Rechtbank Rotterdam, 24-06-2015 / C/10/435775 / HA ZA 13-1075


ECLI:NL:RBROT:2015:5032

Inhoudsindicatie
Hoofdzaak en vrijwaringszaak. In de hoofdzaak vordert zeevervoerder Maersk nakoming door gedaagde van haar verbintenis tot betaling van verschuldigde vracht op grond van een door Maersk met Urud’or, uit Uruguay, gesloten vervoerovereenkomst, waartoe gedaagde is toegetreden door de ontvangst van de vervoerde lading tegen overhandiging van het cognossement. Eveneens staat vast dat door deze toetreding tot de vervoerovereenkomst gedaagde steeds gehouden was tot betaling van vracht ter zake van dit vervoer aan Maersk, voor zover uit het desbetreffende cognossement bleek dat als betaalwijze van de vracht ‘freight collect’ gold. De vordering van gedaagde in de vrijwaringszaak wordt gebaseerd op de handelskoopovereenkomst tussen koper gedaagde en verkoper Urud’or. Met haar aanvankelijke vordering in de vrijwaringszaak beoogt gedaagde de volgens haar teveel aan Maersk betaalde vracht terug te krijgen van Urud’or. Van de koopovereenkomst tussen gedaagde en Urud’or maakt deel uit het beding ‘C&F - Cost & Freight - Rotterdam’. Vast is echter komen te staan dat de door gedaagde aan Maersk betaalde vracht in mindering is gebracht op de verkoopfacturen van Urud’or aan gedaagde. Urud’or bracht namelijk bij gedaagde steeds slechts een ‘FOB Montevideo’-prijs in rekening in plaats van de in de koopovereenkomst genoemde ‘C&F Rotterdam’-prijs. De vordering van gedaagde faalt derhalve. De eisvermeerdering van gedaagde in de vrijwaringszaak wordt in strijd met de goede procesorde geoordeeld. Aan de eisvermeerdering ligt geen rechtsverhouding ten grondslag op grond waarvan gedaagde in vrijwaring, Urud’or, als waarborg gehouden zou zijn tot betaling aan gedaagde als gewaarborgde. Voorts was deze nieuwe vordering niet uit de dagvaarding kenbaar, zodat Urud’or hierop niet voldoende heeft kunnen anticiperen.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-06-24
Publicatiedatum
2015-07-14
Zaaknummer
C/10/435775 / HA ZA 13-1075
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel



Vonnis van 24 juni 2015


in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/10/435775 / HA ZA 13-1075 van


1. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

A.P. MOLLER - MAERSK A/S,

gevestigd te Kopenhagen, Denemarken,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MAERSK LINE NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. M. van Tuijl,


tegen


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te Heerhugowaard,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. A. Glijnis,


en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/10/457207 / HA ZA 14-842 van


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te Heerhugowaard,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. A. Glijnis,


tegen


de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

URUD'OR S.A.,

gevestigd te Montevideo, Uruguay,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. W.E. Boonk.



De eiseressen in conventie in de hoofdzaak zullen hierna gezamenlijk Maersk c.s. genoemd worden en afzonderlijk Møller-Maersk respectievelijk Maersk Line Netherlands, de gedaagde in de hoofdzaak/eiseres in de vrijwaringszaak [gedaagde] en de gedaagde in de vrijwaringszaak Urud'or.



1De procedure in de hoofdzaak (13-1075)

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - het tussenvonnis van 3 december 2014, waarbij een comparitie van partijen is gelast, alsmede de daaraan ten grondslag liggende processtukken;
  • - de conclusie van antwoord in reconventie, met producties;
  • - de brief van de advocaat van [gedaagde] van 19 januari 2015, met als bijlage productie 7 en ‘Aantekeningen ten behoeve van de comparitie d.d. 29 januari 2015’;
  • - het proces-verbaal van comparitie van 29 januari 2015;
  • - de brief van de advocaat van [gedaagde] van 18 februari 2015 betreffende het proces-verbaal.1.2. Deze zaak is op de rol gevoegd met zaak 14-842 (de vrijwaringszaak).

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De procedure in de vrijwaringszaak (14-842)

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - het tussenvonnis van 3 december 2014, waarbij een comparitie van partijen is gelast, alsmede de daaraan ten grondslag liggende processtukken;
  • - de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte wijziging van eis, met producties;
  • - de brief van de advocaat van Urud’or van 22 januari 2015, met producties 8-10;
  • - de brief van de advocaat van Urud’or van 26 januari 2015, met productie 11;
  • - het proces-verbaal van comparitie van 29 januari 2015;
  • - het faxbericht van de advocaat van Urud’or van 16 februari 2015 naar aanleiding van het proces-verbaal;
  • - de brief van de advocaat van [gedaagde] van 18 februari 2015 naar aanleiding van het proces-verbaal.2.2. Zaak 13-1075 (de hoofdzaak) is op de rol gevoegd met deze zaak.

2.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.


3De vaststaande feiten in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak

3.1.

[gedaagde] is een onderneming die handelt in citrusvruchten.


3.2.

Møller-Maersk en Maersk Line Netherlands vervoeren goederen over zee onder cognossement.


3.3.

Urud’or exporteert citrusvruchten vanuit Uruguay.


3.4.

[gedaagde] heeft in 2011 van Urud'or grote hoeveelheden fruit gekocht op basis van het leveringsbeding C&F (Cost & Freight) Rotterdam.


3.5.

Urud'or heeft vervolgens bij Maersk Uruguay S.A. (hierna: Maersk Uruguay), de lokale agent van Møller-Maersk, het zeevervoer van deze containerladingen fruit geboekt.


4Het geschil

in de hoofdzaak (13-1075)


in conventie

4.1.

Maersk c.s. vorderen, na vermindering van hun eis ter comparitie met€ 79.187,27 (€ 62.065,41 + € 17.121,86), dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:primair:[gedaagde] veroordeelt tot betaling aan Maersk c.s. van het bedrag van € 363.226,30 aan openstaande facturen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente hierover vanaf de vervaldatum van de facturen tot de dag van de algehele voldoening en van de buitengerechtelijke kosten van € 66.362,04,

subsidiair:

[gedaagde] veroordeelt tot betaling aan Maersk c.s. van het bedrag van € 363.226,30 aan openstaande facturen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente hierover vanaf de vervaldatum van de facturen tot de dag van de algehele voldoening en van de buitengerechtelijke kosten aan de hand van het Rapport Voorwerk II van € 5.355,000,

primair en subsidiair:

[gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf zeven dagen na het in dezen te wijzen vonnis.


4.2.

Maersk c.s. leggen hieraan de volgende stellingen ten grondslag - samengevat en weergegeven voor zover (nog) relevant:- Urud'or en [gedaagde] maakten ten aanzien van de betaling van de vracht afspraken die afweken van het C&F-beding; die afspraken hielden namelijk in dat de partijen fruit door Urud'or aan Maersk c.s. werden meegegeven op freight collect-basis en dat Maersk c.s. de vracht (en bijkomende kosten als vermeld op de hierna genoemde facturen) aldus met [gedaagde] zouden afrekenen;

  • - de op dit zeevervoer betrekking hebbende cognossementen zijn ondertekend door Maersk Uruguay als onmiddellijk vertegenwoordiger van de vervoerder, Møller-Maersk, die handelt onder de naam ‘Maersk Line’; Møller-Maersk moet derhalve worden aangemerkt als vervoerder onder cognossement;
  • - in de cognossementen was bepaald dat de ladingen fruit op freight collect-basis werden vervoerd; Møller-Maersk zond dan ook steeds haar vrachtfacturen aan [gedaagde];
  • - door middel van de aanbieding van de originele cognossementen aan Møller-Maersk, op welke cognossementen [gedaagde] als ontvanger van de containers fruit vermeld stond, verzocht [gedaagde] vervolgens steeds om aflevering van deze containers fruit en trad zij toe tot de desbetreffende vervoerovereenkomst;
  • - op een gegeven moment is [gedaagde] gestopt met betaling aan Maersk c.s. van de vrachtfacturen; het totaalbedrag van de door [gedaagde] onbetaald gelaten vrachtfacturen is€ 363.226,30; het gaat om de door Maersk c.s. als productie 3 bij dagvaarding overgelegde vrachtfacturen;- als vervoerder-onder-cognossement is Møller-Maersk vorderingsgerechtigd ter zake van deze vrachtfacturen;
  • - omdat was overeengekomen dat de ladingen fruit op freight collect-basis werden vervoerd en deze ladingen aan [gedaagde] vervolgens zijn afgeleverd, hebben Maersk c.s. derhalve recht op betaling door [gedaagde] van deze onbetaald gelaten vrachtfacturen;

