Rechtbank Rotterdam, 28-05-2015 / 4029211


ECLI:NL:RBROT:2015:5126

Inhoudsindicatie
overschrijden wettelijk vastgestelde norm voor alcoholgebruik in het verkeer in de functie van buschauffeur onaanvaardbaar. dringende reden.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-05-28
Publicatiedatum
2015-07-17
Zaaknummer
4029211
Procedure
Beschikking
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2015/1340
  • AR-Updates.nl 2015-0649
Uitspraak RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 4029211 \ VZ VERZ 15-7774


uitspraak: 28 mei 2015


beschikking ex artikel 7:685 BW van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam


in de zaak van


de naamloze vennootschap

RET N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verzoekster,

gemachtigde: mr. M. Lathouwers-van Ekelenburg te Rotterdam,


tegen


[verweerster] ,

woonplaats: [woonplaats],

verweerster,

gemachtigde: mr. B. Vollebregt te Culembourg.


Partijen worden hierna aangeduid als “RET” en “[verweerster]”.


1De processtukken en de loop van het geding


1.1

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • - het verzoekschrift zijdens RET met producties, ontvangen op 10 april 2015;
  • - het verweerschrift zijdens [verweerster] met producties, ontvangen op 6 mei 2015;
  • - de twee nagezonden producties zijdens RET ten behoeve van de mondelinge behandeling, en
  • - de pleitaantekeningen zijdens RET.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 mei 2015. RET is vertegenwoordigd door de heer [E.], manager Bus, mevrouw I. Buise, advocaat, en mevrouw [G.], leidinggevende, bijgestaan door de gemachtigde. [verweerster] is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekening gehouden.


1.3

De datum voor de uitspraak van deze beschikking is bepaald op heden.



2De feiten


Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen het volgende vast.


2.1

RET verzorgt het openbaar vervoer voor de metropoolregio Rotterdam-Den Haag.

2.2

[verweerster] is per 6 januari 2003 bij de rechtsvoorgangster van RET in dienst getreden in de functie van buschauffeur voor 28 uren per week, per 28 maart 2003 gewijzigd naar

32 uren per week. [verweerster] was laatstelijk werkzaam tegen een salaris van € 2.257,81 bruto per maand voor 32 uren, te vermeerderen met vakantietoeslag van 8% en vaste emolumenten.


2.3

Binnen RET geldt sinds 1998 een alcohol- en drugsbeleid. Hierin is uitdrukkelijk bepaald dat het onder invloed verkeren van alcohol tijdens het werk niet is toegestaan.


2.4

Op maandag 2 maart 2015 is [verweerster] iets na 06:00 uur met haar dienst gestart op buslijnen 33 en 44.


2.5

Een alcoholblaastest om 09:45 uur wees uit dat [verweerster] een alcoholpromillage van 0,17 in haar bloed had. Een zelfde test om 09:47 uur gaf een alcoholpromillage aan van 0,19.


2.6

Rond 10:00 uur heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerster], haar leidinggevende mevrouw [G.], de manager Bus (de heer [E.] en P&O adviseur mevrouw [A.]. Naar aanleiding van dat gesprek is [verweerster] geschorst. De schorsing is schriftelijk aan [verweerster] bevestigd.



3Het verzoek


3.1

Het verzoek strekt tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst op grond van gewichtige redenen, primair bestaande uit een dringende reden, althans subsidiair vanwege veranderingen in de omstandigheden, per de datum van de mondelinge behandeling van het verzoek, althans op een zo kort mogelijke termijn, zonder toekenning van een vergoeding aan [verweerster], met veroordeling van [verweerster] in de kosten van de procedure.


3.2

RET heeft - verkort weergegeven - aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat [verweerster] op maandag 2 maart 2015 haar verantwoordelijkheid als buschauffeur ernstig heeft veronachtzaamd door onder invloed van alcohol haar dienst aan te vangen en een bus vol passagiers te besturen.



4Het verweer


4.1

Het verweer van [verweerster] strekt primair tot afwijzing op beide gronden en subsidiair op toekenning van een vergoeding van € 47.520,00 bruto, althans een zodanige vergoeding als door de kantonrechter te bepalen, waarbij wordt verzocht ten aanzien van de ontbindingsdatum rekening te houden met de rechtens geldende opzegtermijn, in alle gevallen met veroordeling van RET in de kosten van de procedure.


