen, omdat – kort weergegeven – [eiser] :

  • - ook na de waarschuwing van 7 januari 2011 is doorgegaan met het (intensief) verrichten van nevenactiviteiten, voor in ieder geval PowerPlay en ikhandbal.nl, ook in 2013 en 2014;
  • - deze werkzaamheden veelal tijdens werktijd heeft uitgevoerd;
  • - deze werkzaamheden na 7 januari 2011 zorgvuldig heeft verhuld door zijn naam uit de colofon te verwijderen, een ander telefoonnummer te nemen en door gebruikmaking van schuilnamen en schuil-e-mailadressen;
  • - foto’s uit het Dio-archief (waar AD voor betaalt) heeft gebruikt voor PowerPlay en ikhandbal.nl;
  • - ook andere bronnen van AD, zoals Reuters, AP en Infostrada, heeft gebruikt voor PowerPlay en ikhandbal.nl;
  • - door hem zelf tijdens werktijd geschreven artikelen door freelancers liet inleveren, die daarvoor van AD betalingen ontvingen, waardoor AD financieel benadeeld werd;
  • - nog steeds ingeschreven staat als gevolmachtigde van All Sports Media in het handelsregister.

2.9.

[eiser] heeft op 10 april 2015 de vernietigbaarheid van het ontslag ingeroepen.



3Het geschil


3.1.

[eiser] heeft na wijziging van eis gevorderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, AD bij wege van voorlopige voorziening te veroordelen om:

[eiser] binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis toe te laten tot zijn werkzaamheden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor elke dag dat AD hiermee in gebreke blijft;

aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het loon inclusief vakantiegeld van 11 maart 2015 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging;

aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de buitengerechtelijke kosten van € 178,50;

[eiser] te veroordelen in de proceskosten.


3.2.

[eiser] heeft ter onderbouwing van zijn vordering aangevoerd – kort weergegeven – dat er geen sprake is van een dringende reden, omdat hij slechts als vrijwilligerswerk enkele marginale hand- en spandiensten voor PowerPlay en ikhandbal.nl heeft verricht. AD werd hierdoor niet geschaad en [eiser] heeft hiermee niets verdiend. [eiser] betwist dat hij zich tijdens werktijd met nevenactiviteiten heeft beziggehouden. AD heeft hiervoor slechts één, niet betrouwbare bron ([S.]). De overgelegde e-mails zijn verstuurd in het kader van zijn normale werkzaamheden. [eiser] betwist gebruik te hebben gemaakt van middelen van AD en ontkent dat hij een schuilnaam of –adres heeft gebruikt. Zeer veel werknemers van AD verrichten nevenactiviteiten. Zij hebben lang niet allemaal toestemming gevraagd. Zijn activiteiten voor PowerPlay en ikhandbal.nl heeft [eiser] in respectievelijk 2011 en 2014 gestaakt. [eiser] vermoedt dat AD vanwege de dalende oplage van de krant een reden zoekt om afscheid van hem te nemen.


3.3.

[eiser] heeft aangevoerd dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven, nu hij op 19 februari 2015 reeds was vrijgesteld van werkzaamheden en pas op 11 maart 2015 is ontslagen. Uit het in de tussentijd uitgevoerde onderzoek zijn geen nieuwe feiten naar voren gekomen. AD heeft zich geen rekenschap gegeven van de gevolgen die het ontslag op staande voet voor [eiser] heeft.


3.4.

AD concludeert tot afwijzing van de vordering. Zij heeft tegen de vordering van [eiser] aangevoerd – kort weergegeven – dat het ontslag op staande voet gelet op de in de brief van 11 maart 2015 genoemde redenen gerechtvaardigd was. Het ontslag is onverwijld gegeven. Na het gesprek van 19 februari 2015 is AD met de voorbereiding van een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst begonnen. In de periode van 2 tot en met 9 maart 2015 ontving AD veel nieuwe informatie die een nieuw licht op de zaak wierp. [eiser] vervolgens op 11 maart 2015 ontslagen.


3.5.

Op de overige standpunten van partijen wordt hierna – voor zover relevant – nader ingegaan.



4De beoordeling


4.1.