- aangezien de betalingstermijnen van de desbetreffende vrachtfacturen inmiddels zijn verstreken, verkeert [gedaagde] in verzuim; [gedaagde] is bovendien herhaaldelijk tot betaling aangemaand;

  • - Maersk c.s maken tevens aanspraak op buitengerechtelijke kosten;
  • - op grond van Clause 26 van de cognossementsvoorwaarden is Engels recht van toepassing en is de English High Court exclusief bevoegd om geschillen te beslechten; partijen zijn echter overeengekomen dat de rechtbank Rotterdam bevoegd zal zijn om van de vorderingen van Maersk c.s kennis te nemen; de overige cognossementsvoorwaarden blijven onverkort van toepassing; bovendien is de rechtbank Rotterdam op grond van de voorwaarden uit de facturen als enige rechtbank bevoegd om kennis te nemen van geschillen omtrent de betaling van facturen.

4.3.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Maersk c.s., met veroordeling van Maersk c.s. in de proceskosten bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.


4.4.

Hiertoe voert [gedaagde] de volgende argumenten aan - samengevat en weergegeven voor zover (nog) relevant:- [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat zij geen enkel bedrag aan Maersk c.s. verschuldigd is, althans dat zij de facturen van Maersk c.s. niet voor een bedrag van € 363.226,30 onbetaald heeft gelaten;

- [gedaagde] heeft moeten constateren dat de tarieven die (achteraf) bij haar in rekening werden

gebracht niet de daadwerkelijke tarieven betreffen; Urud'or en Maersk c.s. hebben namelijk onderling afspraken gemaakt waardoor de prijs kunstmatig werd verhoogd en waarmee zij [gedaagde] bewust benadeelden; - het verweer van [gedaagde] heeft primair als uitgangspunt dat de daadwerkelijke vervoerskosten-per-container van Maersk c.s. slechts USD 3.100,00 bedragen; in totaal zijn 389 containers verscheept door Maersk c.s., waarvan 76 tegen een vervoerprijs vanUSD 4.600,00 en 313 tegen een vervoerprijs van USD 4.200,00; [gedaagde] heeft derhalve in totaal USD 458.300,00 teveel betaald, welk dollarbedrag neerkomt op € 339.142,00, derhalve de door [gedaagde] geleden schadepost, waarvoor Maersk c.s. aansprakelijk zijn; [gedaagde] maakt aanspraak op verrekening van haar eventuele schuld aan Maersk c.s. met haar vordering ter hoogte van dit schadebedrag;

  • - het verweer van [gedaagde] heeft subsidiair als uitgangspunt dat de daadwerkelijke vervoerskosten-per-container van Maersk c.s. slechts USD 3.700,00 bedragen; dat zou dus uitkomen op een door [gedaagde] geleden schadepost van USD 224.900,00, welk dollarbedrag neerkomt op € 166.426,00, voor welke schadepost Maersk c.s. aansprakelijk zijn; [gedaagde] maakt aanspraak op verrekening van haar eventuele schuld aan Maersk c.s. met haar vordering ter hoogte van dit schadebedrag;
  • - het verweer van [gedaagde] heeft meer subsidiair als uitgangspunt dat de daadwerkelijke vervoerskosten-per-container van Maersk c.s. USD 500,00 minder hadden moeten bedragen dan de in rekening gebrachte bedragen; dat zou dus uitkomen op een door [gedaagde] geleden schadepost van USD 194.500,00, welk dollarbedrag neerkomt op € 143.930,00, voor welke schadepost Maersk c.s. aansprakelijk zijn; [gedaagde] maakt aanspraak op verrekening van haar eventuele schuld aan Maersk c.s. met haar vordering ter hoogte van dit schadebedrag;
  • - het verweer van [gedaagde] heeft uiterst subsidiair als uitgangspunt dat Maersk c.s. gehouden zijn [gedaagde] in ieder geval een korting-per-container te verlenen van USD 500,00, gelet op hetgeen in de vervoerovereenkomst is bepaald, waartoe [gedaagde] is toegetreden; dit betekent dat Maersk c.s. [gedaagde] een totaalbedrag van USD 194.500,00 verschuldigd zijn, welk dollarbedrag neerkomt op € 143.930,00; [gedaagde] maakt aanspraak op verrekening van haar eventuele schuld aan Maersk c.s. met haar vordering ter zake van dit door Maersk c.s. aan haar contractueel verschuldigde bedrag;
  • - zoals Maersk c.s. ook erkennen, heeft [gedaagde] ten minste een bedrag van € 1.027.107,10 voldaan aan Maersk c.s., dat [gedaagde] derhalve niet (meer) verschuldigd is;
  • - op het gevorderde factuurbedrag strekt (ook) in mindering een door [gedaagde] op 9 november 2011 verrichte betaling van € 2.500,00, welk bedrag [gedaagde] derhalve niet (meer) verschuldigd is;
  • - bovendien is met Maersk c.s. overeengekomen dat zij een bedrag van € 4.787,00 zouden crediteren wegens ladingschade waarvoor zij aansprakelijk zijn ter zake van de volgende containers: 1 container Maersk Bintan MWCU6938253 en 1 container Safmarine Bayete MWMU6342006, die vervolgens is overgeladen in container MWCU6792071; het gaat hier om ladingschade vanwege het gebruiken van koelgas met een verkeerde samenstelling;
  • - daarnaast kan Maersk c.s. geen aanspraak maken op de gevorderde (wettelijke handels)rente en buitengerechtelijke incassokosten.

in reconventie


4.5.

[gedaagde] vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:primair:

Maersk c.s. veroordeelt tot betaling aan [gedaagde] tegen kwijting van een bedrag van€ 45.268,11, althans een in goede justitie door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van indiening van deze conclusie van eis in reconventie tot de dag van de algehele voldoening,

subsidiair:

A) Maersk c.s. veroordeelt tot betaling aan [gedaagde] tegen kwijting van een bedrag van€ 339.142,-- aan schadevergoeding, althans een in goede justitie door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van indiening van de conclusie van eis in reconventie tot de dag van de algehele voldoening;

B) Maersk c.s. veroordeelt tot betaling aan [gedaagde] tegen kwijting van een bedrag van€ 143.930,00 uit hoofde van nakoming van overeenkomst, althans een in goede justitie door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van indiening van de conclusie van eis in reconventie tot de dag van de algehele voldoening;

C) Maersk c.s. veroordeelt tot betaling aan [gedaagde] tegen kwijting van een bedrag van€ 2.500,00 uit hoofde van onverschuldigde betaling althans ongerechtvaardigde verrijking, althans een in goede justitie door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 november 2011, althans de dag vanaf de dag van indiening van de conclusie van eis in reconventie, tot de dag van de algehele voldoening;

D) Maersk c.s. veroordeelt tot betaling aan [gedaagde] tegen kwijting van een bedrag van€ 17.121,86 uit hoofde van nakoming van overeenkomst, althans onverschuldigde betaling, althans ongerechtvaardigde verrijking, althans een in goede justitie door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 juli 2012, althans vanaf de dag van indiening van de conclusie van eis in reconventie, tot de dag van de algehele voldoening;

E) Maersk c.s. veroordeelt tot betaling aan [gedaagde] tegen kwijting van een bedrag van€ 62.065,41 uit hoofde van nakoming van overeenkomst, althans schadevergoeding, althans een in goede justitie door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2011, althans vanaf de dag van indiening van de conclusie van eis in reconventie, tot de dag van de algehele voldoening;

F) Maersk c.s. veroordeelt tot betaling aan [gedaagde] tegen kwijting van een bedrag van€ 4.787,00 uit hoofde van nakoming van overeenkomst althans schadevergoeding, althans een in goede justitie door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 november 2011, althans vanaf de dag van indiening van de conclusie van eis in reconventie, tot de dag van de algehele voldoening;

G) Maersk c.s. veroordeelt tot betaling aan [gedaagde] tegen kwijting van de proceskosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis en - voor het geval voldoening binnen de bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot de dag van de algehele voldoening.