4.2

[verweerster] legt aan haar verweer - verkort weergegeven - ten grondslag dat het standpunt van RET niet alleen strijd is met haar eigen beleid, maar ook niet in verhouding staat tot de feiten en wat [verweerster] redelijkerwijs kon en moest begrijpen.



5De beoordeling


5.1

RET heeft gesteld dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst geen

verband houdt met het bestaan van enig opzegverbod. Nu [verweerster] die stelling niet heeft

weersproken, gaat de kantonrechter uit van de juistheid daarvan.


5.2

RET legt primair een dringende reden aan het verzoek ten grondslag. RET stelt dat de schending van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst door [verweerster] zo ernstig is dat sprake is van een dringende reden. Daartoe voert RET aan dat [verweerster] niet alleen de binnen RET geldende regel dat volledig alcohol- en drugsvrij dient te worden gewerkt heeft geschonden, maar ook heeft verzuimd om haar verantwoordelijkheid te nemen, hetgeen zij had moeten doen door op 2 maart 2015 voorafgaand aan haar dienst te melden dat zij (mogelijk) nog onder invloed van alcohol verkeerde. Hierdoor kan RET er niet meer vanuit gaan dat [verweerster] de veiligheid van haar passagiers voorop stelt.


5.3

[verweerster] betwist niet dat zij op de zaterdag- en zondagavond voorafgaand aan de aanvang van haar werkdag op maandag 2 maart 2015 om 06:00 uur alcohol heeft genuttigd. [verweerster] acht het onwaarschijnlijk dat zij op zaterdagavond meer dan 10 glazen alcohol heeft genuttigd en volgens haar betrof het 1 glas wijn op zondagavond. Wat er ook zij van het aantal door [verweerster] genuttigde glazen alcohol en de momenten waarop dat was, vast staat dat zij op maandag 2 maart rond kwart voor tien ’s ochtends een alcoholpromillage in haar bloed had van gemiddeld 0,18. [verweerster] heeft de juistheid van de uitkomst van de alcoholblaastest(en) onvoldoende gemotiveerd betwist. Haar stelling dat zij had moeten worden gewezen op de mogelijkheid een derde test te ondergaan bij de politie, miskent dat de mogelijkheid waarnaar [verweerster] verwijst, ziet op het geval dat er twijfel is over de juistheid van de ademanalyse die is uitgevoerd op kantoor van RET. Die twijfel was er echter niet. Nadat [verweerster] verbaasd had gereageerd op de uitslag van de eerste test, is een tweede test afgenomen. Die bevestigde de uitslag van de eerste test. Wellicht heeft dat de verbazing onverlet gelaten, de twijfel was toen wel weggenomen.


5.4

Het staat vast dat RET een zero tolerance beleid voor bestuurders hanteert ten aanzien van alcohol. Gelet op de uitslagen van de blaastest(en) was [verweerster] op maandagochtend 2 maart dan ook in overtreding van het beleid van RET. [verweerster] erkent dat zij bekend was met voornoemd beleid van RET, maar voert aan dat zij niet kon of moest weten dat er nog een residu alcohol in haar bloed zat bij aanvang van haar dienst op maandagochtend. [verweerster] voert aan dat het vermoeden bestaat dat bij haar sprake is geweest van een vertraagde afbraak van de door haar genuttigde alcohol, waardoor die veel langer in haar lichaam is achtergebleven dan verwacht mocht worden. [verweerster] voert echter niet voldoende gemotiveerd aan hoeveel glazen alcohol zij dan zou hebben genuttigd in de twee dagen voorafgaand aan haar dienst van 2 maart, op basis waarvan zij tot voornoemde conclusie komt. Sterker nog, [verweerster] geeft herhaaldelijk aan dat zij niet weet hoeveel glazen alcohol zij op zaterdagavond heeft genuttigd. Wel heeft zij gezegd zich zaterdagavond 'helemaal vol te hebben laten lopen.’ Zij weet ook niet meer hoe laat zij ongeveer naar bed is gegaan. [verweerster] geeft verder te kennen dat zij op zondag weinig eetlust had, hetgeen volgens haar mogelijk een wezenlijke en vertragende rol kan hebben gespeeld in het afbraakproces. Ook wijst zij op haar tengere postuur en op de omstandigheid dat zij ‘normaal eigenlijk nauwelijks drinkt’. Waar [verweerster] voornoemde omstandigheden in deze procedure aanvoert om aannemelijk te maken dat afgeweken zou moeten worden van de standaard berekening van de afbraaktijd van alcohol, leiden deze omstandigheden naar het oordeel van de kantonrechter echter juist tot de conclusie dat [verweerster] zich op maandagochtend had moeten realiseren dat er mogelijk nog een alcohol residu in haar bloed aanwezig was. Tot de door [verweerster] gewenste conclusie, dat vastgesteld wordt dat sprake is van vertraagde afbraak, leiden voornoemde omstandigheden niet. [verweerster] heeft haar verweer op dit punt daartoe onvoldoende (medisch) onderbouwd. In het midden kan dan ook blijven of zo’n vertraagde afbraak tot andere conclusies zou moeten leiden.


