Rechtbank Rotterdam, 22-05-2015 / C/10/15/374 F


ECLI:NL:RBROT:2015:4833

Inhoudsindicatie
Faillissement (oud) advocaat. Vorderingen van voormalige cliënten. Rechtbank gaat voorbij aan beroep op verrekening.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-05-22
Publicatiedatum
2015-07-09
Zaaknummer
C/10/15/374 F
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Insolventie


Insolventienummer: [nummer]

Uitspraak: 22 mei 2015


VONNIS op het op 30 maart 2015 ingekomen verzoekschrift, met bijlage(n), van:


[naam verzoeker],

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

verzoeker,

advocaat mr. M. de Boorder,


strekkende tot faillietverklaring van:


[naam verweerder],

wonende te [adres],

[woonplaats],

verweerder.



1De procedure


Verzoeker, vertegenwoordigd door zijn advocaat mr. M. de Boorder, alsmede in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door zijn advocaat mr. R.M.L. Theelen, zijn gehoord in raadkamer op 12 mei 2015.


De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting kennisgenomen van de volgende stukken:

  • - een brief van mr M. de Boorder van 30 april 2015 met het exploot van betekening van het verzoekschrift aan verweerder;
  • - een ongedateerd verweerschrift van verweerder(ontvangen op 8 mei 2015);
  • - een faxbericht van verweerder van 11 mei 2015 met aanvullende producties;
  • - een e-mail van mr. M. de Boorder van 11 mei 2015 om 15:11 uur met aanvullende producties;
  • - een e-mail van mr. M. de Boorder van 11 mei 2015 om 15:54 uur terzake het (deels) versleutelde bestand van het verweerschrift van verweerder.

De uitspraak is bepaald op heden.



2Standpunten


Voor zover van belang is door partijen nog het volgende aangevoerd.


Verzoeker heeft – kort gezegd – gesteld dat hij vanaf 2008 diverse geldbedragen van verweerder te vorderen heeft. Uit het vonnis van de rechtbank Den Haag van 16 juli 2014 volgt dat een bedrag van € 27.000,- te vermeerderen met rente en kosten, direct opeisbaar is. Verder heeft verzoeker opeisbaar te vorderen € 2.500,- met betrekking tot een betaald voorschot voor een declaratie waarvoor geen werkzaamheden zijn verricht. Voorts is verweerder € 9.000,- verschuldigd aan verzoeker. Verweerder laat ook andere schuldeisers onbetaald, te weten:

  • - Global Cable West B.V. (hierna GCW), die € 13.960,- ter zake derdengelden opeisbaar te vorderen heeft;
  • - Euro Maksim Plaza B.V. (hierna: EMP), die op basis van een vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 november 2014 thans nog € 15.000,- te vorderen heeft;
  • - De heer [naam] (hierna: [naam]), die € 15.000,- te vorderen heeft.

Verweerder heeft – kort gezegd – gesteld dat het door verzoeker opgevoerde vonnis van 16 juli 2014 slechts een tussenvonnis betreft dat geen dictum bevat waaruit de verschuldigdheid van verweerder ter zake de € 27.000,- aan verzoeker voortvloeit. Daarnaast heeft verweerder gesteld dat de rechtbank weliswaar heeft overwogen dat hij zijn honorarium niet had mogen verrekenen met derdengelden, maar dat dit niet inhoudt dat verzoeker de nota’s van verweerder niet -alsnog- hoeft te voldoen. Op basis van een vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 april 2013 is verzoeker aan verweerder nog geld verschuldigd, te weten: twee bedragen aan proceskosten van € 7.822,- en € 7.858,- te vermeerderen met rente en kosten.

Ook ten aanzien van de genoemde € 9.000,- (twee maal € 4.500,-) is in het vonnis van 16 juli 2014 nog geen (eind)vonnis gewezen. Ten aanzien van de vordering van € 2.500,- vloeit uit de vonnissen van de rechtbank Den Haag van 17 april 2013 en 16 juli 2014 voort dat verzoeker niet ontvankelijk is verklaard. Verzoeker heeft ten aanzien van deze vordering thans geen opeisbare vordering.

Wat betreft de vordering van GCW heeft verweerder gesteld dat uit het tussenarrest van het gerechtshof Den Haag van 3 maart 2015 blijkt dat de vordering van GCW nog slechts € 7.810,54 bedraagt. Verder blijkt uit het hetzelfde arrest dat GCW € 4.464,21 aan verweerder dient te voldoen, dat GCW nog meer aan verweerder is verschuldigd op basis van declaraties van verweerder. Die declaraties zijn ingevolge het tussenarrest ter begroting aan een deskundige voorgelegd. GCW zal uiteindelijk aan verweerder moeten betalen in plaats van andersom. Met betrekking tot de vordering van EMP heeft verweerder gesteld dat de gestelde verschuldigde € 15.000,- reeds is betaald. Verweerder heeft het bedrag op 29 september 2006 overgemaakt op het rekeningnummer 98.10.96.298 dat op naam stond van de minderjarige dochter ([naam]) van de bestuurder van EMP, de heer [naam]. De heer [naam] heeft de betreffende overschrijfkaart meegetekend en op de overschrijving is “[naam]” als begunstigde ingevuld.