4.6.

Hieraan legt [gedaagde] de volgende stellingen ten grondslag - samengevat en weergegeven voor zover relevant:- ervan uitgaande dat alle verweren van [gedaagde] in conventie door de rechtbank worden gehonoreerd, vordert [gedaagde] primair een bedrag van € 45.268,11; dat is namelijk het bedrag dat Maersk c.s. per saldo verschuldigd zijn aan [gedaagde];

- voor zover niet alle verweren van [gedaagde] in conventie worden gehonoreerd, vordert [gedaagde] subsidiair de dienaangaande in haar reconventionele petitum opgenomen bedragen, ter onderbouwing waarvan zij verwijst naar de argumenten die zij in conventie tot haar verweer aanvoert.


4.7.

Maersk c.s. voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde], met veroordeling van [gedaagde] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de proceskosten,

te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf zeven dagen na het in dezen te wijzen vonnis.


4.8.

Hiertoe voeren Maersk c.s. de volgende argumenten aan - samengevat en weergegeven voor zover relevant:- [gedaagde] licht niet toe hoe haar in conventie geformuleerde vorderingen leiden tot vorderingen in reconventie;

- als Maersk c.s. het goed zien - maar het is niet aan hen om de samenhang en grondslag van de vorderingen van [gedaagde] te formuleren -, beroept [gedaagde] zich in conventie op verrekening en zien de vorderingen van [gedaagde] in reconventie op het geval dat het beroep op verrekening in conventie niet zou worden gehonoreerd, hetgeen voor de hand ligt op grond van het verrekeningsverbod in Clause 16.5 van de cognossementsvoorwaarden); de formulering van de reconventionele vorderingen gaat aldus uit van datgene wat van de gestelde vorderingen, na behandeling van het beroep op verrekening in conventie, ‘overblijft’; aangezien de cognossementsvoorwaarden in Clause 16.5 een verbod op verrekening, inhouding en opschorting bevatten, kan het geheel aan beweerde vorderingen van [gedaagde] uitsluitend in reconventie aan de orde komen;

- [gedaagde] stelt een bedrag van € 2.500,00 te hebben betaald, maar laat na dat te bewijzen; haar aangekondigde productie 7 ontbreekt en is ook niet nagezonden;

  • - er is geen sprake van dat Maersk c.s. zouden hebben toegezegd een bedrag van € 4.787,00 aan [gedaagde] te crediteren wegens ladingschade vanwege het gebruiken van koelgas met een verkeerde samenstelling; voor deze ladingschade zijn Maersk c.s. niet aansprakelijk; Maersk c.s. wensen overigens ter comparitie van [gedaagde] en Urud’or te vernemen of [gedaagde] ter zake van deze post niet (ook) al vergoed is door Urud’or of door de verzekeraars van Urud’or;
  • - Maersk c.s. betwisten de stellingen van [gedaagde] dat de tarieven zoals die tussen Urud’or en Maersk c.s. zijn overeengekomen onjuist of oneerlijk zijn;
  • - daarnaast beroepen Maersk c.s. zich op de vervaltermijn ex Clause 9 en Clause 10 van de cognossementsvoorwaarden, zodat [gedaagde] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen.

in de zaak 14-842 (de vrijwaringszaak)


in conventie

4.9.

[gedaagde] vordert aanvankelijk dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Urud’or veroordeelt:

1: primair:

tot betaling aan [gedaagde] tegen kwijting van al datgene waartoe [gedaagde] als gedaagde in de hoofdzaak jegens Maersk c.s. mocht worden veroordeeld met inbegrip van de rente- en kostenveroordeling, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van indiening althans vanaf het door de rechtbank te wijzen vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening,subsidiair:(a) tot betaling aan [gedaagde] tegen kwijting van een bedrag ad € 339.142,--, althans een in goede justitie door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening,(b) tot betaling aan [gedaagde] tegen kwijting van een bedrag ad € 62.065,41, althans een in goede justitie door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening,en

(c) tot betaling aan [gedaagde] tegen kwijting van een bedrag ad € 4.787,00, althans een in goede justitie door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening,meer subsidiair:(a) tot betaling aan [gedaagde] tegen kwijting van een bedrag ad € 143.930,00 uit hoofde van contractuele nakoming, althans een in goede justitie door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening,en(b) tot betaling aan [gedaagde] tegen kwijting van de kosten van het geding in deze vrijwaringprocedure, te vermeerderen met de nakosten, forfaitair te begroten, alsmede de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het in dezen te wijzen vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening.


Vervolgens heeft [gedaagde] haar eis in zoverre verminderd dat zij het subsidiair gevorderde onder (b) heeft ingetrokken en haar eis in zoverre vermeerderd dat zij het meer subsidiair gevorderde heeft aangevuld met de vordering dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Urud’or veroordeelt: (c) tot betaling aan [gedaagde] tegen kwijting van een bedrag ad € 433.206,00, althans een in goede justitie door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over een bedrag ad € 100.176,00 vanaf 1 augustus 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening, alsmede te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over een bedrag ad € 333.030,00 vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening.


4.10.

[gedaagde] legt aan haar oorspronkelijke vorderingen met uitzondering van het subsidiair gevorderde onder (b) de volgende stellingen ten grondslag - samengevat en weergegeven voor zover (nog) relevant:- voor zover [gedaagde] in de hoofdzaak zou worden veroordeeld om (vervoers)kosten te voldoen aan Maersk c.s., heeft [gedaagde] een (regres)vordering op Urud’or; - gelet op het leveringsbeding C&F in de koopovereenkomst die [gedaagde] met Urud’or heeft gesloten komt de vracht (de vervoerskosten) voor rekening van Urud’or; waar het gaat om door [gedaagde] aan Maersk c.s. betaalde vracht, geldt dat Urud’or op grond van haar overeenkomst met [gedaagde] gehouden is deze kosten te restitueren aan [gedaagde];- [gedaagde] is jegens Urud'or niet meer verschuldigd dan de daadwerkelijke marktconforme vervoerskosten;- Urud'or en Maersk c.s. hebben [gedaagde] willen doen geloven dat de vervoerskostenUSD 4.600,00 respectievelijk USD 4.200,00 per container bedroegen, terwijl de daadwerkelijke vervoerskosten veel lager waren; Urud'or heeft de met Maersk c.s. gemaakte afspraken om de prijs kunstmatig te verhogen bewust verzwegen;- Urud'or heeft [gedaagde] opzettelijk benadeeld; zij heeft welbewust meegewerkt aan deze ‘fraude’; Urud'or handelt hiermee onrechtmatig jegens [gedaagde] en is gehouden de door [gedaagde] geleden schade te vergoeden;

- deze schade bestaat uit het verschil tussen enerzijds het in kwestie gehanteerde tarief dan wel het bedrag dat [gedaagde] eventueel krachtens vonnis van de rechtbank Rotterdam gehouden zal zijn om nog aan Maersk c.s. te voldoen, en anderzijds het tarief dat (ten hoogste) bij [gedaagde] in rekening had behoren te worden gebracht, te weten de daadwerkelijke marktconforme vervoerskosten;

- bovendien is er sprake van dwaling (in de zin van artikel 6:228 lid 1 onder a en b BW); indien [gedaagde] ook maar kon vermoeden dat Urud'or de bewust geheim gehouden en prijsverhogende afspraken met Maersk c.s. had gemaakt, zou zij geen overeenkomst met Urud'or hebben gesloten, althans niet onder dezelfde voorwaarden; dat de door Urud'or voorgehouden prijs in vergelijking met voorgaande jaren fors hoger was is expliciet tussen partijen besproken; [gedaagde] heeft daarbij ook aangegeven dat zij dit niet acceptabel vond; mede door deze omstandigheden had Urud'or [gedaagde] behoren in te lichten over de prijsverhogende afspraken die zij met Maersk c.s. had gemaakt; Urud'or heeft dit echter bewust nagelaten;- er is sprake van bedrog (in de zin van artikel 3:44 BW);