5.5

[verweerster] voert voorts aan dat het standpunt van RET in strijd is met het bij RET geldende beleid en niet in verhouding staat tot de feiten. Ter discussie staat wat [verweerster] betreft dus niet dát zij het beleid heeft overtreden en dát er een sanctie dient te volgen, maar welke sanctie passend en rechtens juist is. In dat kader is van belang dat, zoals hiervoor reeds is overwogen, geen aanleiding bestaat om bij [verweerster] uit te gaan van een ander afbraaksysteem dan gemiddeld volgens de alcoholcalculator op de website Jellinek. Dat betekent dat uitgaande van de uitkomst van een gemiddeld alcoholpromillage van 0,18 op basis van de blaastesten van 09:45 uur en 09:47 uur op maandagochtend (uitgaande van ongeveer 37,75 uren vanaf het eerste glas), er bij aanvang van de dienst van [verweerster] bij haar sprake is geweest van een alcoholpromillage van ongeveer 0,6 berekend op basis van 34 verstreken uren vanaf het eerste glas (op basis van 14,36 glazen alcohol). In het tweede lid van artikel 8 WVW 1994 is bepaald dat het een ieder verboden is een voertuig te besturen of als bestuurder te doen besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte hoger blijkt te zijn dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed. Dat betekent dat het op basis van de thans beschikbare gegevens zeer aannemelijk is dat [verweerster] ten tijde van het aanvangen van haar dienst op maandagochtend een alcoholpromillage had dat het (voor haar) geldende wettelijk toegestane maximum van 0,5 overschreed. De gedraging van [verweerster] is daarmee, los van werknemersverplichtingen, te kwalificeren als een strafrechtelijk delict.


