Rechtbank Rotterdam, 29-06-2015 / 476832-3-4 / HA RK 15-433-4-5


ECLI:NL:RBROT:2015:5684

Inhoudsindicatie
Wrakingsverzoek afgewezen. Verzoekers leggen - naar de kern genomen - aan hun verzoek ten grondslag dat de in de beschikking van 21 mei 2015 vervatte beslissing van de rechter-commissaris, gelet op hetgeen zij in dat kader aangevoerd hebben, ontoereikend gemotiveerd is en dat om die reden sprake is van een onbegrijpelijke beslissing. De wrakingskamer is van oordeel dat de beslissing van de rechter-commissaris van 21 mei 2015 waarin hij de argumenten van de verdediging en die van de officier van justitie heeft afgewogen, noch de motivering daarvan zozeer onbegrijpelijk is tegen die achtergrond, dat het niet anders kan dan dat die beslissing is ingegeven door vooringenomenheid jegens verzoekers.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-06-29
Publicatiedatum
2015-08-05
Zaaknummer
476832-3-4 / HA RK 15-433-4-5
Procedure
Wraking
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken


Zaaknummer / rekestnummers: 476832 / HA RK 15-433, 476833 / HA RK 15-434 en 476834 / HA RK 15-435


Beslissing van 29 juni 2015


op het verzoek van


1[naam verzoeker 1],

wonende te [woonplaats],

2. [naam verzoeker 2],

wonende te [woonplaats], en

3. [naam verzoeker 3],

wonende te [woonplaats],

verzoekers,

advocaten: mrs. E. Manders en A. Stoop,


strekkende tot wraking van:

mr. E.A. Vroom, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechter-commissaris).



1Het procesverloop en de processtukken


De rechtbank Rotterdam, afdeling publiekrecht, team Straf, heeft op 22 oktober 2013 in de strafzaken tegen verzoekers met parketnummers 10/175009-04, 10/175010-04 en 10/175011-04 en die tegen een medeverdachte in het onderzoek ‘Napels’ een beslissing genomen op door de verdediging op de regiezitting van 14 oktober 2013 geuite onderzoekswensen. Daarbij heeft de rechtbank - voor zover van belang - bepaald:


Het verzoek tot inzage in het ‘bibliotheekdossier’, waar het BOB-dossier kennelijk deel van uitmaakt, wordt toegewezen. De verdediging kan aangeven welke stukken zij aan het dossier toegevoegd wenst te zien.


De zaak wordt verwezen naar de rechter-commissaris teneinde een en ander in goede banen te leiden en, indien zich daarover een geschil zou voordoen, te beslissen over de termijn van de inzage en de toevoeging van stukken aan het dossier.


Verzoekers hebben in vervolg daarop het bibliotheekdossier ingezien en zij hebben naar aanleiding daarvan de rechter-commissaris bij per e-mail verzonden brief van 8 augustus 2014 een verzoek tot voeging van een aantal stukken aan het procesdossier gedaan.


Bij per e-mail verzonden brief van 5 januari 2015 aan de rechter-commissaris heeft de officier van justitie gereageerd op die verzoeken en uitvoerig gemotiveerd geconcludeerd tot afwijzing daarvan.


Bij beschikking van 21 mei 2015 heeft de rechter-commissaris op de voet van artikel 34 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering (Sv.) beslist op voornoemde verzoeken.


Namens verzoekers is op 25 mei 2015 aan de algemeen secretaris van de wrakingskamer een bericht gezonden waarin wordt medegedeeld dat het bericht strekt tot wraking van de rechter-commissaris en dat de gronden van dat verzoek feitelijk nader zullen worden aangevuld. Op 27 mei 2015 is per fax een “wrakingsverzoek ex artikel 512 Sv” ingediend.


De wrakingskamer heeft kennisgenomen van het strafdossier met de hiervoor genoemde parketnummers, waarin zich onder meer bevinden de hiervoor aangehaalde stukken.


Verzoekers, de rechter-commissaris en de officier van justitie zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zal worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter-commissaris is in de gelegenheid gesteld voorafgaand aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter-commissaris heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij e-mail van 11 juni 2015. De behandelend officier van justitie heeft per e-mail van 29 mei 2015 gereageerd.


Ter zitting van 15 juni 2015, alwaar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn namens verzoekers verschenen de mrs. E. Manders en A. Stoop. Daarnaast zijn verschenen de rechter-commissaris en de officier van justitie mr. I.C.M.E. Meissen. De raadslieden van verzoekers, de rechter-commissaris en de officier van justitie hebben hun standpunten nader toegelicht, de officier van justitie aan de hand van aantekeningen. Van het overigens ter zitting verhandelde heeft de griffier aantekening gehouden.