In dit kort geding is De Persgroep door [eiser] gedagvaard. Na de mondelinge behandeling is echter vast komen te staan dat niet De Persgroep, maar AD de werkgever van [eiser] is. Dat betekent dat De Persgroep ten onrechte in kort geding is gedagvaard. [eiser] heeft vervolgens verzocht de naam van de gedaagde partij te wijzigen van De Persgroep in AD. In beginsel behoort AD op grond van artikel 254 lid 2 Rv bij dagvaarding te worden opgeroepen. AD was echter bij de mondelinge behandeling aanwezig. Mr. Filippo heeft daarbij namens de werkgever (op de pleitnota zijn zowel De Persgroep als AD vermeld) verweer gevoerd tegen de vordering van [eiser] in het kort geding. Er is derhalve sprake van vrijwillige verschijning ter terechtzitting als bedoeld in artikel 255 lid 2 Rv, waardoor oproeping bij dagvaarding achterwege kan blijven. De door [eiser] verzochte naamswijziging wordt daarom, nu AD niet in enig belang is geschaad, toegestaan.


4.2.

Uit de aard van de vordering – een loonvordering – volgt dat deze spoedeisend is. Hierdoor is voldoende gebleken is dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij de door hem gevorderde voorzieningen, zodat hij in zoverre ontvankelijk is in zijn vordering.


4.3.

In dit kort geding moet aan de hand van de door partijen gepresenteerde feiten, zonder nader onderzoek, beoordeeld worden of de vordering van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopen daarop door toewijzing, mede gelet op de wederzijdse belangen, reeds nu gerechtvaardigd is. Daarvoor moet beoordeeld worden of voorshands aannemelijk is dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst door AD wegens een dringende reden in een bodemprocedure geen stand zal houden.


4.4.

De dringende reden die door AD aan het ontslag ten grondslag is gelegd omvat een aantal gedragingen van [eiser]:

  • - de inschrijving als gevolmachtigde van All Sports Media in het handelsregister;
  • - financiële benadeling van AD door artikelen die [eiser] zelf geschreven had door freelancers te laten inleveren;
  • - het ondanks een waarschuwing doorgaan met het intensief verrichten van nevenactiviteiten voor PowerPlay en ikhandbal.nl, waarbij;

o deze werkzaamheden veelal tijdens werktijd zijn uitgevoerd;

o deze werkzaamheden na 7 januari 2011 zorgvuldig zijn verhuld;

o foto’s uit het door AD betaalde Dio-archief zijn gebruikt;

o informatie uit door AD betaalde bronnen zijn gebruikt (Reuters, AP en Infostrada).


4.5.

[eiser] erkent dat hij in het handelsregister van de Kamer van Koophandel is ingeschreven als gevolmachtigde van All Sports Media. [eiser] stelt dat zijn bemoeienis met deze vennootschap zich beperkte tot het bezoeken van aandeelhoudersvergaderingen, maar hij heeft niet toegelicht waarom hij desondanks als gevolmachtigde van de vennootschap is ingeschreven. All Sports Media is het bedrijf dat de tijdschriften PowerPlay en ikhandbal.nl heeft uitgegeven. Daarbij is opmerkelijk dat de inschrijving van 20 december 2011 dateert, dus na het gesprek van 7 januari 2011 waarin [eiser] te kennen is gegeven dat hij geen nevenactiviteiten meer mocht ontplooien. Het is in het licht van deze omstandigheden begrijpelijk dat AD het vermoeden heeft dat de bemoeienis van [eiser] met All Sports Media meer behelst dan die van aandeelhouder. In deze procedure is echter niet gebleken dat [eiser] werkzaamheden of andere activiteiten voor All Sports Media verrichtte die onder het in artikel 23 van de arbeidsovereenkomst opgenomen verbod vallen.


4.6.

