Rechtbank Rotterdam, 17-06-2015 / C/10/458017 / HA ZA 14-869


ECLI:NL:RBROT:2015:5641

Inhoudsindicatie
Brand na slijpwerkzaamheden in scheepswand partyschip. Brandwacht verlaat kort na werkzaamheden schip voor lunchpauze. Toerekenbare tekortkoming. Beroep op exoneratiebeding in artikel 13.2 VNSI-voorwaarden slaagt. Geen grove schuld of opzet van organen van de scheepswerf of met de werf te vereenzelvigen leidinggevende functionarissen. Scheepswerf niet aansprakelijk.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-06-17
Publicatiedatum
2015-08-04
Zaaknummer
C/10/458017 / HA ZA 14-869
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel



zaaknummer / rolnummer: C/10/458017 / HA ZA 14-869


Vonnis van 17 juni 2015


in de zaak van


De vennootschap naar Belgisch recht

MS-DOCK BVBA,

gevestigd te Gent, België,

eiseres,

advocaat mr. J.C. van Zuethem,


tegen


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOORNAERT'S MACHINEFABRIEK EN SCHEEPSWERF “DE SCHROEF” B.V.,

gevestigd te Terneuzen,

gedaagde,

advocaat mr. J. Smit.



Partijen zullen hierna Dock en De Schroef genoemd worden.



1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - het tussenvonnis van 14 januari 2015, met de daaraan ten grondslag liggende stukken, waaronder de abusievelijk niet in het vonnis genoemde akte overlegging producties tevens akte houdende vermeerdering van eis van Dock van 20 augustus 2014, met producties,
  • - de akte overlegging producties tevens akte houdende vermeerdering van eis van Dock van 26 mei 2015, met producties,
  • - het proces-verbaal van comparitie van 26 mei 2015 en de daaraan gehechte comparitie-aantekeningen van de advocaten van beide partijen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De feiten

2.1.

Op 25 juli 2012 is tijdens door De Schroef in opdracht van Dock uitgevoerde werkzaamheden brand ontstaan aan boord van het aan Dock toebehorende partyschip m.s. ‘Dock’ (hierna: het schip).

De brand werd geconstateerd omstreeks 12.35 uur, aan het einde van de lunchpauze op de werf. Direct voor de om 12.15 uur aangevangen lunchpauze was er in de scheepshuid aan bakboordvoorzijde van het schip een drietal zaagsneden gemaakt, ter hoogte van de voormalige boegschroefruimte, opdat door de aldus te creëren opening de generator uit het schip zou kunnen worden gelicht. Aan de binnenzijde van de scheepshuid was in de betreffende ruimte een isolatielaag van polyurethaanschuim (hierna: purschuim) aangebracht. Niet duidelijk is of deze geheel of ten dele was afgedekt door betimmering.

Partijen hadden specifiek over deze werkzaamheden afgesproken dat De Schroef, ter verkleining van het risico dat bij de werkzaamheden brand zou ontstaan, de purschuimlaag zou afsteken ter plaatse van de zaagsneden, de scheepshuid niet zou openbranden maar openslijpen en brandwacht zou houden.

De slijpwerkzaamheden zijn vanaf de buitenzijde van het schip uitgevoerd door een werknemer van De Schroef met de voornaam [persoon1] , terwijl een werknemer van Tomicon, een onderaannemer van De Schroef, met de voornaam [persoon2] aan de binnenzijde van het schip brandwacht hield.

Kort voor het aanbreken van de lunchpauze zijn de slijpwerkzaamheden gestaakt. Brandwacht [persoon2] heeft vervolgens met instemming van voorman [persoon3] van De Schroef, die op dat moment de leiding had over het project bij afwezigheid van projectleider/voorman Baumann, het schip verlaten voor zijn lunchpauze.


2.2.

Branddeskundige [persoon4] heeft in opdracht van Dock en haar cascoverzekeraars de oorzaak van de brand onderzocht en rapport uitgebracht. Zijn conclusie luidt, voor zover relevant:


“Met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn gloeiende ijzerpartikels, die vrijkwamen tijdens het slijpen, op de horizontale verstevigingslat aan de binnenkant van het lokaal blijven liggen en hebben ten gevolge de goede warmtegeleiding van ijzer de polyurethaan in de onmiddellijke omgeving doen ontbranden. Dit wordt bevestigd door de vaststellingen in de oude boegschroefruimte.

