Rechtbank Rotterdam, 08-06-2015 / 4076661 VV EXPL 15-229


ECLI:NL:RBROT:2015:4810

Inhoudsindicatie
Verhuurder niet ontvankelijk in vordering ontbinding huurovereenkomst. Goederen huurder onder bewind gesteld voorafgaand aan uitbrengen dagvaarding. Raadpleging ccbr door derden.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-06-08
Publicatiedatum
2015-07-07
Zaaknummer
4076661 VV EXPL 15-229
Procedure
Kort geding
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
Uitspraak RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 4076661 VV EXPL 15-229


uitspraak: 8 juni 2015


vonnis in kort geding ex artikel 254 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,


in de zaak van


de stichting

Stichting Maasdelta Groep (MDG),

gevestigd te Spijkenisse,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 11 mei 2015,

gemachtigde: mr. R.W.F. Heijmeriks, advocaat te Spijkenisse,


tegen


[gedaagde] ,

wonende te Hellevoetsluis,

gedaagde,

gemachtigde: mr. J. Oversluizen te Rotterdam.


Partijen worden hierna ‘MDG’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.


1Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • - het exploot van dagvaarding van 11 mei 2015, met producties;
  • - de bij brief van 18 mei 2015 namens MDG overgelegde fotoreportage.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 juni 2015. Namens MDG is verschenen mevrouw [K.] (bedrijfsjurist), bijgestaan door de gemachtigde, en namens [gedaagde] is verschenen haar gemachtigde en mevrouw [B.] (gezinsvoogd).


1.3.

De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.


2De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.


2.1.

[gedaagde] huurt van MDG de woning staande en gelegen aan de [adres en woonplaats] (hierna: de woning).


2.2.

In de tussen partijen gesloten huurovereenkomst betreffende de woning is in artikel 6.2 – kort gezegd – een algeheel verbod op onder meer het inrichten van de woning als hennepplantage van welke omvang ook opgenomen.


2.3.

Op voornoemde huurovereenkomst zijn de algemene huurvoorwaarden voor zelfstandige woonruimte van 1 juli 2006 van toepassing (hierna: de algemene huurvoorwaarden).

In artikel 7 lid 11 van de algemene huurvoorwaarden is – kort gezegd – opgenomen dat het huurder niet is toegestaan in de woning hennep te kweken, van welke omvang dan ook.


2.4.

Bij verstekvonnis van 7 november 2014 van de kantonrechter te Rotterdam is [gedaagde] veroordeeld tot betaling van de huurachterstand tot en met oktober 2014, rente en kosten en is de tussen partijen bestaande huurovereenkomst ontbonden, waarbij [gedaagde] ook is veroordeeld tot ontruiming van de woning.


2.5.

Op 9 januari 2015 heeft [gedaagde] een verzoek ex artikel 287b lid 1 van de Faillissementswet bij de rechtbank Rotterdam ingediend waarbij bij voorlopige voorziening is verzocht om MDG gedurende een termijn van zes maanden te verbieden het in 2.4 genoemde verstekvonnis tot ontruiming van de woning ten uitvoer te leggen.

Bij vonnis van 9 januari 2015 heeft de rechtbank Rotterdam, team insolventie, voornoemd verzoek toegewezen.


2.6.

Op 5 februari 2015 is tijdens een politie-inval op de zolder van de woning een hennepkwekerij aangetroffen.


2.7.

Bij brief van 5 februari 2015 heeft MDG [gedaagde], naar aanleiding van de in de woning aangetroffen hennepkwekerij, onder meer gesommeerd om de huur per direct op te zeggen.


2.8.

Op 9 februari 2015 heeft [gedaagde] een formulier huuropzegging ondertekend.

Op dat formulier is als gewenste einddatum van het huurcontract 8 mei 2015 ingevuld.


2.9.

In het centrale curatele- en bewindregister is geregistreerd dat bij beschikking van

20 april 2015 van de kantonrechter te Rotterdam vanaf 29 april 2015 een bewind is ingesteld over de (toekomstige) goederen van [gedaagde] wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden met benoeming van Bewind Nederland B.V. te Utrecht tot bewindvoerder.


2.10.

Bij dagvaarding van 30 april 2015 heeft MDG bij de kantonrechter te Rotterdam een bodemprocedure tegen [gedaagde] aanhangig gemaakt.


3Het geschil

3.1.

MDG heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om de woning staande en gelegen aan de [adres en woonplaats] binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis te ontruimen en ontruimd te houden, met al het hare en de haren, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag die [gedaagde] na betekening van het in deze te wijzen vonnis nalatig blijft om aan de inhoud van het vonnis te voldoen, althans een zodanige voorlopige voorziening als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vernemen te behoren, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.


3.2.

Aan de vordering heeft MDG naast de onder 2 genoemde vaststaande feiten – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – de volgende stellingen ten grondslag gelegd.

De exploitatie van een hennepkwekerij in de woning levert een toerekenbare tekortkoming van [gedaagde] op in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiend uit de huurovereenkomst en de daarop van toepassing zijnde algemene huurvoorwaarden.