2Het verzoek en het verweer daartegen


2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek hebben verzoekers, zoals ter zitting nader toegelicht en ingeperkt, het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

De rechter-commissaris heeft zijn in de beschikking van 21 mei 2015 opgenomen beslissing om (met name) de verzoeken tot voeging van de projectvoorstellen, de voortgangsverslagen en het onderzoek van de Erasmus Universiteit af te wijzen niet inhoudelijk gemotiveerd, hetgeen onbegrijpelijk is in het licht van de uitgebreide motivering van die verzoeken. Hetzelfde geldt voor de beslissing om het verzoek tot inzage in de politiejournaals af te wijzen, althans niet aanstonds toe te wijzen. Hoewel verzoekers de verzoeken gedaan hebben nadat zij het bibliotheekdossier hadden ingezien en het dus nieuwe verzoeken betreft, en verzoekers de verzoeken uitgebreid hebben onderbouwd, motiveert de rechter-commissaris voornoemde beslissingen slechts door in zijn algemeenheid te verwijzen naar uitspraken van de rechtbank en het gerechtshof in de strafzaak van verzoekers en een medeverdachte.

De rechter-commissaris heeft dan ook de schijn gewekt geen belang te hechten aan de uitkomsten van op verzoek van verzoekers toe te voegen stukken en de objectieve schijn gewekt een vooringenomenheid jegens verzoekers te koesteren.


2.2

De rechter-commissaris heeft niet in de wraking berust.

De rechter-commissaris bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat geen sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking kan opleveren, mede gelet op het juridische kader waarin hij zijn beslissingen op de voet van artikel 34 Sv. heeft genomen en de verhouding tussen de beslissingsbevoegdheid van de rechter-commissaris op die voet, en die van de zittingsrechter op de voet van

artikel 315 Sv.


2.3

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en heeft daartoe het volgende - verkort en zakelijk weergegeven - aangevoerd:

De rechter-commissaris heeft zijn beslissingen in de beschikking van 21 mei 2015 voldoende gemotiveerd. Er zijn dan ook geen aanwijzingen van vooringenomenheid aan de zijde van de rechter-commissaris. Een verzoek tot wraking is niet bedoeld om onwelgevallige beslissingen van de rechter-commissaris aan te vechten.



3De beoordeling


3.1

De wrakingskamer merkt de hiervoor onder 1 genoemde fax van verzoekers aan de algemeen secretaris van de wrakingskamer d.d. 25 mei 2015 aan als de aankondiging van het wrakingsverzoek en de brief van verzoekers aan de wrakingskamer d.d. 27 mei 2015 als het eigenlijke wrakingsverzoek. Het verzoek is tijdig gedaan en de daaraan ten grondslag gelegde feiten of omstandigheden worden aangemerkt als tegelijk te zijn voorgedragen.



Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoekers een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoekers geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.


3.3

Vooropgesteld moet worden dat een voor een partij onwelgevallige beslissing van een rechter op zichzelf geen grond voor wraking oplevert. Dat geldt ook indien die beslissing op het oog mogelijk onjuist is, en ook indien er geen hogere voorziening mocht openstaan tegen die beslissing.


3.4

Dat kan anders zijn indien een aangevochten beslissing of de motivering daarvan zozeer onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven.



Bij de mondelinge behandeling van het onderhavige verzoek is vastgesteld dat verzoekers

- naar de kern genomen - aan hun verzoek ten grondslag leggen dat de in de beschikking van 21 mei 2015 vervatte beslissing van de rechter-commissaris, gelet op hetgeen zij in dat kader aangevoerd hebben, ontoereikend gemotiveerd is en dat om die reden sprake is van een onbegrijpelijke beslissing in de hiervoor onder 3.4 genoemde zin. Het volgende wordt hieromtrent overwogen.

3.6

De rechter-commissaris is in zijn beschikking de inhoudelijke beoordeling van de aan hem voorgelegde verzoeken van verzoekers begonnen met het schetsen van het juridisch kader, te weten de door de Hoge Raad geformuleerde relevantieregel. Vervolgens heeft de rechter-commissaris er blijk van gegeven kennis te hebben genomen van eerdere uitspraken van de rechtbank en het gerechtshof betreffende het zogenaamde Alijda-project waarop de onderzoekswensen ook thans zien en van het standpunt van de zaaksofficier ter zake de aan de rechter-commissaris na verwijzing door de rechtbank voorgelegde verzoeken van verzoekers en de medeverdachte. Ten slotte heeft de rechter-commissaris geoordeeld dat het verzoek van verzoekers, in het licht van voornoemde uitspraken en het standpunt van de zaakofficier, onvoldoende concreet onderbouwd is en dat de verzoeken om die reden hetzij dienen te worden afgewezen, hetzij moeten aangehouden in afwachting van door hem opgedragen nader onderzoek. De wrakingskamer is van oordeel dat de beslissing van de rechter-commissaris van 21 mei 2015 waarin hij de argumenten van de verdediging en die van de officier van justitie heeft afgewogen, noch de motivering daarvan zozeer onbegrijpelijk is tegen die achtergrond, dat het niet anders kan dan dat die beslissing is ingegeven door vooringenomenheid jegens verzoekers.


3.7

Het verzoek is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.



4De beslissing


wijst af het verzoek tot wraking van mr. E.A. Vroom.


Deze beslissing is gegeven door mr. A.J.P. van Essen, voorzitter, mr. O.E.M. Leinarts en mr. W.J. Roos-van Toor, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juni 2015 in tegenwoordigheid van mr. E.M. Beumer-van der Niet, griffier.













Verzonden op:

aan:

- mr. E. Manders;

- mr. A. Stoop;

- mr. A.E. Vroom;

- mr. I.C.M.E. Meissen;

- mr. M.A. Boheur.