De vaststellingen wijzen verder op een smeulbrand, waardoor tijdens de eerste minuten na het beëindigen van het slijpen, er niets abnormaals was vast te stellen.”


2.3.

Op de tussen partijen gesloten overeenkomst zijn de Algemene Werfvoorwaarden van de VNSI van toepassing (hierna: de VNSI-voorwaarden). Deze luiden, voor zover relevant:


“13.2 De Werf is nimmer aansprakelijk voor schade behoudens indien en in zoverre de geleden schade is veroorzaakt door opzet of grove schuld van de Werf. Behoudens opzet van de Werf is aansprakelijkheid van de Werf voor bedrijfs-, gevolg- of indirecte schade echter steeds uitgesloten. Onder grove schuld en opzet van de Werf is voor de toepassing van deze bepaling te verstaan grove schuld en opzet van zijn organen en met de Werf te vereenzelvigen leidinggevende functionarissen.


13.3

In alle gevallen waarin de Werf ondanks het bepaalde in lid 2 gehouden is tot betaling van schadevergoeding zal deze nooit hoger zijn dan 25% van de prijs van het uitgevoerde werk waardoor of in verband waarmee de schade is veroorzaakt (...).”


2.4.

Op 26 juli 2012 is De Schroef namens Dock aansprakelijk gehouden voor de door Dock geleden schade.


2.5.

De door Dock als gevolg van de brand geleden schade is ten dele vergoed door haar cascoverzekeraar.


2.6.

Op verzoek van Dock zijn drie getuigen gehoord in het kader van een voorlopig getuigenverhoor.


3Het geschil

3.1.

Dock vordert na vermeerdering van eis samengevat - veroordeling van De Schroef bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad tot betaling van € 253.328,34, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 25 juli 2012 althans de dag van de dagvaarding en vermeerderd met de proceskosten.


3.2.

Dock grondt haar vordering op de stelling dat De Schroef is tekortgeschoten in haar verplichtingen onder de met Dock gesloten overeenkomst van aanneming van werk, zodat De Schroef de schade die zij Dock hierdoor heeft toegebracht moet vergoeden op grond van artikel 6:74 BW.

Dock voert in dit verband aan dat de projectleider van De Schroef, [persoon3] , haar uitdrukkelijk had toegezegd dat De Schroef de nodige brandpreventiemaatregelen zou nemen, in het bijzonder het houden van brandwacht. Volgens Dock dient een brandwacht na het beëindigen van de werkzaamheden minimaal één uur aanwezig te blijven maar heeft De Schroef zich daaraan niet gehouden. Als professionele scheepswerf wist De Schroef of moest zij weten dat purschuim zeer brandgevaarlijk is en dat gloeiende ijzerpartikels die in de ruimte tussen betimmering en isolatie terechtkomen, ook lang na beëindiging van de werkzaamheden nog brand kunnen veroorzaken. Onder die omstandigheden was het volstrekt onverantwoord dat de brandwacht vertrok zodra met slijpen werd gestopt. De Schroef is extreem onzorgvuldig te werk gegaan, aldus nog steeds Dock.


3.3.

De Schroef voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Dock in de proceskosten, de kosten van het voorlopig getuigenverhoor daaronder begrepen.


3.4.

De Schroef betwist dat zij is tekortgeschoten en dat zij aansprakelijk is. In het bijzonder betwist De Schroef dat zij haar verplichting tot het houden van brandwacht onvoldoende is nagekomen.