Aangezien de huurovereenkomst, gelet op het in 2.5 genoemde vonnis, geacht wordt thans nog te bestaan, heeft MDG recht en spoedeisend belang bij haar vordering tot ontruiming.


3.3.

Namens [gedaagde] is tegen de vordering van MDG – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – primair aangevoerd dat MDG niet ontvankelijk is in haar vordering omdat er ten aanzien van (de goederen van) [gedaagde] een onderbewindstelling is uitgesproken en MDG, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2014, de bewindvoerder had moeten dagvaarden in plaats van [gedaagde].

Subsidiair is namens [gedaagde] aangevoerd dat zij zich in een noodsituatie bevindt, dat haar vier minderjarige kinderen in april 2015 onder toezicht zijn gesteld, dat er een gezinsvoogd is aangesteld, dat zij een begeleidingstraject volgt van een Boumankliniek en dat de toekomst voor haar en haar kinderen onzeker is indien de ontruiming van de woning wordt toegewezen.


3.4.

De overige stellingen van partijen worden als hier herhaald en ingelast beschouwd en voor zover nodig worden die stellingen in het kader van de beoordeling van de vordering besproken.


4De beoordeling van de vordering

4.1.

Voldoende is gebleken dat MDG een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevorderde voorziening, zodat MDG in zoverre in haar vordering kan worden ontvangen.


4.2.

Primair is namens [gedaagde] een beroep gedaan op de niet ontvankelijkheid van MDG in verband met het bewind dat vanaf 29 april 2015 ten aanzien van haar (toekomstige) goederen is ingesteld. Dat beroep slaagt en daartoe wordt als volgt overwogen.


4.3.

Ingevolge artikel 1:438 leden 1 en 2 BW komen het beheer en de beschikking over de onder bewind gestelde goederen tijdens het bewind niet toe aan de onderbewindgestelde, maar aan de bewindvoerder. De bewindvoerder vertegenwoordigt de onderbewindgestelde tijdens het bewind bij de vervulling van zijn taak in en buiten rechte en heeft derhalve te gelden als formele procespartij, ex artikel 1:441 lid 1 jo. artikel 1:443 BW.


4.4.

Op 7 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:525) heeft de Hoge Raad een arrest gewezen waarin hij antwoord heeft gegeven op een drietal prejudiciële vragen, waaronder de vraag of een vordering van een verhuurder tot ontbinding van een door de onderbewindgestelde (voor de instelling van het bewind) gesloten huurovereenkomst en tot ontruiming van het gehuurde te worden ingesteld tegen de onderbewindgestelde zelf of tegen de beschermingsbewindvoerder.

Het antwoord van de Hoge Raad op voornoemde vraag luidt – kort gezegd – dat een vordering van een verhuurder tot ontbinding van een door de onderbewindgestelde voor de instelling van het bewind gesloten huurovereenkomst, en tot ontruiming van het gehuurde, dient te worden ingesteld tegen de bewindvoerder. Daarbij overweegt de Hoge Raad dat het bewind weliswaar niet meebrengt dat de bewindvoerder partij wordt bij de huurovereenkomst, maar dat de daaruit voortvloeiende rechten van de onderbewindgestelde zijn aan te merken als goederen in de zin van art. 1:431 lid 1 BW. De bewindvoerder treedt daarom ten behoeve van de onderbewindgestelde op als formele procespartij in een procedure betreffende een door de verhuurder gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.

4.5.

Voor de onderhavige procedure betekent het vorenstaande dat MDG de bewindvoerder van [gedaagde], thans nog Bewind Nederland B.V. te Utrecht, had moeten dagvaarden en niet [gedaagde] in persoon. Dat MDG, zoals is aangevoerd, niet op de hoogte was of had kunnen zijn van het bewind kan haar niet baten. Immers, met de inwerkingtreding van de Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap (Stb. 2013/414) per

1 januari 2014 bestaat er een publicatieplicht voor alle bewinden die zijn ingesteld op grond van verkwisting of het hebben van problematische schulden (artikel 1:391 BW). Daartoe kan per 1 januari 2014 door derden het (openbare) centrale curatele- en bewindregister via de website van rechtspraak.nl worden geraadpleegd. Door raadpleging van dit register had MDG dan wel haar gemachtigde dan wel de gerechtsdeurwaarder derhalve, voorafgaand aan het uitbrengen van de dagvaarding in kort geding, op de hoogte kunnen en behoren te zijn van de onderbewindstelling van [gedaagde].


4.6.

Een en ander leidt tot de conclusie dat MDG niet ontvankelijk is in haar vordering jegens [gedaagde]. MDG zal daarom in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.


5De beslissing

De kantonrechter,


rechtdoende in kort geding:


verklaart MDG in haar vordering niet ontvankelijk;


veroordeelt MDG in de proceskosten tot op heden aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 200,-- aan salaris voor haar gemachtigde;


verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.


Dit vonnis is gewezen door mr. V.F. Milders en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

879