- [gedaagde] heeft de met Urud'or gesloten overeenkomst uit hoofde van dwaling en bedrog gedeeltelijk vernietigd, namelijk voor zover een hogere prijs is overeengekomen dan de daadwerkelijke marktconforme vervoerskosten; deze partiële vernietiging van de overeenkomst heeft prijsaanpassing tot gevolg, in die zin dat [gedaagde] niet meer dan de daadwerkelijke marktconforme vervoerskosten aan Urud'or verschuldigd is; Urud'or is gehouden om het meerdere aan [gedaagde] (terug) te betalen;

- uit de door Urud’or met Maersk c.s. gesloten vervoerovereenkomst blijkt duidelijk waarom de gehanteerde vervoersprijs ver boven de marktprijs lag en waarom Urud’or geen inzage wilde geven in de vervoerskosten; uit de vervoerovereenkomst blijkt dat Maersk c.s. Urud’or achteraf een bedrag zal betalen van USD 500,00 per vervoerde container (Upon expiration of this Contract, Carrier will award Shipper a deferred rebate reward for volume shipped under this contract according to the following agreed procedure: DFR = USD 500 / FFE); Urud’or heeft welbewust meegewerkt aan het kunstmatig verhogen van de prijs door dit later door Maersk c.s. aan Urud’or uit te keren bedrag in de prijs te verwerken; voor zover [gedaagde] mocht worden veroordeeld om enig bedrag te voldoen aan Maersk c.s., komt dat feitelijk neer op veroordeling van [gedaagde] om deze kunstmatige prijsverhoging van USD 500,00 per container aan Maersk c.s te voldoen; Maersk c.s. zullen op hun beurt deze ‘rebate’ aan Urud’or uitkeren; in geval van toetreding door [gedaagde] tot de tussen Urud’or en Maersk c.s gesloten vervoerovereenkomst(en) en gehoudenheid van [gedaagde] tot voldoening van de vervoerskosten heeft zij ook recht op deze ‘rebate’ van USD 500,00 per container, omdat deze ‘rebate’ behoort tot deze door Urud’or met Maersk c.s. gesloten vervoerovereenkomsten; in totaal zijn er 389 containers verscheept, zodat Urud’or in ieder geval een totaalbedrag van USD 194.500,00 (389 x USD 500,00), welk dollarbedrag neerkomt op € 143.930,00; Urud’or heeft ook erkend dat zij deze ‘rebate’ aan [gedaagde] verschuldigd is;

- gedurende het vervoer is een schadepost ontstaan ter waarde van € 4.787,00 vanwege het gebruik van het verkeerde gas voor de koelinstallatie; voor deze schade is Urud’or als verkoper jegens [gedaagde] als koper op grond van het CIF-beding in hun koopovereenkomst aansprakelijk.


4.11.

Urud’or voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde], met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.


4.12.

Urud’or voert hiertoe de volgende argumenten aan - weergegeven voor zover (nog) relevant:- tussen C&F-verkoper Urud'or en -koper [gedaagde] is overeengekomen dat de zeevracht voor rekening van Urud'or komt maar dat de betaling hiervan via [gedaagde] verloopt; daartoe heeft Urud'or aan Maersk c.s. verzocht ‘freight collect’-cognossementen uit te geven;

  • - in de C&F-prijs zijn dus de basiskosten van vervoer tot aan de loshaven inbegrepen; dat betekent dat de verkoper het risico draagt van eventuele prijsschommelingen op de vrachtmarkt; doorgaans rekent de verkoper de vracht met de vervoerder af; de praktijk tussen Urud'or en [gedaagde] was echter anders, namelijk als volgt:
  • - Urud’or sloot de vervoerovereenkomst met de zeevervoerder, maar vroeg om afgifte van ‘freight collect’-cognossementen; bij aflevering van de gekochte zaken rekende [gedaagde] met de zeevervoerder af; omdat [gedaagde] aldus de vracht - die in de C&F-koopprijs was opgenomen - zelf betaalde, werd deze in mindering gebracht op de factuur die zij van Urud'or kreeg; de verkoopfacturen van Urud’or vermelden om die reden een prijs ‘FOB Montevideo’ in plaats van een prijs ‘C&F Rotterdam’; uitgangspunt bleef echter steeds de overeengekomen C&F-prijs: [gedaagde] betaalde uiteindelijk niet meer dan die overeengekomen prijs, zij het dat zij een deel daarvan, de zeevracht, rechtstreeks aan de zeevervoerder betaalde; de ‘optelsom’ van de ‘FOB Montevideo’-prijs en de vracht is gelijk aan de ‘C&F Rotterdam’-prijs;

- gedurende het seizoen 2011 klaagde [gedaagde] over de hoge vrachttarieven die zij op grond van de ‘freight collect’-cognossementen aan zeevervoerder Maersk moest betalen; kennelijk realiseerde zij zich niet, althans onvoldoende, dat de vracht op grond van het C&F-beding voor rekening van Urud’or kwam; hoe het ook zij, in januari 2012 zijn partijen bij elkaar gaan zitten om de financiële afwikkeling van seizoen 2011 te bespreken; daarbij zijn ook de vrachttarieven aan de orde gekomen; uiteindelijk hebben partijen een finale afrekening over 2011 gemaakt, waarin onder meer een tegemoetkoming van € 60.000,00 voor [gedaagde] ter zake van vrachttarieven was verwerkt;

- na afloop van het seizoen 2011 hebben partijen bij elkaar gezeten om afspraken te maken over de financiële afwikkeling van het voorbije seizoen; er was nog een groot bedrag aan onbetaalde facturen van Urud’or (ruim € 900.000,00) en bovendien bestond er op enkele punten verschil van mening tussen partijen; dat meningsverschil betrof onder meer de omstandigheid dat [gedaagde] vond dat zij teveel vracht betaalde; een ander punt van dispuut was het ‘incident’ met de ‘MAERSK BALI’; partijen hebben deze beide discussiepunten, net als enkele andere, in gezamenlijk overleg opgelost; ten aanzien van de ‘vrachtkwestie’ zijn partijen overeengekomen dat Urud’or aan [gedaagde] een tegemoetkoming van € 60.000,00 zou betalen; ten aanzien van de ‘MAERSK BALI’ betaalde Urud’or zelfs de totale schade van [gedaagde]: € 62.065,41; deze beide bedragen zijn in mindering gebracht op het openstaande saldo van onbetaalde facturen; een samenvatting van de afspraken van partijen is op papier gezet (handgeschreven) en door beide partijen ondertekend, op 31 januari 2012 ten kantore van [gedaagde]; een kopie van deze ondertekende vaststellingsovereenkomst is door Urud’or in het geding gebracht als productie 1;

- met deze vaststellingsovereenkomst hebben partijen een eind hebben gemaakt aan de tussen hen bestaande onzekerheid en het geschil met betrekking tot hetgeen zij over het seizoen 2011 aan elkaar verschuldigd waren;

- nu [gedaagde] (uiteindelijk) het resterende saldo aan Urud’or heeft voldaan, hebben partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen ten aanzien van seizoen 2011;- [gedaagde] miskent het karakter van het ‘C&F’-beding, namelijk dat op grond van dit beding de vervoerskosten in de koopprijs zijn inbegrepen; indien [gedaagde] om welke reden dan ook minder vracht aan Maersk c.s. verschuldigd zou zijn, dient dat verschil ten goede te komen aan Urud’or;

- aan de handelwijze van Urud’or is niets onoorbaars is, zodat van enige onrechtmatigheid geen sprake is; fraude, waarop [gedaagde] de onrechtmatigheid van het handelen van Urud’or (uitsluitend) lijkt te gronden, is al helemaal niet aan de orde; tot slot blijkt uit de eigen stellingen van [gedaagde] dat zij geen schade heeft geleden; zij heeft namelijk alle kosten van vervoer doorberekend aan haar afnemers;