De Schroef doet een beroep op de VSNI-voorwaarden. Zij voert ten eerste aan dat aansprakelijkheid ingevolge artikel 13.2 VNSI-voorwaarden is uitgesloten, nu geen sprake is van opzet of grove schuld van - kort gezegd - De Schroef zelf. Zij voert ten tweede aan dat zij op grond van dezelfde bepaling alleen voor - kort gezegd - gevolgschade, waaronder tijdverletschade, aansprakelijk kan zijn in geval van opzet, welk geval zich niet voordoet. Ten derde is de eventuele aansprakelijkheid van De Schroef op grond van artikel 13.3 van de VNSI-voorwaarden beperkt tot 25 procent van de prijs van het werk, en dus tot nihil - nu geen kosten voor deze werkzaamheden in rekening zijn gebracht - althans maximaal € 487,50, een kwart van de geoffreerde prijs voor deze werkzaamheden, € 1.950,, aldus nog steeds De Schroef.


3.5.

Op de verdere stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


4De beoordeling

4.1.

Partijen zijn het erover eens dat deze rechtbank ingevolge een gedane forumkeuze rechtsmacht heeft en bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. Ook zijn zij het erover eens dat ingevolge een gedane rechtskeuze het Nederlandse recht van toepassing is.


4.2.

Dock heeft ter comparitie een - tijdig tevoren aan de rechtbank en De Schroef toegezonden - akte genomen waarbij zij haar eis heeft vermeerderd. Nu De Schroef tegen deze eiswijziging geen bezwaar heeft gemaakt en de rechtbank ook geen aanleiding ziet om deze ambtshalve te weigeren, zal de rechtbank bij de beoordeling uitgaan van de vermeerderde eis.


4.3.

Dock baseert haar vordering op een toerekenbare tekortkoming van De Schroef in de nakoming van haar verplichtingen onder de overeenkomst tot aanneming van werk.

Dat Dock gerechtigd is deze vordering in te stellen, ook voor zover de schade reeds door haar cascoverzekeraars is vergoed, is niet langer in geschil nu De Schroef ter comparitie haar betwisting dat Dock last en volmacht heeft gekregen van de cascoverzekeraars niet heeft gehandhaafd.


4.4.

Met Dock is de rechtbank van oordeel dat De Schroef toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen. De Schroef heeft zich uitdrukkelijk verbonden tot het houden van brandwacht ter voorkoming van het brandrisico dat - naar niet in geschil is - voor beide partijen voorzienbaar was verbonden aan de door De Schroef uit te voeren slijpwerkzaamheden.

Partijen verschillen van mening over wat het houden van brandwacht concreet zou betekenen. Gesteld noch gebleken is dat partijen hierover bij het maken van deze afspraak hebben gesproken. Dock heeft ter comparitie slechts in algemene zin verklaard dat door [persoon3] aan [persoon5] , zaakvoerder van Dock, is voorgehouden dat hij zich over de veiligheid geen zorgen hoefde te maken. Dock stelt onder verwijzing naar een brief van de door haar geraadpleegde branddeskundige [persoon6] dat een brandwacht zijn post tenminste gedurende een uur na het beëindigen van de werkzaamheden niet mag verlaten. De Schroef betwist dit en voert aan dat in de verzekeringsbranche voor het houden van brandwacht door verschillende verzekeraars geen eensluidende richtlijnen worden gehanteerd, en dat de brandwacht onder de omstandigheden van dit geval de werkplek gedurende een korte periode van twintig minuten mocht verlaten nadat hij zich ervan had vergewist dat de situatie veilig was (althans leek), in die zin dat hij geen rook, smeulen of andere op brand wijzende feitelijkheden waarnam.

In dit - door Dock bestreden - standpunt kan De Schroef niet worden gevolgd. Het verrichten van slijpwerkzaamheden - met wegspringende hete ijzerdeeltjes - in een scheepshuid die aan de binnenzijde was bespoten met een flinke laag zeer brandbaar purschuim (welke laag slechts plaatselijk over een aantal centimeters breedte was weggestoken) was door partijen terecht herkend als een brandgevaarlijke situatie. Niet bestreden is dat De Schroef bekend was of als scheepswerf moest zijn met de kans dat gloeiende deeltjes op slecht of niet zichtbare plaatsen - bijvoorbeeld achter betimmering - zouden landen en daar tot smeulbrand konden leiden. Onder die omstandigheden kan het door de brandwacht verlaten van zijn post, binnen minuten na het beëindigen van het slijpen, met de bedoeling om pas na ongeveer vijftien tot twintig minuten terug te keren, niet als het adequaat houden van brandwacht worden beschouwd. Als de situatie al op het oog veilig was bevonden, zoals De Schroef stelt maar Dock betwist, dan nog maakt de feitelijke afloop van het incident voldoende duidelijk dat daarmee de daadwerkelijke afwezigheid van brandrisico niet vaststond. Juist daarom diende de brandwacht ‘wacht te houden’, aldus dat hij de daadwerkelijke veiligheid van de situatie zou bewaken (bij voortduring of door frequente controles) zolang als redelijkerwijs nog met het risico van (smeul)brand rekening moest worden gehouden.

