Rechtbank Rotterdam, 09-07-2015 / C/10/467773 / FT EA 15/972


ECLI:NL:RBROT:2015:5676

Inhoudsindicatie
verzoek dwangakkoord afgewezen. Gelet op alle omstandigheden van het geval komt het de rechtbank voor dat verzoeker er, met medewerking van familieleden, alles aan heeft gedaan om te komen tot een resultaat waarbij hij en zijn echtgenote hun koopwoning kunnen behouden en hij tegen een relatief geringe betaling gekweten zal zijn van de vordering van de weigerende schuldeiser. Mede gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat in dit geval het alternatief van een faillissement dan wel de wettelijke schuldsaneringsregeling meer waarborgen biedt voor de schuldeisers, waaronder de weigerende schuldeiser, vanwege de alsdan geldende wettelijke bepalingen, waaronder de bevoegdheden van een curator of bewindvoerder en het toezicht door een rechter-commissaris.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-07-09
Publicatiedatum
2015-10-12
Zaaknummer
C/10/467773 / FT EA 15/972
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Insolventie


rekestnummer: [nummer]

uitspraakdatum: 9 juli 2015


afwijzen gedwongen schuldregeling


in de zaak van:


[naam verzoeker] [naam verzoeker]

wonende te [adres]

[woonplaats] ,

verzoeker.


1De procedure


Verzoeker heeft op 11 maart 2015, na op 13 januari 2015 een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling te hebben ingediend, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid van de Faillissementswet ingediend om een tweetal schuldeisers, te weten:

  • - de Dienst Uitvoering Onderwijs, hierna: DUO;
  • - de heer [naam schuldeiser] en mevrouw [naam schuldeiseres] , hierna: [naam schuldeiser] c.s.,

die weigeren mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.


DUO heeft voorafgaande aan de zitting, bij brief van 12 mei 2015, aan de rechtbank te kennen gegeven alsnog in te stemmen met de aangeboden schuldregeling. Het verzoek ten aanzien van DUO wordt derhalve als ingetrokken beschouwd.


Ter zitting van 21 mei 2015 zijn verschenen en gehoord:

  • - verzoeker voornoemd;
  • - mr. E. van Gruijthuijsen, advocaat van verzoeker;

- [naam schuldeiser] c.s.;

- mr. A.C.A.D. Bakker, advocaat van [naam schuldeiser] c.s.


Ter terechtzitting is de behandeling aangehouden om verzoeker in de gelegenheid te stellen nadere stukken in het geding te brengen, waarna [naam schuldeiser] c.s. in de gelegenheid zou worden gesteld daarop te reageren. Per brief van 3 juni 2015 heeft de advocaat van verzoeker vervolgens stukken overgelegd. Namens [naam schuldeiser] c.s. is hierop per brief van 17 juni gereageerd. De uitspraak is bepaald op heden.


2Het verzoek


Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift zes schuldeisers, waarvan één preferente en vijf concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben volgens het verzoekschrift thans in totaal een bedrag van € 607.709,00 van verzoeker te vorderen. Het huidige aanbod is volgens het verzoek gebaseerd op de volgende schulden:

[naam schuldeiser] c.s. € 151.792,00

[naam 1] B.V. € 230.000,00

[naam 2] B.V. € 134.000,00

[naam 2] € 75.000,00

Belastingdienst € 11.588,00

DUO € 5.329,00


Verzoeker heeft bij brief van 24 december 2013 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers. Toentertijd was, in afwijking van de thans gestelde schuldenlast, uitgegaan van een vordering van [naam schuldeiser] c.s. van € 264.000,00 en een vordering van DUO van € 5.276,00. Ten opzichte van de toen aangeboden uitkering valt de thans aangeboden uitkering iets hoger uit (9,69% preferent en 4,84 concurrent nu ten opzichte van 8,20% preferent en 4,10% concurrent toen).


Het aangeboden akkoord wordt gefinancierd door een derde, de broer van verzoeker, die daartoe een éénmalig krediet van € 30.000,00 ter beschikking heeft gesteld. De broer van verzoeker is nog steeds bereid dit saneringskrediet ter beschikking te stellen. Verzoeker stelt dat het aanbod het uiterste is waartoe hij in staat moet worden geacht. Gezien zijn chronische ziekte is zijn verdiencapaciteit minimaal. Toepassing van de schuldsaneringsregeling zal voor de schuldeisers aanzienlijk minder opleveren.


In het verzoekschrift is toegelicht dat de schuld aan [naam 2] B.V., een vennootschap waarvan de moeder van verzoeker enig aandeelhouder en bestuurder is, is ontstaan doordat de oorspronkelijke schuldeiser, ABN Amro, haar vordering op verzoeker voor een bedrag van € 6.700,00, zijnde ongeveer 5% van de oorspronkelijke vordering, aan [naam 2] B.V. heeft overgedragen.


Vijf schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [naam schuldeiser] c.s. stemt hier niet mee in. Over de hoogte van de vordering van [naam schuldeiser] c.s. bestaat discussie. Verzoeker heeft in zijn verzoek aangegeven bij zijn aanbod uit te gaan van een vordering ten bedrage van € 151.792,06, het bedrag waar ook [naam schuldeiser] c.s. van uit gaat.