- ten aanzien van het beroep van [gedaagde] op dwaling en bedrog: [gedaagde] maakt in het geheel niet inzichtelijk wat Urud’or nu verkeerd zou hebben gedaan of ten aanzien waarvan [gedaagde] precies zou hebben gedwaald; de afspraken tussen Urud’or en Maersk c.s. zijn gemaakt in mei 2011, dus lang nadat de koopovereenkomst tussen [gedaagde] en Urud’or tot stand was gekomen; Urud’or had [gedaagde] terzake dus niet eens kunnen informeren; overigens betekent dit ook dat de prijsafspraken tussen Urud’or en Maersk c.s. een uitsluitend toekomstige omstandigheid in de zin van artikel 6:228 lid 2 BW betreffen, hetgeen in de weg staat aan een beroep op dwaling; van bedrog is in de verste verte geen sprake; niet alleen voor haar beroep op bedrog maar ook voor haar beroep op dwaling heeft [gedaagde] onvoldoende gesteld; bij dit alles komt nog dat [gedaagde] in het petitum van de dagvaarding geen (partiële) vernietiging van de overeenkomst vordert, terwijl zij de overeenkomst ook niet buitengerechtelijk heeft vernietigd; ten slotte wordt niet duidelijk welk deel van de overeenkomst het onderwerp zou zijn van de partiële vernietiging en waarom het gevolg van die partiële vernietiging zou zijn dat Urud’or enig bedrag aan [gedaagde] zou zijn verschuldigd; ook hier geldt dat uit de eigen stellingen van [gedaagde] volgt dat zij in elk geval geen schade heeft geleden;

- Urud’or betwist het gevorderde ‘rebate’-bedrag van € 143.930,00 (USD 194.500,00) aan [gedaagde] verschuldigd te zijn; in de eerste plaats is het zo dat ingevolge de overeenkomst tussen Urud’or en Maersk c.s. het juist Maersk c.s. en dus niet Urud’or is die deze ‘rebate’ verschuldigd is; ten tweede geldt dat de ‘rebate’ deel uitmaakt van de in mei 2011 gesloten (duur)overeenkomst tussen Urud’or en Maersk c.s. maar niet van de vervoerovereenkomst(en); de toetreding van [gedaagde] tot deze laatstgenoemde overeenkomst(en) is derhalve voor de verschuldigdheid van de ‘rebate’ niet van belang; ten slotte betwist Urud’or dat zij zou hebben erkend dat de ‘rebate’ aan [gedaagde] toekomst;

- Urud'or is niet de vervoerder; haar afleververplichtingen hielden op bij het aan boord brengen van de verkochte zaken; het vervoer was voor risico van [gedaagde]; er is dus geen grondslag voor aansprakelijkheid van Urud’or voor de gevorderde ladingschade van€ 4.787,00.


in reconventie


4.13.

Urud’or vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan Urud’or van een bedrag van € 348.614,41, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als volgt:

over € 35.439,94 met ingang van 22 januari 2014,

over € 62.400,00 met ingang van 22 januari 2014,

over € 65.832,16 met ingang van 28 januari 2014,

over € 65.430,38 met ingang van 6 februari 2014,

over € 59.419,01 met ingang van 12 februari 2014 en

over € 60.092,93 met ingang van 17 februari 2014,

met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.


4.14.

Urud’or legt hieraan de volgende stellingen ten grondslag - samengevat en weergegeven voor zover (nog) relevant:- ook na het onderhavige dispuut tussen partijen over de vracht en de vaststellingsovereenkomst waarmee aan dit dispuut een einde is gemaakt zijn partijen met elkaar zaken blijven doen; zo heeft [gedaagde] bij overeenkomsten van 4 april 2013 fruit gekocht van Urud’or;- ondanks haar gehoudenheid daartoe heeft [gedaagde] zes van de terzake van die overeenkomsten door Urud’or verzonden facturen (prod. 6 van Urud’or) onbetaald gelaten tot een bedrag van in totaal € 348.614,41;

- de betalingsafspraak hield in 40% ‘cash tegen documenten’ en 60% betaalbaar 80 dagen na de datum van het cognossement; vanaf de datum van opeisbaarheid (80 dagen na datum cognossement) is [gedaagde] in verzuim en derhalve wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW verschuldigd.4.15. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Urud’or, met veroordeling van Urud’or in de proceskosten bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

4.16.

[gedaagde] voert hiertoe de volgende argumenten aan - samengevat en weergegeven voor zover (nog) relevant:- [gedaagde] betwist nog enig bedrag aan Urud’or ingevolge de hier aan de orde zijnde koopovereenkomsten verschuldigd te zijn;

- dat er nog een totaalbedrag ter hoogte van € 348.614,41 aan facturen zou

openstaan klopt niet; een eventuele vordering van Urud'or is beperkt tot ten hoogste€ 294.764,09;

- Urud'or bevestigt in de overeenkomsten welke aantallen fruit zij per week zou leveren; in

de overeenkomsten wordt gesproken over vaste aantallen per week; Urud'or heeft, in strijd met het bepaalde in deze overeenkomsten, te weinig fruit geleverd; door deze toerekenbare niet-nakoming heeft [gedaagde] schade geleden ter hoogte van € 333.030,00; Bruin beroept zich op haar recht om de aan Urud’or verschuldigde koopprijs te verrekenen met deze schadevordering;

- [gedaagde] zag zich in verband met verlate leveringen geconfronteerd met verhoogde invoerrechten; de hieruit voortvloeiende schade bedraagt € 200.352,00; [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat Urud'or aansprakeljk is voor deze schade. Urud'or heeft haar aansprakelijkheid voor deze schade voor een bedrag van ten minste € 100.000,00 ook erkend; partijen zijn overeengekomen dat Urud'or in ieder geval de helft van de duties voor haar rekening zou nemen, te weten een totaalbedrag van € 100.176,00; Urud'or is aldus uit hoofde van nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst een bedrag van€ 100.176,00 aan [gedaagde] verschuldigd; [gedaagde] beroept zich op haar recht om ook met deze vordering de aan Urud’or verschuldigde koopprijs te verrekenen.

5. De beoordeling in de hoofdzaak (13-1075)


in conventie en in reconventie


5.1.

Gelet op de nauwe samenhang van de vorderingen in conventie met de reconventionele vorderingen zullen deze twee groepen vorderingen gezamenlijk worden beoordeeld.


5.2.

Onder meer vanwege de buitenlandse vestigingsplaats van Møller-Maersk heeft deze zaak een internationaal karakter. Daarom moet eerst de vraag beantwoord worden of deze rechtbank internationaal bevoegd is. [gedaagde], gedaagde in conventie, heeft in conventie de bevoegdheid van deze rechtbank niet betwist. In conventie is de rechtbank dan ook bevoegd op grond van een stilzwijgende forumkeuze. In reconventie hebben Maersk c.s., verweersters in reconventie, de bevoegdheid van deze rechtbank niet betwist. Deze rechtbank is derhalve in ieder geval op grond van een stilzwijgende forumkeuze ook bevoegd kennis te nemen van de reconventionele vorderingen. 5.3. Maersk c.s. vorderen nakoming door [gedaagde] van haar verbintenis tot betaling van verschuldigde vracht op grond van (een) door Maersk c.s. met Urud’or gesloten vervoerovereenkomst(en) waartoe [gedaagde] zou zijn toegetreden door de ontvangst van de vervoerde lading tegen overhandiging van het cognossement. Dat [gedaagde] ook zélf, net zoals Urud’or, heeft gecontracteerd met Maersk c.s. is (immers) gesteld noch gebleken; [gedaagde] is, als gezegd, toegetreden tot deze overeenkomst(en) nadat deze al was(waren) gesloten.


5.4.

Als ongemotiveerd betwist is komen vast te staan dat [gedaagde] de facturen van Maersk c.s. voor een bedrag van € 363.226,30 onbetaald heeft gelaten.


5.5.