Nu dit niet is gebeurd, is De Schroef tekortgeschoten. Er zijn geen redenen gesteld of gebleken waarom deze tekortkoming haar niet zou kunnen worden toegerekend.


4.5.

Gelet op de standpunten over en weer moet worden beoordeeld of sprake is van grove schuld van organen van De Schroef of van met De Schroef te vereenzelvigen leidinggevende functionarissen als bedoeld in artikel 13.2, eerste en derde zin, van de VNSI-voorwaarden.

Immers, tussen partijen is niet in geschil dat de toepasselijkheid van deze algemene voorwaarden is overeengekomen, en dat daarmee een van het wettelijk regime afwijkende aansprakelijkheidsregeling is getroffen dat voor aansprakelijkheid van De Schroef vereist dat de schade is veroorzaakt door opzet of grove schuld van De Schroef in de hierboven bedoelde zin.

Gesteld noch gebleken is dat partijen een andere invulling aan artikel 13.2 VNSI-voorwaarden hebben gegeven dan uit de bewoordingen ervan voortvloeit. De rechtbank zal dus uitgaan van de normale betekenis van de bewoordingen van deze bepaling. [persoon3] , wiens instemming met het door de brandwacht verlaten van zijn post gedurende de lunchpauze volgens Dock roekeloos was en grove schuld oplevert, kwalificeert niet als orgaan van De Schroef of als met de werf te vereenzelvigen functionaris van De Schroef als bedoeld in artikel 13.2 VNSI-voorwaarden. Ter comparitie heeft De Schroef onder verwijzing naar de met [persoon3] gesloten arbeidsovereenkomst verklaard dat hij geen leidinggevend functionaris was maar de functie ‘meewerkend voorman’ had, welke functie lager in rang was dan de door de heer Baumann beklede functie ‘projectleider/voorman’, dat geen van beiden leidinggevend functionaris was en dat [persoon3] geen deel uitmaakte van het bestuur van de vennootschap. Dock heeft een en ander niet betwist, maar aangevoerd dat [persoon3] gedurende de vakantie van de heer Baumann diens taken overnam en is gepresenteerd en functioneerde als degene die namens De Schroef contact had met Dock als klant, de leiding had over het project en instructies gaf aan de daarbij betrokken werknemers van De Schroef. [persoon3] was dus feitelijk leidinggevende en de interne gezagsverhoudingen daarachter zijn minder van belang, aldus Dock.

Dit betoog faalt. Ook het naar buiten toe optreden als feitelijk leidinggevende met betrekking tot een project (de aan het schip te verrichten werkzaamheden) rechtvaardigt niet de conclusie dat [persoon3] een met de werf te vereenzelvigen functionaris van De Schroef was.


4.6.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat toepassing van artikel 13.2 VNSI-voorwaarden tot gevolg heeft dat De Schroef niet aansprakelijk is voor de schade die Dock als gevolg van de brand aan het schip heeft geleden.


4.7.

Dock betoogt echter dat artikel 13.2 VNSI-voorwaarden in het onderhavige geval buiten toepassing moet blijven.