AD stelt dat [eiser] door hem (tijdens werktijd) geschreven artikelen door [S.], en mogelijk door andere freelancers, bij AD heeft laten inleveren, zodat zij de vergoeding hiervoor zou ontvangen. AD zou daardoor tweemaal voor hetzelfde artikel betalen (eenmaal via het salaris van [eiser] en eenmaal via de vergoeding voor de freelancer). Deze stelling is gebaseerd op verklaringen van [S.] en op twee e‑mailberichten waarin een artikel aan het privé-e-mailadres van [S.] wordt gestuurd (overgelegd als productie 16 bij het verzoekschrift). Eén bericht is afkomstig van het AD-e-mailadres van [eiser] en één van ‘daisy@powerplaymagazine.nl’, waarvan AD stelt dat dit een schuiladres is van [eiser]. Het betreft een ernstige beschuldiging aan het adres van [eiser]. Om van de juistheid daarvan in deze procedure uit te kunnen gaan, dient ten minste aannemelijk te zijn dat (a) de artikelen door [eiser] zijn geschreven, (b) dat dit tijdens werktijd is gebeurd, (c) dat deze artikelen vervolgens door [S.] zijn ingediend en (d) dat [S.] daarvoor ook betaald heeft gekregen. De door AD gestelde gang van zaken is – nu deze door [eiser] gemotiveerd wordt betwist – echter niet voorshands aannemelijk geworden. Hoewel begrijpelijk is dat de overgelegde e-mails vragen oproepen, kan daaruit – als beide van [eiser] afkomstig zijn – immers niet worden afgeleid dat [eiser] de auteur is van de artikelen. Daarbij geldt, indien dat het geval zou zijn, dat AD slechts benadeeld is wanneer [eiser] de artikelen tijdens werktijd geschreven zou hebben, hetgeen niet uit de e-mails of de verklaringen van [S.] blijkt. Dat hierbij andere freelancers dan [S.] betrokken zouden zijn is evenmin gebleken.


4.7.

In deze procedure is vast komen te staan dat [eiser], ondanks de waarschuwing van 7 januari 2011, is doorgegaan met het verrichten van activiteiten voor PowerPlay en daarnaast activiteiten voor ikhandbal.nl heeft verricht, waarvan AD niet op de hoogte is gesteld en waarvoor geen toestemming is gevraagd of is verleend. Volgens [eiser] gaat het echter om ‘marginale vrijwilligerswerkzaamheden’ en ‘hand- en spandiensten’ die niet als ‘geregelde arbeid’ zoals genoemd in de arbeidsovereenkomst en de CAO kunnen worden aangemerkt.


4.8.

Ter onderbouwing van haar stelling heeft AD een groot aantal aan en door [eiser] verstuurde e-mailberichten (overgelegd bij de in de ontbindingsprocedure ingediende verzoekschrift, hierna: het verzoekschrift) in het geding gebracht. Naast berichten van zijn AD-e-mailadres en privé-e-mailadres heeft AD onder meer berichten aan of van ‘daisy@powerplaymagazine.nl’ overgelegd. Volgens AD is dit een schuiladres dat [eiser] heeft aangenomen, nadat hij op 7 januari 2011 was aangesproken op zijn nevenactiviteiten. Hoewel [eiser] ontkent dat hij dit e‑mailadres heeft gebruikt, acht de kantonrechter het thans voldoende aannemelijk dat [eiser] zich van dit adres heeft bediend. Dit volgt uit de vele e-mailconversaties tussen ‘daisy@powerplaymagazine.nl’ en het gmail-adres van [S.] (waarvan vast staat dat dit van [S.] zelf is) over PowerPlay en ikhandbal.nl (zoals de e-mails overgelegd als productie 11r, 11v en 15i bij het verzoekschrift). In de gewisselde e‑mails wordt door de schrijver soms informatie genoemd die tot [eiser] te herleiden is, zoals de naam van zijn zoon (productie 15f bij het verzoekschrift) en zijn verjaardag (productie 15h). [eiser] heeft ter zitting geen verklaring kunnen geven voor deze opmerkelijke overeenkomsten die nauwelijks nog als toevalligheden kunnen worden beschouwd. Daarbij komt dat uit de als productie 15a en 15b bij het verzoekschrift overgelegde e-mails volgt dat [eiser] vanaf 7 januari 2011 andere e-mailadressen is gaan gebruiken kennelijk met de intentie om zijn werkzaamheden aan het oog van AD te onttrekken. Of [eiser] daarvoor (onder meer) ook gebruik heeft gemaakt van een ander telefoonnummer en een pseudoniem, kan thans niet worden vastgesteld. Voor de beoordeling van de dringende reden is dit ook slechts in beperkte mate van belang, nu thans voldoende aannemelijk is geworden dat [eiser] zijn activiteiten voor AD verborgen probeerde te houden.