Als onbetwist is komen vast te staan dat [gedaagde], iedere keer dat zij de lading in ontvangst nam tegen overhandiging van het cognossement waaruit de desbetreffende vervoerovereenkomst bleek, toetrad tot zulke vervoerovereenkomst. Het gaat hier steeds om vervoerovereenkomsten die door Maersk c.s. zijn gesloten als vervoerder, zo is niet in geschil.Eveneens is als onbetwist komen vast te staan dat door deze toetreding tot de vervoerovereenkomst [gedaagde] steeds gehouden was tot betaling van vracht ter zake van dit vervoer aan Maersk c.s., voor zover uit het desbetreffende cognossement bleek dat als betaalwijze van de vracht ‘freight collect’ gold.Ten slotte is niet in geschil dat op alle vrachtfacturen waarvan Maersk c.s. in deze zaak betaling vorderen deze betaalwijze ‘freight collect’ van toepassing is.


5.6.

Door aldus toe te treden tot de door Urud’or met Maersk c.s. gesloten vervoerovereenkomst(en) is [gedaagde] in beginsel gebonden geraakt aan de in deze overeenkomst(en) neergelegde bepalingen. Deze regel lijdt eventueel uitzondering voor zover sprake is geweest van een wilsgebrek aan de zijde van [gedaagde] ten tijde van haar toetreding tot deze vervoerovereenkomst(en). In de stellingname van [gedaagde] valt, naar het oordeel van de rechtbank, evenwel geen beroep op zulk wilsgebrek te lezen, zodat deze uitzondering in het onderhavige geval niet opgaat. Bij gebreke van andere uitzonderingen op voornoemde regel is [gedaagde] dan ook door haar toetreding tot genoemde vervoerovereenkomst(en) gebonden geraakt aan de bepalingen daarvan, zoals die over de verschuldigde vracht. Daar waar [gedaagde] de hoogte van de van haar gevorderde vrachttarieven betwist, faalt dit verweer dan ook reeds omdat deze tarieven zijn gebaseerd op afspraken (onderhandelingen) tussen Urud’or en Maersk c.s. waar [gedaagde] zélf geen partij bij is geweest.


5.7.

Ook voor zover [gedaagde] zich beroept op afspraken die zij zou hebben gemaakt met Urud’or, faalt haar verweer. Maersk c.s. staan immers buiten zulke afspraken.


5.8.

In reactie op het verrekeningsverweer van [gedaagde] doen Maersk c.s. een beroep op Clause 16.5 van de cognossementsvoorwaarden, dat volgens Maersk c.s. een verrekeningsverbod inhoudt. Deze cognossementsbepaling luidt als volgt:


All freight shall be paid without any set-off, counter-claim, deduction or stay of execution at latest before delivery of the Goods.


Verrekening (set-off) van verschuldigde vracht met een andere vordering is volgens deze bepaling niet toegestaan. Als onbetwist is komen vast te staan dat deze cognossementsbepaling van toepassing is op de door Urud’or met Maersk gesloten vervoerovereenkomsten waartoe [gedaagde] als cognossementshoudster op de hierboven vermelde wijze is toegetreden. Deze bepaling staat derhalve in de weg aan verrekening door [gedaagde] van haar aan Maersk c.s. verschuldigde vracht met eventuele vorderingen op Maersk c.s.


5.9.

Bij gebreke van andere terzake gevoerde verweren is daarmee komen vast te staan dat [gedaagde] de gevorderde hoofdsom van € 363.226,30 aan onbetaald gelaten vracht is verschuldigd. [gedaagde] zal derhalve worden veroordeeld tot betaling van deze hoofdsom.


5.10.

Daarmee komt de rechtbank toe aan een beoordeling van de gevorderde (wettelijke handels)rente en buitengerechtelijke incassokosten.


5.11.

Aan hun vordering tot betaling van rente en buitengerechtelijke incassokosten leggen Maersk c.s. primair het bepaalde in Clause 16.6 van de cognossementsvoorwaarden ten grondslag - aangehaald voor zover relevant:


If the merchant fails to pay the Freight when due he shall be liable also for payment of service fee, interest due on any outstanding and/or overdue sum, reasonable attorney fees and expenses incurred in collecting any sum due to the Carrier […]


Met Maersk c.s. is de rechtbank van oordeel dat in deze bepaling van de cognossementsvoorwaarden een recht is neergelegd op rente en buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] heeft de toepasselijkheid van Clause 16.6 niet (gemotiveerd) betwist, zodat is komen vast te staan dat deze bepaling van toepassing is. De primaire grondslag van de door Maersk c.s. gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten slaagt derhalve.Nu in Clause 26 van de cognossementsvoorwaarden, waar Maersk c.s. een beroep op doen, een rechtskeuze is neergelegd voor Engels recht ([.] the bill of lading shall be governed by and construed in accordance with English law [.]), betekent dit dat de verschuldigdheid van de gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten moet worden beoordeeld naar Engels recht. De rechtbank kan [gedaagde] niet volgen in haar redenering dat de rechtskeuze in Clause 26 gekoppeld is aan de hierin eveneens vastgelegde forumkeuze voor de Engelse High Court of Justice; ook wanneer een geschil als bedoeld in Clause 26 aanhangig is gemaakt voor de Nederlandse rechter, is derhalve ingevolge deze cognossementsbepaling Engels recht van toepassing.


5.12.

[gedaagde] is derhalve rente verschuldigd vanaf de vervaldatum van de openstaande facturen, zoals door Maersk c.s. is gevorderd.Gelet op de valuta waarin blijkens de in het geding gebrachte facturen betaling is gevorderd en de plaats van betaling wordt de rentevoet beheerst door Nederlands recht. Zoals Maersk c.s. met recht betogen, is hier sprake van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW, hetgeen betekent dat [gedaagde] de wettelijke handelsrente als bedoeld in dat artikel verschuldigd is.


5.13.

Wat betreft de hoogte van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten doen Maersk c.s. primair een beroep op het bepaalde in de factuurvoorwaarden dat in het geval van ontijdige betaling de schuldenaar aan buitengerechtelijke incassokosten 15% van de factuurbedragen verschuldigd is.Met [gedaagde] is de rechtbank van oordeel dat hier sprake is van een eenzijdige mededeling op een na het sluiten van de overeenkomst verzonden factuur die onredelijk bezwarend is voor [gedaagde] terwijl [gedaagde] niet een redelijke mogelijkheid is geboden om van deze algemene voorwaarden kennis te nemen. Op grond van artikel 6:233 BW, welke voorrangsregel ingevolge de scope rule van artikel 6:247 BW in het onderhavige geval van toepassing is, slaagt het vernietigingsberoep van [gedaagde] dan ook. Dit leidt ertoe dat op de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten in deze zaak Engels recht van toepassing is. Maersk c.s. hebben evenwel niet voldaan aan hun stelplicht waarom [gedaagde] in deze zaak naar Engels recht buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zou zijn. Deze vordering zal derhalve worden afgewezen.5.14. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten aan de zijde van Maersk c.s. worden begroot op:- dagvaardingskosten € 76,71- vastrecht € 3.715,00- salaris advocaat € 4.000,00 (2 punten x tarief € 2000,00)totaal € 7.791,71.

5.15.

De voorwaarde waaronder [gedaagde] haar primaire vordering in reconventie heeft ingesteld, namelijk dat haar in conventie gevoerde verweer tegen de door Maersk c.s. gevorderde hoofdsom slaagt, is niet vervuld. Daarom zal de primaire vordering worden afgewezen. Omdat het door [gedaagde] in conventie gevoerde verweer tegen de door Maersk c.s. gevorderde hoofdsom faalt, is de voorwaarde vervuld waaronder het subsidiair in reconventie gevorderde is ingesteld. Over dit gedeelte van het in reconventie gevorderde overweegt de rechtbank hieronder als volgt.


5.16.

De door [gedaagde] in reconventie gevorderde bedragen van € 17.121,86 (D) en € 62.065,41 (E) zijn de bedragen waarmee Maersk c.s. in conventie haar aanvankelijke vordering heeft verminderd. Zie onder 4.1 hierboven. Nog daargelaten of [gedaagde] op dit punt haar eis in reconventie heeft verminderd geldt in ieder geval dat zij derhalve geen belang meer heeft bij deze twee reconventionele vorderingen, zodat deze vorderingen zullen worden afgewezen.


5.17.

