Rechtbank Rotterdam, 09-01-2015 / ROT 14-2389, ROT 14-2390, ROT 14-2392, ROT 14-2393, ROT 14-2395, ROT 14-2396 en ROT 14-2397


ECLI:NL:RBROT:2015:57

Inhoudsindicatie
Beroepen inzake het niet tijdig beslissen op informatieverzoeken. Niet tijdig betalingen griffierecht in de vele niet samenhangende zaken. Hoogte totale griffierecht hangt samen met de hoeveelheid beroepen. Niet betalen is een verzuim en leidt tot niet-ontvankelijkheid. Het verzet tegen de vereenvoudigde afdoening is ongegrond.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-01-09
Publicatiedatum
2016-10-13
Zaaknummer
ROT 14-2389, ROT 14-2390, ROT 14-2392, ROT 14-2393, ROT 14-2395, ROT 14-2396 en ROT 14-2397
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1


zaaknummers: ROT 14/2389, 14/2390, 14/2392, 14/2393, 14/2395, 14/2396, 14/2397


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2015 als bedoeld in artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzet van


[Naam], te Rhoon, opposant,


tegen de uitspraak van de rechtbank van 26 augustus 2014 in het geding tussen opposant en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ridderkerk (hierna: verweerder) over het niet tijdig beslissen door verweerder,


met als derde partij: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Albrandswaard.



Procesverloop


Opposant heeft op 22 augustus 2013 digitaal beroep ingesteld tegen het uitblijven van meerdere besluiten. Bij brief van 23 augustus 2013 is de ontvangst van dit beroep door de rechtbank bevestigd en aan opposant meegedeeld dat voorlopig een beroep met zaaknr. 13/5398 is aangelegd, welk beroep vanwege de spoedeisendheid daarvan versneld zal worden behandeld. In deze brief is opposant verzocht binnen twee weken aan te geven op welke informatieverzoeken/bezwaren het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit (fictieve weigering) zich richt. Opposant heeft bij brief van 27 augustus 2013 hierop gereageerd.


De rechtbank heeft opposant bij brief van 6 november 2013 meegedeeld dat uit zijn reactie van 27 augustus 2013 is opgemaakt dat het beroep is gericht tegen 37 verschillende fictieve weigeringen. Opposant is tevens meegedeeld dat aan de hand van de bij het beroep overgelegde ingebrekestellingen zal worden onderzocht tegen welke fictieve weigering elk beroep is gericht aan de hand waarvan de beroepszaken zullen worden aangelegd. Opposant is er op gewezen dat voor het heffen van het griffierecht geen sprake is van een dermate samenhang tussen de verschillende zaken als bedoeld in artikel 8:41, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), zodat voor iedere zaak griffierecht is verschuldigd. Opposant is in de gelegenheid gesteld om aan te geven hoeveel beroepen hij bij de rechtbank in behandeling wenst te hebben en van elk beroep aan te geven tegen welke fictieve weigering het is gericht. Hierop is door opposant bij brief van 11 november 2013 gereageerd.


Opposant is bij schrijven van 4 februari 2014 opgeroepen om in persoon of bij gemachtigde te verschijnen op 12 februari 2014 voor een comparitie tot het verstrekken van inlichtingen. Bij brief van 10 februari 2014 heeft opposant de rechtbank bericht aan deze comparitie vanwege gezondheidsklachten en de voorkeur om schriftelijk te procederen geen gehoor te kunnen geven.

De rechtbank heeft opposant bij brief van 12 februari 2014 bericht dat de stelling dat hij vanwege medische redenen niet aan de oproeping kan voldoen zonder nadere onderbouwing met een medische verklaring geen reden vormt om van de comparitie af te zien. Indien opposant blijkens een medische verklaring niet in staat op een comparitie te verschijnen, kan hij - zoals ook in de eerdere oproep is vermeld - een gemachtigde aanwijzen. Bij deze brief is opposant nogmaals in de gelegenheid gesteld om te verschijnen op een comparitie, welke kon worden gehouden op 26 februari 2014 of op 28 februari 2014. Opposant is verzocht aan te geven welke datum zijn voorkeur heeft. Opposant is er opnieuw op gewezen dat indien aan deze oproep niet wordt voldaan, de rechtbank op grond van artikel 8:31 van de Awb daaruit de gevolgtrekkingen zal maken die hem geraden voorkomen.

Opposant heeft bij brief van 18 februari 2014 verzocht om onder meer vanwege de korte planningstermijn en daarmee de onmogelijkheid om eventueel een advocaat in te schakelen de comparitie te verdagen en hem daarover meer duidelijkheid te verschaffen.

