Rechtbank Rotterdam, 26-05-2015 / C/10/15/320 F


ECLI:NL:RBROT:2015:4759

Inhoudsindicatie
Verzet faillietverklaring ongegrond verklaard. Niet gebleken van betalingsregelingen ten aanzien van schuldeisers. Faillissementstoestand nog steeds aan de orde. Geen vervolg na aanmelding SHV-traject. Geen WSNP-verzoek ingediend.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-05-26
Publicatiedatum
2015-07-06
Zaaknummer
C/10/15/320 F
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • INS-Updates.nl 2015-0234
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Insolventie


Insolventienummer [nummer]



VONNIS op het verzoekschrift van:


[naam 1]

wonende aan de [adres 1]

[woonplaats],

handelende onder de naam: [naam 2],

kantoorhoudende te [adres 2],

[plaats],

correspondentieadres:

[adres 3],

[plaats],

advocaat mr. P.C.E. van den Hoek,

opposante,


strekkende tot vernietiging van het vonnis van deze rechtbank van 28 april 2015, waarbij opposante op verzoek van [naam 3] (e.a.), wonende te Dordrecht, voor wie als procesadvocaat optreedt mr. A.J. van der Duijn Schouten, hierna te noemen geopposeerden (ieder apart: “[naam 3]” en “[naam 4]”), in staat van faillissement is verklaard.


1De procedure


Het verzoekschrift is ter terechtzitting van 19 mei 2015 behandeld.


Ter terechtzitting van 19 mei 2015 zijn verschenen de advocaat van opposante, mr. P.C.E. van den Hoek, mr. A.J. van der Duijn Schouten, advocaat namens geopposeerden, alsmede mr. P.A. Loeff, curator in het faillissement van opposante.


Voorafgaande aan de zitting heeft de curator bij verslag van 15 mei 2015 bevindingen aan de rechtbank toegezonden.


De uitspraak is bepaald op heden.


2De standpunten


Voor zover van belang is door partijen het volgende aangevoerd.


Opposante betwist de hoogte van de vordering van [naam 3]. Er zijn wel werkzaamheden verricht door [naam 3], maar de hoeveelheid opgevoerde uren en het hogere uurloon zijn niet juist. De vordering van [naam 4] betwist opposante niet. Ten aanzien van deze vordering is een vaststellingsovereenkomst opgemaakt. Opposante heeft echter aangevoerd dat zij slechts met een paar termijnen te laat is (geweest), maar dat ze zeker niet is opgehouden deze vordering te betalen en ook ten aanzien van andere vorderingen niet is opgehouden te betalen.

Opposante is sinds december 2014 met behulp van de stichting SHVO (Schuldhulpverlening Voor Ondernemers) bezig om haar schulden in kaart te brengen en regelingen te treffen met de overige schuldeisers. Met betrekking tot drie schuldeisers heeft opposante bewijsstukken van overeengekomen betalingsregelingen overgelegd. Opposante heeft voorts gesteld dat zij zich (op aanraden van SHVO) heeft aangemeld bij de gemeente voor een schuldhulpverleningstraject. Deze aanmelding heeft SHVO namens opposante per e-mail van 22 april 2015 verzonden. Een intake voor dit traject heeft nog niet plaatsgevonden.


Geopposseerden hebben aangevoerd dat er wel degelijk sprake is van onbetaalde loonvorderingen aan zowel [naam 3] als [naam 4]. De betwisting van de hoogte van de vordering van [naam 3] doet daaraan niet af. Verder is er nog een onbetaalde (steun)vordering van de verhuurder van opposante en blijkt uit de opgave van de curator dat er nog meer schuldeisers zijn. Opposante heeft (behoudens de drie overgelegde betalingsregelingen) niet aangetoond dat zij met alle crediteuren een betalingsregeling heeft getroffen, dan wel dat op een andere wijze alle crediteuren voldaan kunnen worden.


De curator heeft verklaard dat tot op heden voor ongeveer € 45.000,- aan (concurrente) crediteuren zijn ingediend en dat hij in ieder geval nog de indiening van een vordering van de bank voor ongeveer € 55.000,- verwacht. Verder zijn er nog tussen de 200 en 300 klanten die een voucher hebben aangeschaft voor een behandeling bij opposante, waarvan het merendeel ook nog een vordering (de waarde van de voucher) ter verificatie moet indienen. De curator heeft verklaard dat hij geen plan van aanpak heeft ontvangen van opposante hoe zij alle schuldeisers wil gaan betalen, dan wel of zij in staat is met iedereen een betalingsregeling te treffen. De curator concludeert ten aanzien van opposante dat er nog altijd sprake is van een toestand van te zijn opgehouden te betalen.


3De beoordeling


Bij vonnis van 28 april 2015 is opposante in staat van faillissement verklaard.


Hoewel opposante de hoogte van de vordering van [naam 3] betwist, stelt de rechtbank vast dat er wel degelijk sprake is van een openstaande loonvordering van [naam 3]. De vordering van [naam 4] wordt niet betwist door opposante. Zij is echter niet in staat gebleken de betalingsvoorwaarden van de vaststellingsovereenkomst na te komen. Uit de bevindingen van de curator stelt de rechtbank verder vast dat de schuldenlast van opposante al snel zal oplopen tot € 100.000,-, waarvan tot op heden al ongeveer € 45.000,- is ingediend. Opposante heeft geen plan van aanpak weten te geven hoe zij al deze schulden wil gaan voldoen; zij heeft (behoudens drie crediteuren) geen bewijs overgelegd dat zij met alle schuldeisers betalingsregelingen heeft getroffen.


De rechtbank neemt voorts nog in aanmerking dat de oproep voor de faillissementszitting van 28 april 2015, conform het bepaalde in artikel 3 van de Faillissementswet, met de zogenaamde “WSNP-brief” op 14 april 2015 naar opposante is verzonden. Opposante heeft deze eerst op 20 april 2015 afgehaald op de afhaallocatie. Er is vervolgens geen verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling door haar ingediend bij de rechtbank. De stichting SHVO heeft opposante pas op 22 april 2015 middels een e-mail bij de gemeente aangemeld voor een schuldhulpverleningstraject. Tot op heden is niet gebleken dat er een vervolg is gegeven aan dit traject. Zo heeft er nog geen intake plaatsgevonden. De rechtbank concludeert dan ook dat opposante geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om toepassing van de schuldsaneringsregeling aan te vragen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat voldoende is gebleken van feiten en omstandigheden die aantonen dat opposante nog steeds verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Dat brengt mee dat het faillissement in stand dient te blijven.


4De beslissing


De rechtbank:


- verklaart het verzet ongegrond en bekrachtigt het op 28 april 2015 gewezen vonnis.


Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van Spengen, rechter, en in aanwezigheid van N. van Gaans, griffier, uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2015.



1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.