3Het verweer


Namens [naam schuldeiser] c.s. is verweer gevoerd tegen het verzoek. Het verweer kan – voor zover relevant – als volgt worden samengevat.


[naam schuldeiser] c.s. voert aan dat de schuldregeling niet door een onafhankelijke en deskundige partij is getoetst en dat de schuldregeling niet goed en betrouwbaar is gedocumenteerd. De voorgestelde regeling is door de advocaat van verzoeker getoetst, die volgens [naam schuldeiser] c.s. niet als onafhankelijke partij kan worden beschouwd. Bovendien wordt de Belastingdienst opgevoerd als schuldeiser terwijl deze schuldeiser reeds is voldaan. De vordering van de echtgenote van verzoeker, mevrouw [naam 3] , is in de correspondentie tussen de advocaten van partijen nimmer ter sprake gekomen. Het komt [naam schuldeiser] c.s. voor dat verzoeker fictieve vorderingen van familieleden opvoert teneinde zijn kansen op het tot stand brengen van een schuldregeling te vergroten. Daar komt bij dat in het voorstel van verzoeker schuldeiser [naam 2] B.V. wordt bevoordeeld. Zij heeft de oorspronkelijke schuldeiser ABN Amro immers een bedrag van € 6.700,00 betaald, waarna ABN Amro finale kwijting heeft verleend. Als de door verzoeker beoogde schuldregeling zou worden toegewezen, zou [naam 2] B.V. € 6.491,00 ontvangen en ontvangt zij dus vrijwel de volledige koopsom terug. Daardoor wordt zij bevoordeeld ten opzichte van de overige schuldeisers.


Tot slot heeft verzoeker volgens [naam schuldeiser] c.s. niet voldoende duidelijk gemaakt dat het aanbod het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Volgens [naam schuldeiser] c.s. heeft verzoeker niet aangetoond dat hij dusdanig ziek is dat hij geen beter betaalde dienstbetrekking zou kunnen verwerven dan zijn huidige betrekking. Dat verzoeker meer inkomsten zou moeten hebben volgt onder meer uit het feit dat hij gedurende bijna tien jaar procedures tegen [naam schuldeiser] c.s. heeft kunnen bekostigen.


[naam schuldeiser] c.s. is er niet van overtuigd dat zijn belangen bij het voorgesteld akkoord optimaal gewaarborgd zijn. In alle redelijkheid kan [naam schuldeiser] c.s. derhalve niet worden gedwongen medewerking te verlenen aan het aangeboden akkoord. [naam schuldeiser] c.s. concludeert dat het verzoek van [naam verzoeker] moet worden afgewezen.


4De beoordeling


Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [naam schuldeiser] c.s. bij zijn weigering vast.


De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [naam schuldeiser] c.s. in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.


De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.


Vooropgesteld wordt dat de vordering van [naam schuldeiser] c.s. een aanzienlijk aandeel vormt in de totale schuldenlast (te weten circa 25 % daarvan). Gelet daarop zal niet snel kunnen worden geoordeeld dat [naam schuldeiser] c.s. in redelijkheid niet kon weigeren om met de schuldregeling in te stemmen. Verder is van belang dat het resterende deel van de schuldenlast – inmiddels – grotendeels bestaat uit schulden aan (vennootschappen van) familieleden van verzoeker.


Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat het voorstel is getoetst door een onafhankelijke partij. Het voorstel is kennelijk door de advocaat van verzoeker opgesteld en aangeboden. Er dient van uit te worden gegaan dat een advocaat in de eerste plaats opkomt voor de belangen van zijn cliënt. De rechtbank onderkent dat een advocaat bevoegd is tot afgifte van een verklaring als bedoeld in artikel 285 lid 1 sub f van de Faillissementswet. Dit maakt echter niet dat de inhoudelijke betrokkenheid van de door verzoeker ingeschakelde advocaat bij de totstandkoming van het voorstel kan worden aangemerkt als een toetsing van dat voorstel door een onafhankelijke partij.


Verzoeker heeft voorts ter terechtzitting verklaard dat de vordering aan de Belastingdienst niet langer bestaat. In de zomer van 2014 heeft de moeder van verzoeker een bedrag van € 1.100,00 tegen finale kwijting betaald. De schuld aan de Belastingdienst is derhalve ten onrechte alsnog als schuld in het verzoek opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat verzoeker met het opnemen van deze schuld in het verzoek een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven.