De rechtbank heeft opposant bij brief van 26 februari 2014 ingelicht over het doel van de comparitie. Opposant is vervolgens opnieuw opgeroepen voor een op 28 maart 2014 te houden comparitie. Bij brief van 25 maart 2014 heeft opposant de rechtbank meegedeeld aan de oproep geen gehoor te geven.


Op 28 maart 2014 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgetekend dat aan partijen is toegezonden.


Bij brief van 15 mei 2014 is opposant - mede op zijn verzoek van 28 april 2014 - bericht dat op basis van opposants beroepschrift van 22 augustus 2013 41 beroepszaken zijn aangelegd. De rechtbank heeft in deze 41 zaken afzonderlijk griffierecht geheven.


De rechtbank heeft op 26 augustus 2014 bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de beroepen met de hierboven aangegeven zaaknummers niet-ontvankelijk verklaard.


Opposant heeft tegen deze uitspraak op 6 oktober 2014, aangevuld op 22 oktober 2014 verzet gedaan. Daarbij heeft hij niet aangegeven dat hij ter zake van het verzetschrift wil worden gehoord.



Overwegingen


1. In deze verzetprocedure moet de rechtbank de vraag beantwoorden of zij bij de uitspraak van 26 augustus 2014 de beroepen van opposant terecht met toepassing van artikel 8:54 van de Awb vereenvoudigd heeft behandeld, omdat zij tot het oordeel kwam dat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk waren. Dit oordeel was gebaseerd op de overweging dat opposant de voor de behandeling van zijn beroepen verschuldigde griffierechten niet heeft voldaan en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest.


2. Opposant heeft in verzet - kort samengevat – het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft ten onrechte het beroep 13/5398 gesplitst in meerdere beroepen. Opposant stelt dat hij nimmer beroep heeft ingesteld tegen een besluit van verweerder. Het beroepschrift van 23 augustus 2013 is gericht tegen de gemeente Albrandswaard, ook waar het betreft handelen van de gemeente Ridderkerk, aldus opposant. De rechtbank is niet bevoegd is om voor opposant te bepalen tegen wie en wanneer beroep is ingesteld. Hoewel de rechtbank bij brief van 1 juli 2014 heeft bericht dat door verweerder bij brief van 3 september 2013 ten aanzien van onderhavige zaken verweer is gevoerd is dit niet het geval geweest, aldus opposant, zodat hij in dit opzicht door de rechtbank is misleid. Aan verweerder is nooit om een verweerschrift verzocht, aldus opposant. Opposant heeft de rechtbank uitvoerig geïnformeerd over zijn standpunten waardoor er geen aanleiding bestond voor een comparitiezitting. De rechtbank was niet bevoegd om hem voor een comparitie op te roepen en de rechtbank was tevens niet bevoegd om artikel 8:31 van de Awb toe te passen. Ten onrechte is door de rechtbank geen toepassing gegeven aan artikel 8:28 van de Awb. Eveneens ten onrechte heeft de rechtbank aan eiser geen procesdossier ter beschikking gesteld. Hierdoor heeft eiser geen zorgvuldige afweging kunnen maken in de zin van artikel 8:41 van de Awb. De uitnodigingen voor de comparitiezitting vertoonden allerlei gebreken. Door voor de behandeling van de beroepen een extreem hoog bedrag van € 6.720,- aan griffierecht te heffen en te verlangen dat dit bedrag binnen een extreem korte termijn van twee weken zou worden voldaan, heeft de rechtbank zich schuldig gemaakt aan excessief formalistisch handelen. Er was geen sprake van spoedeisendheid, waardoor de rechtbank ten onrechte artikel 8:52 van de Awb heeft toegepast. Er is geen eerlijk proces geweest en in elk geval is de gevolgde procedure in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en is voor opposant de toegang tot de rechter feitelijk geblokkeerd.


3. Ingevolge artikel 6:6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep.


Op grond van het bepaalde in artikel 8:41, eerste lid, van de Awb wordt door de griffier van de indiener van het beroepschrift een griffierecht geheven.

Artikel 8:41, tweede lid, van de Awb bepaalt dat het beroep, indien het verschuldigde bedrag van het griffierecht niet of niet tijdig is bijgeschreven of gestort, niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest.

Artikel 8:41, derde lid, eerste volzin, van de Awb, bepaalt dat eenmaal griffierecht verschuldigd is, indien het een beroepschrift tegen twee of meer samenhangende besluiten dan wel van twee of meer indieners tegen hetzelfde besluit betreft.


Op grond van artikel 8:44, eerste lid, van de Awb, kan de bestuursrechter partijen oproepen om in persoon dan wel in persoon of bij gemachtigde te verschijnen om te worden gehoord, al dan niet voor het geven van inlichtingen.