5.6

Naar het oordeel van de kantonrechter is het overschrijden van de hiervoor genoemde wettelijk vastgestelde norm voor alcoholgebruik in het verkeer in de functie van buschauffeur onaanvaardbaar. Door het gedrag van [verweerster] heeft zij het gevaar op verwezenlijking van een ongeval - met alle daarmee mogelijk gepaard gaande verregaande gevolgen - vergroot. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent haar wetenschap respectievelijk niet-wetenschap van het zaterdagavond voorgevallene, had het op de weg van [verweerster] gelegen om haar alcoholgebruik in het weekend van zaterdag 28 februari en zondag 1 maart 2015 voorafgaand aan de aanvang van haar dienst op maandag 2 maart ter sprake te brengen bij RET. Middels een eenvoudige test had dan duidelijkheid kunnen worden verkregen en daarmee had zij kunnen bewerkstelligen dat de veiligheid van de passagiers van de RET kon worden gewaarborgd. Bovendien was het in dat geval niet onaannemelijk geweest dat RET het voorval had aangemerkt als incident of mogelijk tot het aanbieden van een alcoholcontract was overgegaan. Dat [verweerster] blijkbaar niet heeft getwijfeld over de aanwezigheid van een alcohol residu in haar bloed of ervoor heeft gekozen om die twijfel niet te melden, komt voor haar rekening en risico. Nu [verweerster] onder invloed van alcohol haar dienst daadwerkelijk heeft aangevangen, dus plaats heeft genomen achter het stuur, zijn voornoemde opties van de baan. De veiligheid van de betreffende passagiers kon niet worden gewaarborgd en het aanmerken van het voorval als incident of het aanbieden van een alcoholcontract is naar het oordeel van de kantonrechter onder de gegeven omstandigheden, gelet op de functie van [verweerster] met bijbehorende grote verantwoordelijkheid voor de veiligheid van anderen, geen passende oplossing. [verweerster] heeft trouwens ook geen absoluut recht op het aanmerken van het overtreden van het zero tolerance beleid als incident of het aanbieden van een alcoholcontract op grond van het beleid van RET. Naar het oordeel van de kantonrechter levert het overschrijden van het wettelijk vastgestelde maximale alcoholpromillage in het bloed van een bestuurder in het verkeer voor een werknemer in de functie van buschauffeur, ongeacht mogelijk bestaand ander of milder beleid bij de werkgever, in beginsel een dringende reden op voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Opgemerkt zij dat een zodanig promillage weliswaar niet objectief is vastgesteld, maar terugrekening middels de (als hiervoor overwogen in beginsel toepasselijke) Jellinek-calculator laat eigenlijk geen andere conclusie toe dan dat [verweerster] een strafbare hoeveelheid alcohol in haar bloed moet hebben gehad toen haar dienst aanving. Ten aanzien van het schriftelijk vastgelegde beleid van RET heeft daarenboven te gelden dat dat al meer dan 15 jaar oud is en het niet tussen partijen in discussie is dat het in de loop der jaren - onder invloed van maatschappelijke ontwikkelingen - aan verandering onderhevig is geweest. Dat die veranderingen (nog) niet schriftelijk zijn vastgelegd doet daaraan niet af.


5.7

Door [verweerster] is ten aanzien van de ‘dringendheid’, althans de ernst van haar overtreding, opgemerkt dat na de constatering van een sterke alcohollucht bij [verweerster] door de heer [H.], een collega, op 2 maart omstreeks 07:40 uur, [verweerster] nog ruim 1,5 uur de bus heeft bestuurd. RET heeft in reactie daarop verklaard dat collega’s elkaar onderling wel mogen aanspreken op afwijkend gedrag, maar dat is geen plicht. De instructie is om zo snel mogelijk de leidinggevende te informeren, die vervolgens actie kan ondernemen. Dat de heer [H.] er blijkbaar voor heeft gekozen om alleen de leidinggevende van [verweerster] in te schakelen en [verweerster] niet reeds zelf aan te spreken op de door hem waargenomen alcohollucht kan niet aan RET worden toegerekend en doet niet af aan de dringendheid van de gestelde reden en de ernst van de overtreding van [verweerster]. Immers, niet is betwist dat de leidinggevende van [verweerster] wél direct in actie is gekomen (opdracht heeft gegeven tot het ondernemen van actie door [H.]) nadat zij door [H.] was geïnformeerd. Opgemerkt wordt dat indien [H.] [verweerster] zelf meteen had aangesproken en [verweerster] daarop haar alcoholgebruik aan RET zou hebben ‘opgebiecht’, dat niet tot een ander oordeel in deze zaak zou hebben geleid. [verweerster] heeft ook verder geen feiten of omstandigheden aannemelijk gemaakt, op grond waarvan van het uitgangspunt zoals onder 5.6 weergegeven afgeweken zou moeten worden.


5.8

Een en ander leidt tot het oordeel dat de gedragingen van [verweerster] zijn te kwalificeren als een dringende reden en van RET redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst voort te laten duren. Het verzoek van RET zal dan ook worden toegewezen op de primaire grond. De arbeidsovereenkomst tussen partijen zal met ingang van 1 juni 2015 worden ontbonden.


5.9

Nu een dringende reden ten grondslag ligt aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, komt aan [verweerster] geen vergoeding toe.


5.10

[verweerster] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van

de procedure.



6De beslissing


De kantonrechter,


ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juni 2015 zonder toekenning van enige vergoeding aan [verweerster];


veroordeelt [verweerster] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van RET vastgesteld op € 116,00 aan griffierecht en € 400,00 aan salaris voor de gemachtigde.



Deze beschikking is gewezen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

703