Rechtbank Rotterdam, 18-06-2015 / C/10/472735 / FT EA 15/758


ECLI:NL:RBROT:2015:4760

Inhoudsindicatie
Afwijzing dwangakkoord ondernemer; voorstel niet goed en betrouwbaar gedocumenteerd omdat afzonderlijke regeling met bank niet aan andere schuldeisers bekend is gemaakt en onvoldoende aannemelijk dat aangeboden regeling gunstiger is dan WSNP omdat (o.a.) geen rekening is gehouden bij het vergelijk met voortzetting dan wel liquidatie van de onderneming tijdens WSNP.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-06-18
Publicatiedatum
2015-07-07
Zaaknummer
C/10/472735 / FT EA 15/758
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht

Formele relatie

Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Insolventie


rekestnummer: [rekestnummer]

uitspraakdatum: 18 juni 2015


afwijzen gedwongen schuldregeling


in de zaak van:


[naam verzoeker],

wonende te [adres]

[woonplaats],

verzoeker.


1De procedure


Verzoeker heeft op 25 maart 2015, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een schuldeiser, te weten:

- [naam vennootschap];

die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.


Ter zitting van 4 juni 2015 zijn verschenen en gehoord:

  • - de heer [naam verzoeker], verzoeker;
  • - de heer [naam 1], werkzaam bij Okkerse & Schop Advocaten (hierna te noemen SHV);
  • - de heer [naam 2], schuldeiser;
  • - mevrouw [naam 3], namens [naam vennootschap] (hierna [naam vennootschap]);
  • - mr. J.C. Meijroos, advocaat.

De uitspraak is bepaald op heden.


2Het verzoek


Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift 29 concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 328.910,14 van verzoeker te vorderen.

Verzoeker heeft bij brief van 22 april 2014 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 21,78% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.


Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd, door middel van een door de Regionale Sociale Dienst en Kredietbank Alblasserwaard/Vijfheerenlanden ter beschikking gestelde rentedragende Bbz-lening van € 75.000,00 en de opbrengst van de afkoop van een pensioenvoorziening van € 10.000,00. De schuld aan ABN AMRO Bank (hierna: de bank) is buiten de aangeboden regeling gehouden aangezien met de bank een aparte regeling is getroffen.


Verzoeker stelt zich op het standpunt dat dit voorstel het maximaal haalbare is voor zijn schuldeisers. Immers indien de minnelijke regeling niet slaagt, zal hij gebruik moeten maken van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Bij toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal de onderneming van verzoeker gestaakt moeten worden waardoor verzoeker, als ex-ondernemer, zal zijn aangewezen op een bijstandsuitkering. Verzoeker verwacht dan geen afloscapaciteit te hebben, terwijl hij in de wettelijke schuldsaneringsregeling een afloscapaciteit van € 2.113,08 per maand zou moeten hebben om voor zijn schuldeisers een gunstiger resultaat te behalen dan is aangeboden in het minnelijke traject.


Met de aangeboden schuldregeling stemmen 28 schuldeisers in. Alleen [naam vennootschap] stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 115.051,56 op verzoeker, welke 34,98 % van de totale schuldenlast beloopt.


Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat de schuld bij de bank buiten de regeling is gehouden omdat hij een bankier nodig heeft voor de voortzetting van zijn bedrijf. Omdat de bank de rente van het krediet heeft verlaagd, is een bedrag van € 400,00 per maand vrijgekomen, wat aangewend wordt om de schuld aan de bank af te lossen. Verzoeker heeft verklaard dat alleen de grootste schuldeisers mondeling zijn ingelicht over deze regeling met de bank en dat zij hiermee akkoord zijn. De kleinere schuldeisers zijn hiervan niet op de hoogte gebracht. Met betrekking tot de woning heeft verzoeker gesteld dat de hypotheek € 190.000,00 bedraagt en dat de WOZ-waarde € 140.000,00 is. Volgens verzoeker is de WOZ-waarde tegenwoordig de marktwaarde. Daarnaast betreft het een recreatiewoning en zal de gedoogbeschikking voor permanente bewoning bij verkoop vervallen, zodat de woning nog minder waard zal zijn. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij niets heeft afgelost op de hypotheek en dat de daaraan gekoppelde beleggingsverzekering waarschijnlijk niets waard zal zijn omdat het een woekerpolis betreft.


3Het verweer


In de contacten met schuldhulpverlening heeft [naam vennootschap] te kennen gegeven het aangeboden bedrag te laag te vinden. Het aanbod zou niet in verhouding staan met de totale schuldvordering. [naam vennootschap] heeft een tegenaanbod gedaan van 50% tegen finale kwijting.