Indien een partij niet voldoet aan de verplichting te verschijnen, inlichtingen te geven, stukken over te leggen of mee te werken aan het onderzoek als bedoeld in artikel 8:47, eerste lid, van de Awb, kan de bestuursrechter daaruit gevolgtrekkingen maken die haar geraden voorkomen, aldus artikel 8:31 van de Awb.


Ingevolge artikel 8:55b, derde lid, van de Awb, behandelt de rechtbank het beroep versneld met toepassing van artikel 8:52 van de Awb. Ingevolge artikel 8:52, eerste lid, van de Awb, kan de rechtbank, indien de zaak spoedeisend is, bepalen dat deze versneld wordt behandeld.

Ingevolge artikel 8:52, tweede lid, sub a, van de Awb kan de rechtbank de termijnen zoals omschreven in artikel 8:41 van de Awb verkorten.


In artikel 24, eerste lid, van de Procesregeling bestuursrecht 2010 (hierna: Prb 2010), zoals deze tot 1 april 2014 van kracht was, is bepaald dat indien beroep is ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit de rechtbank het beroep, los van het antwoord op de vraag of daarna wordt beslist tot toepassing van de vereenvoudigde behandeling bedoeld in artikel 8:54 van de Awb, het beroep versneld behandelt met toepassing van artikel 8:52 van de Awb. Dit wordt partijen meegedeeld in de ontvangstbevestiging onderscheidenlijk de kennisgeving, bedoeld in artikel 6:14, eerste en tweede lid, van de Awb.


4. De verzetsrechter stelt allereerst vast dat de rechtbank het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ridderkerk ten onrechte als het verwerend bestuursorgaan heeft aangemerkt in de onderhavige zaken. Zij is met opposant van oordeel dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Albrandswaard het verwerend orgaan is. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Albrandswaard heeft op

4 september 2014 in de onderhavige zaken een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft om deze reden in de onderhavige zaken het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Albrandswaard als partij op grond van artikel 8:26 van de Awb aangemerkt. Dit kan echter niet leiden tot een gegrond verzet wegens de navolgende overwegingen.


5. De verzetsrechter stelt vast dat opposant beroep heeft ingesteld tegen het uitblijven van meerdere besluiten. De rechtbank heeft vanwege de onduidelijkheid over het aantal beroepen, de onderlinge samenhang daartussen en daarmee over de te heffen griffierechten, voorshands één beroepszaak geregistreerd met nummer 13/5398. Dit is opposant bij de ontvangstbevestiging van 23 augustus 2013 meegedeeld. In deze brief is opposant verzocht binnen twee weken aan te geven tegen welke informatieverzoeken/bezwaren het beroep tegen het niet tijdig nemen van besluiten zich richt. In zijn brief van 27 augustus 2013 heeft opposant aangegeven dat alle 37 zaken die zijn ingediend met het beroepschrift betrekking hebben op hetzelfde, namelijk het onthouden van zijn rechten en heeft hij verzocht om alle zaken bij elkaar te voegen en in een keer te behandelen.


6. De rechtbank heeft opposant meerdere malen opgeroepen om tijdens het vooronderzoek voor haar te verschijnen teneinde te worden gehoord. De zogenaamde inlichtingencomparitie strekte tot doel om (nadere) inlichtingen van opposant te verkrijgen over de door hem indiende beroepen, in het bijzonder over de door opposant beweerdelijke samenhang tussen de ingestelde beroepen. De verzetsrechter is niet gebleken dat de aan opposant toegezonden oproepingen gebreken vertoonden, of anderszins niet voldeden aan de daaraan op grond van de Awb te stellen eisen. Opposant heeft dit ook niet nader onderbouwd.

Aan de oproepingen, laatstelijk voor een op 28 maart 2014 te houden comparitie, heeft opposant geen gevolg gegeven. Weliswaar is door opposant gesteld dat hij vanwege medische reden niet kon verschijnen, doch deze stelling is - hoewel opposant daartoe in de gelegenheid is gesteld - niet nader onderbouwd. Opposant heeft zich evenmin door een gemachtigde op de comparitiezitting laten vertegenwoordigen.


7. Waar opposant niet aan de verplichting tot het verschijnen op een inlichtingen-comparitie heeft voldaan, heeft de rechtbank met gebruikmaking van de haar ingevolge artikel 8:31 van de Awb toekomende bevoegdheid de gevolgtrekkingen gemaakt die haar geraden voorkomen. Op grond van het beroepschrift van 22 augustus 2013 en de daarbij door opposant ingebrachte informatieverzoeken, bezwaarschriften, ingebrekestellingen en andere bescheiden heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat dit beroepschrift feitelijk - naast het beroep met het nummer 13/5398 - nog 41 afzonderlijke beroepszaken omvat. Hiervan zijn eveneens beroepszaken aangelegd, waaronder de beroepen met de onderhavige zaaknummers.