Verder is van belang dat op de schuldenlijst een schuld is opgenomen aan de echtgenote van verzoeker van € 75.000,00. Volgens verzoeker betreft de schuld een schatting van het door hem verschuldigde deel van de hypotheekbetalingen gedurende vijf jaar. Hiervan uitgaande zou het door verzoeker verschuldigde hypotheekbedrag € 15.000,00 per jaar bedragen, derhalve € 1.250,00 netto per maand. Ter terechtzitting heeft verzoeker evenwel verklaard dat de netto hypotheeklast (€ 3.412,00 -/- € 710,00 belastingteruggave) € 2.702,00 bedraagt en dat daarop nog € 1.500,00 netto in mindering moet worden gebracht in verband met huurinkomsten van het bedrijf van zijn vrouw. Daarmee resteert een netto hypotheeklast van € 1.202,00 per maand voor verzoeker en zijn echtgenote tezamen. Onverklaarbaar is waarom dan ter zake van hypotheeklasten een bedrag van € 1.250,00 per maand ten laste van verzoeker zou moeten komen. Dit maakt dat vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de juistheid van (de hoogte van) de door verzoeker opgevoerde vordering van zijn echtgenote. Dit geldt te meer nu verzoeker niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe deze vordering zich verhoudt tot het in de tussen verzoeker en zijn echtgenote geldende huwelijkse voorwaarden opgenomen verrekenbeding.


Het voorgaande leidt tot het oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat het aanbod goed en controleerbaar is gedocumenteerd.


De rechtbank is daarnaast van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Sinds het faillissement van zijn onderneming in 2010 is hij in dienst bij de vennootschap van zijn echtgenote. Ter terechtzitting heeft verzoeker verklaard dat dit bedrijf dezelfde activiteiten uitoefent als het [naam onderneming] , dat van [jaartal 1] tot [jaartal 2] heeft bestaan. Zijn netto-inkomen van € 1.200,00 is met ingang van 1 januari 2015 met € 300,00 toegenomen tot circa € 1.500,00. Waarin dit verschil is gelegen, is overigens niet duidelijk geworden. Dat verzoeker gelet op een chronische ziekte een beperkte verdiencapaciteit zou hebben en niet in staat moet worden geacht meer te verdienen dan hij op dit moment doet, is onvoldoende onderbouwd. De enkele mededeling van zijn internist dat hij diabetes heeft en zeer goed ingesteld is, is daartoe onvoldoende. De rechtbank kan dus niet zonder meer vaststellen dat de huidige afloscapaciteit van verzoeker het maximale is waar hij toe in staat moet worden geacht en dat dit blijvend is.


Tot slot heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verzoeker heeft ter terechtzitting verklaard dat de vordering van ABN AMRO Bank N.V. met de overname door [naam 2] B.V. niet teniet is gegaan en dat daarom de volledige vordering van € 134.000,00 als schuld aan [naam 2] B.V. in het verzoek is opgevoerd. Verzoeker heeft zodoende een externe schuldeiser (tegen betaling van een gering bedrag) vervangen door een onderneming die gedreven wordt door de moeder van verzoeker.



Verzoeker had, in elk geval gelet op:

a. het feit dat het aanbod is opgesteld door zijn advocaat;

b. het feit het aanbod is gefinancierd door een familielid van verzoeker;

c. de omstandigheid dat, met uitzondering van de weigerende schuldeiser en DUO (die een relatief lage vordering had), alle schuldeisers aan wie een aanbod is gedaan – inmiddels – familieleden van verzoeker (of door familieleden van verzoeker gecontroleerde rechtspersonen) zijn;

c. het feit dat verzoeker in loondienst is bij de vennootschap van zijn echtgenote en dat hij reeds geruime tijd ondanks zijn beperkte inkomen (en dat van zijn echtgenote) woonachtig is in een koopwoning waarvan het deel van de netto-hypotheeklast dat volgens verzoeker voor zijn rekening komt hoger is dan zijn netto inkomen (nog daargelaten de door hem in zijn VTLB-berekening opgevoerde overige kosten in verband met die woning van € 543,00 per maand);

naar het oordeel van de rechtbank maximale transparantie moeten betrachten jegens zijn schuldeisers, onder wie [naam schuldeiser] c.s. Dit heeft verzoeker niet gedaan. Gelet op alle omstandigheden komt het de rechtbank voor dat verzoeker er, met medewerking van familieleden, alles aan heeft gedaan om te komen tot een resultaat waarbij hij en zijn echtgenote hun koopwoning kunnen behouden en hij tegen een relatief geringe betaling gekweten zal zijn van de vordering van [naam schuldeiser] c.s. Mede gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat in dit geval het alternatief van een faillissement dan wel de wettelijke schuldsaneringsregeling meer waarborgen biedt voor de schuldeisers, waaronder [naam schuldeiser] c.s., vanwege de alsdan geldende wettelijke bepalingen, waaronder de bevoegdheden van een curator of bewindvoerder en het toezicht door een rechter-commissaris.


Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van [naam schuldeiser] c.s. als weigerende schuldeiser zwaarder wegen dan die van verzoeker of de overige schuldeisers. Het verzoek om [naam schuldeiser] c.s. te bevelen in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.


De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.



5De beslissing


De rechtbank:


- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.



Dit vonnis is gewezen door mrs. A.M. van Kalmthout, voorzitter, W.J. Geurts-de Veld, rechter, en mr. C. de Jong, rechter-plaatsvervanger, en in aanwezigheid van mr. D.G. Zwanenburg, griffier, in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2015.


De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.