Ter zitting heeft mr. Meijroos zich namens [naam vennootschap] op het standpunt gesteld dat de aangeboden regeling niet goed is gedocumenteerd en dat deze onvoldoende financieel transparant is. Verzoeker exploiteert naast een garagebedrijf ook een webwinkel. [naam vennootschap] weet niet welke omzetten [naam verzoeker] in de webwinkel draait. [naam vennootschap] is op dit punt niets medegedeeld. Voorts heeft verzoeker een eigen woning waarop, volgens [naam vennootschap], inmiddels het nodige moet zijn afgelost. Verzoeker had de woning eerder in de verkoop staan voor een bedrag van bijna € 250.000,00. Verzoeker heeft geen bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat de woning onder water staat. Voorts heeft verzoeker geen stukken overgelegd waaruit blijkt wat de waarde van de beleggingshypotheek is. Tenslotte is [naam vennootschap] niet geïnformeerd dat de schuld aan de bank buiten het dwangakkoord is gehouden omdat met de bank een aparte regeling is getroffen.


4De beoordeling


Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [naam vennootschap] bij haar weigering vast.


De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [naam vennootschap] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.


De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van [naam vennootschap] een aanzienlijk deel vormt van de totale schuldenlast (te weten 34,98% daarvan). Gelet daarop zal niet snel kunnen worden geoordeeld dat [naam vennootschap] in redelijkheid niet kon weigeren om met de schuldregeling in te stemmen.


Naar het oordeel van de rechtbank is het voorstel niet goed en betrouwbaar gedocumenteerd. Verzoeker heeft met de bank een aparte regeling getroffen. De bank behoudt daardoor kennelijk haar recht om 100% uitbetaling van haar vordering te verlangen. Daarmee wordt de bank bevoordeeld ten opzichte van de overige schuldeisers, die immers door instemming met de schuldregeling het grootste gedeelte van hun vordering prijsgeven. Die bevoordeling van de bank is enkele schuldeisers alleen mondeling kenbaar geworden en [naam vennootschap] en andere schuldeisers onbekend gebleven. Artikel 287a Fw kent geen bijzondere regeling voor bepaalde categorieën schuldeisers, zodat uit dient te worden gegaan van gelijke behandeling van schuldeisers conform artikel 3:277 BW. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt indien de ongelijkheid die daardoor ontstaat voor alle schuldeisers kenbaar is én de andere schuldeisers daar (schriftelijk) mee instemmen. Nu niet is gebleken dat de andere, niet-weigerachtige schuldeisers, instemmen met de afzonderlijke regeling met de bank, kan de onderhavige regeling thans niet dwingend worden opgelegd aan [naam vennootschap]


Daarnaast is onvoldoende aannemelijk geworden dat de minnelijke regeling meer zal opbrengen voor de schuldeisers dan een wettelijke schuldsaneringsregeling, zoals subsidiair verzocht. Ook bij toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is aannemelijk dat de pensioenvoorziening, die in de aangeboden schuldregeling ten gunste van de schuldeisers wordt aangewend, zal worden afgekocht ten gunste van de boedel. Hoewel uitgangspunt in de wettelijke schuldsaneringsregeling is dat verzoeker zijn onderneming zal dienen te beëindigen, is de mogelijkheid tot het voortzetten van de onderneming in de schuldsaneringsregeling niet uitgesloten, in welk geval de opbrengst uit de onderneming ten gunste van de boedel kan komen. In het andere, door verzoeker aangehouden en niet onaannemelijke scenario dat hij zijn onderneming zal dienen te beëindigen, zal in de schuldsaneringsregeling zoveel mogelijk activa te gelde worden gemaakt, waaronder de bedrijfsinventaris en dergelijke. Daarnaast zal verzoeker zich in dat geval in moeten spannen om betaalde arbeid te gaan verrichten. Verzoeker heeft aangevoerd te verwachten in de schuldsaneringsregeling terug te zullen vallen op een uitkering. Echter, verzoeker heeft tot op heden steeds gewerkt, zodat de rechtbank het (mede gelet op verzoekers leeftijd) niet onaannemelijk acht dat hij ook in de schuldsaneringsregeling inkomsten uit arbeid zal kunnen genereren. Voorts is aannemelijk dat in de wettelijke schuldsaneringsregeling de woning zal worden verkocht. Verzoeker heeft ten aanzien van de woning onvoldoende onderbouwd dat de woning geen overwaarde heeft, omdat hij enkel het hypotheekbedrag en de WOZ-waarde heeft overgelegd. Tevens heeft verzoeker niet inzichtelijk gemaakt wat de opbrengst is van de beleggingshypotheek. Verzoeker heeft met al deze omstandigheden in zijn vergelijking met de wettelijke schuldsaneringsregeling ten opzicht van de minnelijke regeling geen rekening gehouden.


Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van [naam vennootschap] als weigerende schuldeiser zwaarder wegen dan die van verzoeker of de overige schuldeisers. Het verzoek om [naam vennootschap] te bevelen in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.


De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.


5De beslissing


De rechtbank:


- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.



Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Geurts-de Veld, rechter, en in aanwezigheid van A. Mergen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2015.

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.