Omdat de beroepen zijn gericht tegen het niet tijdig beslissen is door de rechtbank, gelet op artikel 24, eerste lid, van de Prb 2010, terecht geoordeeld dat deze beroepen spoedeisend zijn en met toepassing van artikel 8:52 van de Awb versneld dienden te worden behandeld. Dat er geruime tijd is verstreken, met name door het vaststellen van het aantal beroepen dat eiser met het beroepschrift van 22 augustus 2013 feitelijk heeft ingediend, doet aan deze beoordeling niet af. Voor het betalen van het griffierecht in het geval van versnelde behandeling geldt een termijn van 2 weken.


8. Met de rechtbank is de verzetsrechter van oordeel dat niet kan worden geoordeeld dat door opposant beroepen zijn ingesteld tegen met elkaar samenhangende besluiten als bedoeld in artikel 8:41, derde lid, van de Awb. Weliswaar is door opposant met één beroepschrift beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van meerdere besluiten, doch op grond van de voorhanden zijnde gedingstukken kan niet worden geconcludeerd dat deze zogenaamde fictieve weigeringen voortkomen uit één samenstel van feiten en omstandigheden. Dit leidt tot het oordeel dat terecht in iedere beroepszaak griffierecht is geheven. Dat dit in het onderhavige geval leidt tot een aanzienlijk bedrag in totaal voor de beroepszaken tezamen, is een gevolg van het aantal ingediende beroepen tegen het niet tijdig beslissen op verzoeken, bezwaarschriften en in gebrekestellingen en kan aan dit oordeel niet afdoen.


9. Door middel van op 15 april 2014 gedateerde en aangetekend verzonden nota’s is opposant erop gewezen dat voor de behandeling van elk beroep een bedrag van € 160,- aan griffierecht verschuldigd is. Dit griffierecht dient binnen 14 dagen na de dag van verzending van de mededeling dat een dergelijk recht verschuldigd is, bijgeschreven te zijn op de rekening van de rechtbank, of als de zitting eerder is, uiterlijk voorafgaande aan de zitting. Daarbij is vermeld dat indien het griffierecht niet of niet tijdig is bijgeschreven het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Het griffierecht is in geen enkele van de onderhavige beroepen binnen deze termijn betaald. Dat eiser geen beschikking had over het procesdossier, wat daar ook van zij, doet niet aan deze conclusie af, en maakt evenmin dat het verzuim de griffierechten te betalen verschoonbaar moet worden geacht. De verplichting tot voldoening van griffierecht ontstaat door indiening van het beroep en is, anders dan opposant kennelijk meent, niet afhankelijk van de merites van de betreffende zaak.


10. Door opposant is binnen de voor de betaling van het griffierecht gegunde termijn niet verzocht de verplichting tot betaling van het griffierecht buiten beschouwing te laten of het in rekening gebrachte griffierecht te verminderen, omdat hij zodanig onvermogend is dat hij niet in staat is om het (volledige) griffierecht te voldoen. Evenmin is door opposant binnen de betalingstermijn om uitstel van betaling verzocht of aangevoerd dat sprake is van betalingsonmacht, laat staan dat deze betalingsonmacht aannemelijk is gemaakt.


11. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat het op grond van artikel 8:41 van de Awb geheven griffierechten opposant wezenlijk heeft belemmerd in zijn toegang tot de rechter. Voor zijn stelling dat het verlangen van betaling daarvan binnen de daarvoor gegunde termijn van 2 weken een schending van artikel 6, eerste lid, van het EVRM oplevert, bestaat geen grond. Nu op correcte wijze griffierecht is geheven en het griffierecht onverschoonbaar niet is betaald, levert dat een in de rechtspraak algemeen aanvaarde grond voor niet-ontvankelijkverklaring op. Opposant kan dan ook evenmin worden gevolgd in zijn stelling dat door het in rekening brengen van de griffierechten sprake is van excessief formalisme aan de zijde van de rechtbank.


12. De verzetsrechter is met de rechtbank van oordeel dat in dit geval sprake is van een situatie waarin redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat opposant in verzuim is geweest. De rechtbank heeft de beroepen vereenvoudigd, met toepassing van artikel 8:54 van de Awb, kunnen behandelen. Dit is de reden dat eiser niet is uitgenodigd tot het indienen van de nadere gronden van de beroepen.


13. Om deze reden is het verzet ongegrond.


14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Schoneveld, rechter, in aanwezigheid van

C.W. Steenkist, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2015.





griffier rechter





Afschrift verzonden aan partijen op:



Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.