Verweerder heeft ten aanzien van de vordering van [naam] gesteld dat deze vordering bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 23 juli 2014 is afgewezen. [naam] is hiervan in hoger beroep gegaan en heeft zijn vordering gewijzigd. De vordering is nog niet vastgesteld in hoger beroep en is derhalve niet summierlijk gebleken.



3De beoordeling


Ingevolge artikel 6 van de Faillissementswet wordt de faillietverklaring uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden blijkt in het algemeen indien sprake is van pluraliteit van schuldeisers terwijl tenminste één vordering opeisbaar is.


De rechtbank zal de gestelde (steun)vorderingen afzonderlijk bespreken en overweegt als volgt.


a. Vordering verzoeker

Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder destijds declaraties heeft verrekend met (in ieder geval) een bedrag van € 27.000,- dat op de derdengeldrekening van zijn kantoor ten gunste van verzoeker was ontvangen. Uit het vonnis van de rechtbank Den Haag van 16 juli 2014 volgt dat de vordering van verzoeker tot betaling van een bedrag van € 27.000,- toewijsbaar is. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder de verschuldigdheid en de opeisbaarheid van dit gedeelte van de vordering van verzoeker onvoldoende heeft betwist. Het verweer van verweerder dat hij op grond van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 april 2013 zelf nog een vordering heeft op verzoeker ter zake een proceskostenveroordeling van in totaal € 15.680,-, en het kennelijke beroep op verrekening dat hij daarbij doet, treft geen doel. Daargelaten de vraag of verweerder zich op verrekening kan beroepen, nu het bedrag van € 27.000,- door verweerder op een derdengeldrekening is ontvangen, is verweerder per saldo geld verschuldigd aan verzoeker.


Vordering GCW van € 13.960,-

Het is voldoende gemotiveerd aannemelijk gemaakt dat GCW een bedrag van in ieder geval € 7.810,54 opeisbaar te vorderen heeft van verweerder. Immers, het Hof heeft in het arrest van 3 maart 2015 overwogen dat GCW dat bedrag onverschuldigd aan verweerder heeft betaald. Verweerder heeft ook niet betwist dit bedrag verschuldigd te zijn aan GCW. Het verweer van verweerder dat hij zelf een vordering heeft op GCW treft ook hier geen doel. Voor zover verweerder een beroep doet op verrekening gaat de rechtbank daaraan voorbij, nu ook het Hof in genoemd arrest daaraan voorbij is gegaan.


Vordering van EMP van € 15.000,-

Uit de verklaring van verweerder en de door hem overgelegde stukken, waaronder een overschrijfkaart (Euro-overschrijving) van Abn Amro, blijkt dat verweerder vanaf een derdengeldrekening op 29 september 2006 een bedrag van € 15.000,- heeft overgemaakt op het rekeningnummer 98.10.96.298. Dit rekeningnummer stond op naam van [naam], die de minderjarige dochter blijkt te zijn van de bestuurder van EMP, de heer [naam]. Op de betreffende overschrijfkaart heeft verweerder als begunstigde [naam] voornoemd, ingevuld en als kenmerk: “Afrekening” vermeld. Partijen verschillen van mening over de vraag of [naam] (ook) zijn handtekening heeft gezet op de genoemde overschrijfkaart. Wat hier ook van zij, de rechtbank is van oordeel dat de verschuldigdheid van de vordering van EMP door verweerder onvoldoende is betwist, nu niet kan worden vastgesteld dat deze betaling kan worden gezien als een betaling aan EMP. Daarmee is de vordering van EMP voldoende gemotiveerd aannemelijk gemaakt.


Vordering van [naam] van € 15.000,-

De vordering van [naam] is bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 23 juli 2014 afgewezen. [naam] is hiervan kennelijk in hoger beroep gegaan en er is nog geen beslissing gegeven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat dit een thans opeisbare vordering betreft.


De rechtbank is op grond van de voorgaande overwegingen van oordeel dat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van verzoeker. Verder is de rechtbank afdoende gebleken dat er meerdere onbetaalde schuldeisers zijn. Dit leidt tot het oordeel dat verweerder verkeert in een toestand van opgehouden zijn te betalen. Een en ander leidt er toe dat de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring zal toewijzen.


De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening 1346/2000 van de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerder in Nederland ligt.





3De beslissing


De rechtbank,


- verklaart [naam verweerder] voornoemd in staat van faillissement;


- benoemt tot rechter-commissaris mr. J.C.A.T. Frima, lid van deze rechtbank;


- stelt aan tot curator mr. R.J.R.M. de Bok, advocaat te Rotterdam;


- geeft last aan de curator tot het openen van brieven en telegrammen aan de gefailleerde gericht.


Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Geurts-de Veld, rechter, en in aanwezigheid van

N. van Gaans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2015 te 10:00 uur.




De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.