Aan toepassing van de exoneraties in de VNSI-voorwaarden staat niet in de weg dat De Schroef na het overeenkomen van deze voorwaarden specifiek heeft toegezegd dat zij bepaalde brandpreventiemaatregelen zou nemen. Het maken van deze afspraken had immers niet tot gevolg dat daarmee de contractuele risicoverdeling werd gewijzigd, aldus dat De Schroef daarmee het brandrisico op zich nam of de afwezigheid van brand garandeerde. Ook ter comparitie heeft Dock dit standpunt desgevraagd niet ingenomen. Zonder zodanige verder reikende afspraak blijft gelden dat wanneer De Schroef te kort schiet in het uitvoeren van die preventieve maatregelen, haar aansprakelijkheid wordt begrensd conform de in de VNSI-voorwaarden neergelegde bedingen.

De rechtbank volgt Dock evenmin in haar standpunt dat de exoneratiebedingen in de VNSI-voorwaarden buiten toepassing moeten blijven op grond van artikel 6:248 lid 2 BW, omdat de toepassing daarvan onder de omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

Naar vaste rechtspraak is slechts onder zeer bijzondere omstandigheden ruimte voor het buiten toepassing laten van een door contractspartijen willens en wetens gemaakte afspraak. Dat is in dit geval niet anders, zeker niet nu beide partijen handelden in de uitoefening van hun bedrijf en Dock, in de persoon van [persoon5] , zich ten tijde van het aanvaarden van de toepasselijkheid van de VNSI-voorwaarden de strekking daarvan realiseerde. Hij heeft immers zelf verklaard dat hij tekende in de veronderstelling dat de algemene voorwaarden geen stand zouden houden als daar ‘gekke dingen’ in zouden staan. Dock voert ter onderbouwing van haar beroep op artikel 6:248 lid 2 BW aan dat De Schroef, door te handelen zoals [persoon3] heeft gedaan, volstrekt onverantwoordelijk en extreem roekeloos heeft gehandeld. Dit standpunt treft geen doel. Uit het in r.o. 4.5 gegeven oordeel volgt dat geen sprake is van grove schuld van De Schroef zelf of van functionarissen die met haar kunnen worden vereenzelvigd. Opzet is gesteld noch gebleken. Bij die stand van zaken is slechts sprake van fouten van een werknemer van De Schroef (en mogelijk van een werknemer van haar hulppersoon Tomicon) en mogelijk zelfs van diens grove schuld (de rechtbank laat dit in het midden). Maar partijen zijn in artikel 13.2 VNSI-voorwaarden nu juist overeengekomen dat De Schroef niet aansprakelijk is voor fouten, grove schuld en zelfs opzet van anderen dan de in die bepaling bedoelde organen en functionarissen van De Schroef. Het is dan ook aan Dock om bijkomende redenen aan te voeren waarom deze afspraak onder de omstandigheden van dit geval toch geen stand kan houden. De stelling dat [persoon3] - samengevat - grove schuld valt te verwijten, is daartoe onvoldoende.


4.8.

Ter zitting heeft [persoon5] nog verklaard dat hij de opdracht tot het verwijderen van de generator nooit zou hebben gegeven indien De Schroef daarbij zou hebben gezegd dat zij niet aansprakelijk zou zijn behoudens ingeval van grove schuld. Deze stelling kan Dock niet baten, nu zij op het betreffende moment reeds bekend mocht worden verondersteld met de door haar voor akkoord getekende VNSI-voorwaarden en gesteld noch gebleken is dat op De Schroef een bijzondere verplichting rustte om Dock ten tijde van de aanvullende opdracht nog eens op de inhoud van die voorwaarden te wijzen.


4.9.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep van De Schroef op de uitsluiting van aansprakelijkheid slaagt, zodat de vorderingen van Dock moeten worden afgewezen.


4.10.

Dock zal als in de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de zijde van De Schroef, de kosten van het voorlopig getuigenverhoor daaronder begrepen.

Deze worden begroot op:

- griffierecht € 3.829,00

- salaris advocaat € 5.000,00 (2,5 punten (antwoord, comparitie,

bijwonen voorlopig getuigenverhoor)

× tarief € 2.000,00)

Totaal € 8.829,00.


5De beslissing

De rechtbank


5.1.

wijst de vorderingen af,


5.2.

veroordeelt Dock in de proceskosten, aan de zijde van De Schroef tot op heden begroot op € 8.829,00.




Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2015.


1885/1573