Als het meest verstrekkende verweer van Maersk c.s. moet worden aangemerkt hun beroep op de vervaltermijn ex Clause 9 en Clause 10 van de cognossementsvoorwaarden. Deze cognossementsbepalingen luiden als volgt:


9Notice of Loss, Time BarUnless notice of loss or damage and the general nature of such loss or damage be given in writing to the Carrier or his agents at the Place of Delivery (or Port of Discharge if no Place of Delivery is named in the reverse hereof) before or at the time of removal of the Goods into the custody of the Merchant or if the loss or damage is not apparent within three days thereafter, such removal shall be prima facie evidence of the delivery by the Carrier of the Goods as described in this bill of lading. In any event, the Carrier shall be discharged from all liability whatsoever in respect of the Goods unless suit is brought within one year after their delivery or the date when they should have been delivered. 10. Defences and Limits for the CarrierThe Terms and Conditions of whatever nature provided for in this bill of lading shall apply in any action against the Carrier for any loss or damage whatsoever and howsoever occurring (and, without restricting the generality of the foregoing, including delay, late delivery and/or delivery without surrender of this bill of lading) and whether the action be founded in contract, bailment or in tort and even if the loss or damage arose as a result of unseaworthiness, negligence or fundamental breach of contract.


Ingevolge deze bepalingen is de vervoerder van iedere aansprakelijkheid voor verlies of beschadiging van de vervoerde zaken ontheven indien de vordering terzake niet binnen één jaar na de (overeengekomen) leveringsdatum is ingesteld. Als onbetwist is komen vast te staan dat deze cognossementsbepalingen van toepassing zijn op de door Urud’or met Maersk gesloten vervoerovereenkomsten waartoe [gedaagde] als cognossementshoudster op de hierboven vermelde wijze is toegetreden. Eveneens is als onbetwist komen vast te staan dat de vorderingen van [gedaagde] ter zake van aansprakelijkheid van Maersk c.s. voor verlies of beschadiging van de vervoerde zaken niet binnen deze termijn van één jaar zijn ingesteld. Het gaat dan om de hierboven onder 4.5 genoemde vorderingen A (€ 363.226,30),B (€ 143.930,00) en F (€ 4.787,00). Deze vorderingen zijn dan ook vervallen, althans verjaard, en zullen dus worden afgewezen.


5.18.

Het subsidiair onder C uit hoofde van onverschuldigde betaling dan wel ongerechtvaardigde verrijking gevorderde bedrag van € 2.500,00, inclusief de gevorderde wettelijke rente hierover, zal, nu de voldoende gestelde verschuldigdheid hiervan door Maersk c.s. onvoldoende gemotiveerd is betwist, worden toegewezen.

5.19.

Maersk c.s. heeft de verschuldigdheid erkend van de door [gedaagde] in reconventie (aanvankelijk) gevorderde bedragen van € 17.121,86 (D) en € 62.065,41 (E). Partijen zijn over en weer op enkele punten in het ongelijk gesteld. Hierin ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten in reconventie te compenseren in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.


6 6. De beoordeling in de vrijwaringszaak (14-842)

in conventie
6.1.

Nu [gedaagde] in de hoofdzaak is veroordeeld tot betaling aan Maersk c.s., is de voorwaarde waaronder de vordering in conventie in de onderhavige vrijwaringszaak is ingesteld vervuld.


6.2.

Urud’or heeft geen bezwaar gemaakt tegen de hierboven onder 4.9 genoemde eisvermindering. Bovendien is deze eisvermindering niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. De rechtbank zal dan ook recht doen op deze eisvermindering.

Urud’or heeft ook geen bezwaar gemaakt tegen de hierboven onder 4.9 genoemde eisvermeerdering. De rechtbank acht deze eisvermeerdering echter in strijd met de eisen van een goede procesorde, zodat zij deze ambtshalve zal weigeren. [gedaagde] heeft haar eis ter comparitie vermeerderd met een vordering van € 433.206,00 alsmede met de wettelijke handelsrente daarover. Dit is het bedrag waarvoor [gedaagde] schade zou hebben geleden als gevolg van het beweerdelijk niet nakomen door Urud’or van haar leveringsverplichtingen, zo volgt uit de hierboven onder 2.1 genoemde akte wijziging eis van [gedaagde].[gedaagde] is door deze rechtbank bij incidenteel vonnis van 30 april 2014 in de onderhavige hoofdzaak van Maersk c.s. tegen [gedaagde] toegelaten Urud’or in vrijwaring op te roepen. [gedaagde] heeft vervolgens van deze aan haar verleende bevoegdheid gebruik gemaakt en bij dagvaarding vorderingen ingesteld tegen Urud’or die alle strekken tot vrijwaring van [gedaagde] van de aanspraken die Maersk c.s. in de hoofdzaak maken op [gedaagde]. Aan de eisvermeerdering, een vordering tot betaling van € 433.206,00, ligt geen rechtsverhouding ten grondslag op grond waarvan gedaagde in vrijwaring, Urud’or, als waarborg gehouden zou zijn tot betaling aan [gedaagde] als gewaarborgde. Voorts was deze nieuwe vordering niet uit de dagvaarding kenbaar, zodat Urud’or hierop niet voldoende heeft kunnen anticiperen. Deze eisvermeerdering komt derhalve in strijd komt met de goede procesorde, zodat zij buiten beschouwing zal worden gelaten.6.3. (Onder meer) vanwege de buitenlandse vestigingsplaats van Urud’or heeft deze zaak een internationaal karakter. Daarom moet eerst de vraag beantwoord worden of deze rechtbank internationaal bevoegd is.Urud’or, gedaagde in conventie, heeft in conventie de bevoegdheid van deze rechtbank niet betwist. In conventie is de rechtbank dan ook bevoegd op grond van een stilzwijgende forumkeuze.


6.4.

Partijen hebben ter zitting bij monde van hun advocaten een rechtskeuze uitgebracht voor Nederlands recht. Hier is sprake van een ten processe uitgebrachte rechtskeuze die voldoet aan de in artikel 3 van Verordening (EG) Nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I-Vo) genoemde vereisten voor een rechtskeuze in een contractueel geschil. De rechtsverhouding tussen [gedaagde] en Urud’or wordt derhalve beheerst door Nederlands recht


6.5.

Vast is komen te staan dat de door [gedaagde] aan Maersk c.s. betaalde vracht in mindering is gebracht op de verkoopfacturen van Urud’or aan [gedaagde]. Urud’or bracht namelijk bij [gedaagde] steeds slechts een ‘FOB Montevideo’-prijs in rekening in plaats van de in de koopovereenkomst genoemde ‘C&F Rotterdam’-prijs. Dit is door [gedaagde] ter zitting bevestigd.Hoe groter het verschil tussen het door [gedaagde] aan Maersk c.s. betaalde vrachttarief en het vrachtgedeelte van de ‘C&F Rotterdam’-prijs, des te lager de door Urud’or bij [gedaagde] gefactureerde ‘FOB Montevideo’-prijs. In zoverre betoogt Urud’or met juistheid dat de vracht uiteindelijk voor rekening van Urud’or kwam en niet voor rekening van [gedaagde].Het bovenstaande betekent dat de hierboven onder 4.10 weergegeven stellingen van [gedaagde], met uitzondering van haar stellingen achter de laatste twee gedachtestreepjes onder 4.10, niet opgaan alsmede dat de rechtbank niet meer hoeft in te gaan op de door Urud’or gestelde vaststellingsovereenkomst met [gedaagde]. Kennelijk gaat het hier om een subsidiair verweer van Urud’or.


6.6.

De stellingen op grond waarvan [gedaagde] aanspraak zou kunnen maken op het door haar gevorderde bedrag van € 143.930,00 zijn hierboven weergeven onder 4.10, voorlaatste gedachtestreepje. [gedaagde] miskent hier evenwel dat het, zoals hierboven uiteen is gezet in rov. 6.5, Urud’or is voor wiens rekening de door [gedaagde] betaalde vracht komt. Ook deze vordering zal derhalve worden afgewezen.


6.7.