4.9.

Aan de hand van het door AD in het geding gebrachte pakket aan e‑mailcorrespondentie is niet eenvoudig in te schatten hoeveel tijd de nevenactiviteiten van [eiser] in beslag hebben genomen. Uit de deze e-mailcorrespondentie blijkt wel dat – ook wanneer het e-mailverkeer aan en van ‘daisy@powerplaymagazine.nl’ buiten beschouwing wordt gelaten – [eiser] zich intensief met PowerPlay en ikhandbal.nl heeft bemoeid. Dit blijkt onder meer uit producties 11b, 11n, 11p, 11w (met betrekking tot PowerPlay) en producties 11l, 11o, 11s, 11t (over ikhandbal.nl) bij het verzoekschrift. Het aantal e-mailberichten en de inhoud daarvan duidt op een veel intensievere betrokkenheid dan doorgaans onder ‘hand- en spandiensten’ wordt verstaan, in ieder geval wat de periode 2011-2012 betreft. Er kan naar het oordeel van de kantonrechter dan ook gesproken worden van ‘geregelde arbeid’. [eiser] heeft daarmee de artikelen 23 van de arbeidsovereenkomst en 8.4 van de CAO overtreden. Dat [eiser] deze werkzaamheden intussen heeft gestaakt, doet aan deze overtreding niet af.


4.10.

AD heeft gesteld dat [eiser] de nevenactiviteiten voor PowerPlay en ikhandbal.nl (ook) tijdens werktijd uitvoerde, hetgeen volgens haar blijkt uit de als productie 14 overgelegde e-mailberichten. Hierbij zijn diverse berichten verzonden van het AD-e-mailadres van [eiser] opgenomen. Nu door AD niet is gesteld dat [eiser] uitsluitend op zijn werkplek toegang had tot dit adres, volgt uit het verzenden van dit adres niet noodzakelijk dat [eiser] de e-mails tijdens het werk verstuurde. Verder werkt [eiser] niet enkel tijdens kantooruren, waardoor ook uit de tijdstippen van verzending niet zonder meer afgeleid kan worden dat de e‑mails tijdens het werk verzonden zijn. Gelet op de inhoud (zoals de als productie 14i bij het verzoek overgelegde e mailwisseling) en frequentie van de e-mailberichten acht de kantonrechter het voorshands echter wel aannemelijk dat de nevenactiviteiten van [eiser] in zekere mate ten koste zijn gegaan van zijn werkzaamheden voor AD.


4.11.

[eiser] heeft aangevoerd dat veel van zijn collega’s ook nevenactiviteiten verrichten, soms op veel grotere schaal dan hij heeft gedaan, zoals het schrijven van een boek. Eén collega’s zou tegenover [eiser] hebben verklaard daar geen toestemming voor te hebben gevraagd. Het door [eiser] geschetste beeld dat het verbod op nevenwerkzaamheden in de praktijk niet wordt gehandhaafd is door AD gemotiveerd weersproken. Evenmin is aannemelijk geworden dat [eiser] – gelet op de waarschuwing op 7 januari 2011 – toestemming gekregen zou hebben.


4.12.

[eiser] wordt voorts verweten foto’s van het fotoarchief Dio, waarvoor AD betaalt, te hebben gebruikt voor PowerPlay. [eiser] heeft ter zitting erkend dat hij foto’s doorstuurde, waaronder de foto bij de e-mail van 3 januari 2012 (productie 17d bij het verzoek) aan ‘powerplay.redactie@gmail.com’. Deze foto is vervolgens geplaatst in het tijdschrift PowerPlay. Ter zitting heeft [eiser] hierover slechts verklaard dat hij ‘niet verantwoordelijk was voor plaatsing van foto’s in PowerPlay’ en deze foto slechts naar het betreffende e-mailadres heeft gestuurd ‘omdat [S.] daar te bereiken was’, maar hij heeft geen reden gegeven voor het doorsturen van de foto. In het licht van deze omstandigheden acht de kantonrechter het voldoende aannemelijk dat foto uit Dio voor plaatsing aan PowerPlay is verzonden. Daarnaast lijkt op basis van de e-mailberichten van 1 mei 2012 (productie 18d bij het verzoek) aannemelijk dat [eiser] gegevens van Infostrada heeft doorgestuurd naar [S.], kennelijk ten behoeve van PowerPlay.


