Rechtbank Rotterdam, 02-07-2015 / C/10/474460 / FT EA 15/1016


ECLI:NL:RBROT:2015:4762

Inhoudsindicatie
Verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling afgewezen vanwege de recente ontstaansdata van diverse schulden, overconsumptie en de aanwezigheid van psychische problematiek die nog niet afdoende onder controle is.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-07-02
Publicatiedatum
2015-07-06
Zaaknummer
C/10/474460 / FT EA 15/1016
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team insolventie


afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling


rekestnummer: [rekestnummer]

uitspraakdatum: 2 juli 2015


[naam],

[adres]

[woonplaats],

verzoekster.


1De procedure


Verzoekster heeft op 20 april 2015 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoekster is gehoord ter terechtzitting van 25 juni 2015.


2De feiten

Verzoekster ontvangt inkomsten uit arbeid. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 11.125,78.


3De beoordeling


Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is.


De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke. Bij de beoordeling wordt acht geslagen op de landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling zoals opgenomen in Bijlage IV van het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken.


Verzoekster heeft schulden gemaakt die duiden op overbesteding. Daaronder verstaat de rechtbank schulden waarvan het aangaan niet strikt noodzakelijk was en waarvan verzoekster op het moment van aangaan wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zij niet in staat zou zijn om deze te financieren. Het betreft hier een schuld aan H&M van € 115,71 ontstaan op 26-09-2014, een schuld aan Christine le Duc van € 158,57 ontstaan op 03-11-2014 en een schuld aan International Card Services van € 2.757,72 ontstaan op 24-02-2012. Ook heeft verzoekster in 2014 een vakantie op haar naam geboekt voor zichzelf en enkele familieleden ter waarde van € 4.850,00 terwijl zij wist of had moeten weten dat zij dit bedrag niet kon voldoen. Deze schulden zijn niet te goeder trouw ontstaan en staan aan toelating in de weg.


Voorts heeft de rechtbank op basis van de door verzoekster overgelegde schuldenlijst geconstateerd dat zeven van de tien schulden zijn ontstaan in 2014. Dit zijn alle zeer recente schulden die erop duiden dat verzoekster haar bestedingspatroon nog niet onder controle heeft. Geen nieuwe schulden maken behoort tot de kernverplichtingen van de schuldsaneringsregeling. Gelet op het voorgaande bestaat bij de rechtbank de gegronde vrees dat verzoekster deze verplichting nog niet naar behoren zal kunnen nakomen.


Gedurende de schuldsaneringsregeling rusten op een schuldenaar voortdurend zware verplichtingen en van hem worden in deze periode forse inspanningen gevergd. Met deze verplichtingen en beperkingen verdraagt zich niet dat een schuldenaar psychosociale problemen heeft, of deze zeer onlangs heeft overwonnen terwijl een reële kans bestaat op een terugval. In de landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling is hierover het volgende bepaald:


“Toelating tot de schuldsaneringsregeling ingeval van psychosociale problematiek

Een verzoeker met psychosociale problemen wordt in beginsel alleen toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, indien aannemelijk is dat deze problemen al enige tijd beheersbaar zijn, in die zin dat de verzoeker zich in maatschappelijk opzicht staande weten te houden en voldoende hulp of een voldoende sociaal vangnet aanwezig is. Dat de psychosociale problemen beheersbaar zijn, dient te worden bevestigd door een hulpverlener of door een hulpverlenende instantie.”


Verzoekster heeft ter terechtzitting verklaard dat zij nog altijd depressief is en heeft te kampen met psychosociale problematiek. Mede vanwege haar psychische problematiek is zij nu nog niet op zoek naar betaald werk. Gezien het voorgaande is de rechtbank er niet van overtuigd dat de persoonlijke situatie van verzoekster voldoende stabiel is om de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren te kunnen nakomen, zeker gezien het feit dat verzoekster niet of nauwelijks psychologische hulp ontvangt.


Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden.


Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.


Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.











4De beslissing


De rechtbank:


- wijst het verzoek af.


Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van Spengen, en in aanwezigheid van R. Kroon, griffier in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2015.




1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.