De rechtbank volgt [gedaagde] niet in haar hierboven onder 4.10, laatste gedachtestreepje, weergegeven stelling dat Urud’or als verkoper jegens [gedaagde] als koper aansprakelijk is op grond van het CIF- beding, althans het C&F-beding, in hun koopovereenkomst voor de schadepost ten bedrage van € 4.787,00 die, naar is komen vast te staan, eerst tijdens het vervoer is ontstaan. Niet Urud’or maar uitsluitend Maersk c.s. in hun hoedanigheid van vervoerder onder de vervoerovereenkomst waartoe Bruin is toegetreden kunnen immers aansprakelijk zijn jegens [gedaagde] voor deze schade.


6.8.

Het bovenstaande betekent dat alle vorderingen van [gedaagde] zullen worden afgewezen.


6.9.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten aan de zijde van Urud’or worden begroot op:- vastrecht € 3.829,00

- salaris advocaat € 4.000,00 (2 punten x tarief € 2.000,00)totaal € 7.829,00.

in reconventie


6.10.

In reconventie heeft [gedaagde], verweerster in reconventie, de bevoegdheid van deze rechtbank niet betwist. Deze rechtbank is derhalve in ieder geval op grond van een stilzwijgende forumkeuze ook bevoegd kennis te nemen van de reconventionele vorderingen.


6.11.

De hierboven in rov. 6.4 genoemde ten processe uitgebrachte rechtskeuze voor Nederlands recht heeft ook betrekking op het geschil in reconventie. Ook daarop is derhalve Nederlands recht van toepassing.

6.12.

Als het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] moet worden aangemerkt haar bewering dat er ten hoogste nog een totaalbedrag van € 294.764,09 openstaat aan onbetaalde facturen en dus niet het door Urud’or gestelde totaalbedrag van € 348.614,41.


6.13.

Als productie 7 heeft Urud’or de zes facturen in het geding gebracht waarvan zij betaling vordert voor het in 2013 aan [gedaagde] verkochte fruit. [gedaagde] heeft niet betwist dat zij deze facturen van Urud’or heeft ontvangen, zodat dit is komen vast te staan. Terwijl Urud’or aan haar stelplicht heeft voldaan dat [gedaagde] deze facturen onbetaald heeft gelaten voor wat betreft een bedrag van € 348.614,41 en deze stelling heeft onderbouwd met haar producties 8-11, heeft [gedaagde] haar bovengenoemd verweer dat zij deze facturen voor ten hoogste een totaalbedrag van € 294.764,09 onbetaald heeft gelaten in onvoldoende mate gemotiveerd en onderbouwd. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.Ter onderbouwing van haar hier aan de orde zijnde verweer wijst [gedaagde] op haar producties 25 en 28. Zie randnummer 3.7 van haar conclusie van antwoord in reconventie tevens akte wijziging van eis. Het gaat hier om een lijst van handelsprijzen van [gedaagde] respectievelijk een betalingsoverzicht. Zonder toelichting van [gedaagde], die ontbreekt, valt uit deze producties niet af te leiden dat [gedaagde] (ten hoogste) een bedrag van in totaal € 294.764,09 onbetaald heeft gelaten voor wat betreft de hier aan de orde zijnde facturen. Het verweer van [gedaagde] wordt dan ook verworpen.


6.14.

Over de twee door [gedaagde] gevoerde verrekeningsverweren overweegt de rechtbank als volgt.


6.15.

Haar meest verstrekkende verrekeningsverweer baseert [gedaagde] op schade ter hoogte van € 333.030,00 die zij zou hebben geleden als gevolg van een toerekenbare tekortkoming van Urud’or bestaande uit de levering van te weinig fruit.Gelet op de standpunten van partijen, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het hier om een verrekeningsverweer gaat dat niet eenvoudig is vast te stellen in de zin van artikel 6:136 BW. Dit verrekeningsverweer faalt derhalve.

6.16.

Haar minder verstrekkende verrekeningsverweer, dat hierboven is weergegeven onder 4.16, laatste gedachtestreepje, betreft een schadepost van € 200.352,00 bestaande uit door [gedaagde] verschuldigde invoerrechten (duties). De kern van dit verrekeningsverweer wordt gevormd door twee stellingen van [gedaagde], namelijk dat partijen zijn overeengekomen dat Urud’or in ieder geval de helft van deze schade (duties) voor haar rekening zou nemen, te weten een totaalbedrag van € 100.176,00, en dat Urud’or haar aansprakelijkheid voor de hier aan de orde zijnde schade voor een bedrag van ten minste € 100.000,00 heeft erkend.Ter onderbouwing van deze stellingen beroept [gedaagde] zich op de volgende passage uit het e-mailbericht van Urud’or aan [gedaagde] van 24 juli 2014 (prod. 29 van [gedaagde]):


What do you want to discuss about Class 1???

Duties: we agreed in sharing 50%...what else can we do??


alsmede op het volgende e-mailbericht van Urud’or aan [gedaagde] van 6 augustus 2014 (prod. 29 van [gedaagde]), dat als volgt luidt - aangehaald voor zover relevant:


Resume of our phone talk.

1.Balance due..

[…]

We have to deduct the participation in the duties paid and, according to our proposal of shearing the same, we Talk about euros 100.000 less. New Balance should be euros 200.000.

[…]

2. Demand against Urudor in the Dutch court.


We need you to remove it before the 3th. Of September.

We'll talk again next Wednesday at the same time.


Ter zitting is van de zijde van Urud’or in dit verband het volgende verklaard:


“In de mail van 6 augustus 2014 (productie 29) wordt de voorwaarde gesteld dat de procedure wordt ingetrokken. Dit is niet gebeurd. Er was geen overeenstemming.”


Zowel in bovengenoemd e-mailbericht van 24 juli 2014 als in dat van 6 augustus 2014 leest de rechtbank met [gedaagde] een erkenning door Urud’or van haar aansprakelijkheid voor de helft van de hier aan de orde zijnde, uit verschuldigde invoerrechten bestaande, schadepost, derhalve voor een bedrag van € 100.176,00. De rechtbank kan Urud’or niet volgen in haar redenering dat enige afspraak tussen partijen op dit punt als voorwaarde zou hebben dat [gedaagde] haar procedure tegen Urud’or zou intrekken (vóór 3 september 2014). Zulke voorwaarde volgt niet zonder meer uit genoemd e-mailbericht van 6 augustus 2014.


Het bovenstaande betekent dat het hier aan de orde zijnde verrekeningsverweer van [gedaagde] slaagt voor wat betreft haar bovengenoemde vordering op Urud’or van € 100.176,00. Dit gedeelte van de gevorderde hoofdsom van Urud’or zal derhalve worden afgewezen.Bij gebreke van andere verweren van [gedaagde] zal het resterende gedeelte van € 248.438,41(€ 348.614,41 minus € 100.176,00) van de gevorderde hoofdsom worden toegewezen.


6.17.

Tegen de gevorderde wettelijke handelsrente heeft [gedaagde] geen afzonderlijk verweer gevoerd. Zoals Urud’or met recht betoogt, is hier sprake van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW, hetgeen betekent dat [gedaagde] de wettelijke handelsrente als bedoeld in dat artikel verschuldigd is.


6.18.

Partijen zijn over en weer op enkele punten in het ongelijk gesteld. Hierin ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten in reconventie te compenseren in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.



7De beslissing

De rechtbank


in de hoofdzaak (13-1075)

in conventie

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Maersk c.s. van € 363.226,30 (zegge: driehonderddrieënzestigduizend tweehonderdzesentwintig euro en 30 eurocent), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf de vervaldatum van de facturen tot de dag van de algehele voldoening;


veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de zijde van Maersk c.s. worden begroot op€ 7.791,71;


verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;


wijst het meer of anders gevorderde af,


in reconventie


veroordeelt Maersk c.s. tot betaling aan [gedaagde] van € 2.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 november 2011;


verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;


wijst het meer of anders gevorderde af;


compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt,


in de vrijwaringszaak (14-842)


in conventie wijst de vorderingen af;


veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de zijde van Urud’or worden begroot op€ 7.829,00;


verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Urud’or van een bedrag van € 248.438,41 (zegge: tweehonderdachtenveertigduizend vierhonderdachtendertig euro en 41 eurocent), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de recentst mogelijke datum als genoemd onder 4.13 hierboven;


verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;


wijst het meer of anders gevorderde af;


compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.


Dit vonnis is gewezen door mr C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2015.901/1573