4.13.

De door AD in de ontslagbrief opgenomen redenen zijn in beginsel voldoende om een opzegging van de arbeidsovereenkomst wegens een dringende reden te rechtvaardigen. In deze procedure is echter niet aannemelijk geworden dat [eiser] AD heeft benadeeld door freelancers zijn artikelen te laten inleveren. Evenmin is aannemelijk geworden dat [eiser] met activiteiten voor All Sports Media artikel 23 van de arbeidsovereenkomst heeft overtreden. Wel staat vast dat dat [eiser], ook direct na de waarschuwing en het expliciet uitgesproken verbod op nevenactiviteiten van 7 januari 2011, op niet onaanzienlijke schaal werkzaamheden heeft verricht voor PowerPlay en ikhandbal.nl, waarbij aannemelijk is dat deze een nadelig effect hebben gehad op zijn werk voor AD. Voorts is aannemelijk dat [eiser] actief heeft geprobeerd deze werkzaamheden voor AD verborgen te houden en kan worden vastgesteld dat [eiser] ten minste enkele malen foto’s en informatie uit de systemen van AD heeft opgevraagd ten behoeve van Powerplay. In het kader van deze kort geding procedure kan de exacte omvang van de nevenactiviteiten die [eiser] voor PowerPlay en ikhandbal.nl heeft verricht en de mate waarin deze ten koste zijn gegaan van het werk voor AD moeilijk worden vastgesteld. De kantonrechter acht echter gelet op de thans reeds vaststaande overtredingen [eiser] de kans zeer wel aanwezig dat een dringende reden voor ontslag in een bodemprocedure – met alle bewijsmogelijkheden van dien – aangenomen zal worden.


4.14.

[eiser] heeft aangevoerd dat het ontslag op staande voet op 11 maart 2015 niet onverwijld is gegeven, kort gezegd omdat AD op 19 februari 2015 al bekend was met het feit dat [eiser] zijn nevenactiviteiten had voortgezet en het nadien uitgevoerde onderzoek geen nieuwe feiten aan het licht heeft gebracht. AD heeft in deze procedure echter aannemelijk gemaakt dat zij op 19 februari 2015 over veel minder informatie beschikte dan thans het geval is. Daarbij had AD op 19 februari 2015 [eiser] reeds kenbaar gemaakt dat zij naar aanleiding van de geconstateerde gedragingen naar beëindiging van de arbeidsovereenkomst zou streven door middel van een ontbindingsverzoek. In het kader van de voorbereiding van dit verzoek heeft AD in de periode van 2 tot en met 9 maart 2015 zoveel extra informatie ontvangen (vrijwel alle in dit vonnis aangehaalde producties bij het verzoekschrift zijn in die periode door AD ontvangen) dat AD heeft geconcludeerd dat sprake was van een dringende reden en is vervolgens op 11 maart 2015 tot ontslag op staande voet overgegaan. Er lijkt dan ook geen sprake van dralen aan de zijde van AD. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat [eiser] zijn activiteiten heeft proberen te verhullen en in de verschillende gesprekken tegenover AD steeds geen openheid van zaken heeft willen gegeven, waardoor nader onderzoek noodzakelijk was. Het is dan ook voorshands aannemelijk dat het ontslag op staande voet onverwijld gegeven is.


4.15.

Hierboven is – op grond van hetgeen door AD met betrekking tot de redenen voor de opzegging naar voren is gebracht – geconcludeerd dat het zeer wel mogelijk is dat er sprake is van een dringende reden, op grond waarvan de arbeidsovereenkomst onverwijld is opgezegd. Daardoor is voorshands onvoldoende aannemelijk geworden dat het door AD gegeven ontslag op staande voet in een bodemprocedure geen stand zal houden. Er is daarom onvoldoende aanleiding om nu reeds vooruit te lopen op de gevolgen van een eventuele vernietiging van dit ontslag. De vorderingen van [eiser] in dit kort geding worden daarom afgewezen.


4.16.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van AD vastgesteld op € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde.



5De beslissing


De kantonrechter,


rechtdoende in kort geding;


wijst de vorderingen af;



veroordeeld [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van AD vastgesteld op € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde.



Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Langeler en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

385