Rechtbank Rotterdam, 02-04-2015 / 3697117


ECLI:NL:RBROT:2015:6171

Inhoudsindicatie
huurregime. onbebouwde grond, artikelen 7:290 e.v. BW
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-04-02
Publicatiedatum
2015-08-26
Zaaknummer
3697117
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 3697117 CV EXPL 14-60056


uitspraak: 8 mei 2015


vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,


in de zaak van


de naamloze vennootschap HAVENBEDRIJF ROTTERDAM N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

gemachtigde: mr. J.N. de Blécourt,


tegen


[gedaagde],

wonende te Rotterdam,

gedaagde,

gemachtigde: L.T. de Lange, Adviesbureau Eltee B.V.


Partijen worden hierna aangeduid als HbR en [gedaagde].


1Het verloop van het proces

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennisgenomen:

  • - het exploot van dagvaarding van 2 december 2014, met producties;
  • - de conclusie van antwoord, met producties;
  • - het vonnis van deze rechtbank d.d. 18 februari 2015 waarbij een comparitie van partijen is gelast;
  • - het proces-verbaal van de op 23 maart 2015 gehouden comparitie van partijen.

1.2

De datum van deze uitspraak is door de kantonrechter bepaald op heden.


2De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen het volgende vast.


2.1

De gemeente Rotterdam als rechtsvoorgangster van HbR en de vader van [gedaagde] zijn op 5 november 1954 een huurovereenkomst aangegaan met betrekking tot een onbebouwd perceel van 375 m² in het Rotterdamse havengebied tegen een nader omschreven huurprijs per m² voor de looptijd van 1 juli 1954 tot 30 juni 1964, met een recht op verlenging van de looptijd met driemaal vijf jaar.

Artikel 5 van de huurovereenkomst bepaalt dat het terrein en de opstallen slechts mogen worden gebruikt voor de uitoefening van een garagebedrijf.


2.2

Bij overeenkomst van 28 februari 1955 is het gehuurde onder dezelfde voorwaarden uitgebreid met een perceel grond van 100 m². Beide terreinen samen worden hierna ook aangeduid als ‘het perceel’.


2.3

Op het perceel is door de vader van [gedaagde] een loods/garage gevestigd. Een gedeelte van het perceel is door [gedaagde] laatstelijk tot juli 2022 onderverhuurd aan Deltabrug B.V. die daar een brandstofverkooppunt exploiteert.


2.4

Op 18 mei 1981 hebben de rechtsvoorgangster van HbR en [gedaagde] onder op hoofdpunten gelijke voorwaarden opnieuw een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot het perceel, daarbij omschreven als ‘een perceel terrein’ ter grootte van 475 m², tegen een huurprijs per m² voor de looptijd van 1 juli 1979 tot 30 juni 1984, met een recht op verlenging van de looptijd met driemaal vijf jaar, tot uiterlijk 30 juni 1999.


2.5

Het gemeentelijk havenbedrijf heeft [gedaagde] bij brief van 19 april 1993 onder verwijzing naar de onder 2.4 bedoelde overeenkomst geattendeerd op zijn optie tot verlenging van de huurtermijn. Daarnaast wordt [gedaagde] daarbij gewezen op het volgende:

“Het toegestane gebruik omvat thans “… de uitoefening van een garagebedrijf…”. Volgens de gegevens van de Milieudienst Rijnmond DCMR heeft u echter tevens een brandstofverkooppunt (tanks voor benzine en diesel). (…)

Te doen gebruikelijk binnen de gemeente Rotterdam is dat brandstofverkooppunten onder een gewijzigd huurregime vallen. Er is specifieke toestemming vereist voor de afwijking van het toegestaan gebruik, er wordt (voor nieuwe kontraktanten) een entrance fee berekend, de huur voor de vierkante meters voor het pompgedeelte is hoger en er wordt een variabele component in de huurprijs verwerkt (per 100 liter gestorte motorbrandstof f 1,70). Bij een eventuele continuatie zullen deze elementen dienen te worden opgenomen.”


2.6

Op 27 maart 2006 hebben HbR, na verkrijging van het erfpachtrecht van de gemeente Rotterdam in 2005, en [gedaagde] een huurovereenkomst gesloten voor de huur van het gebruiksrecht van het perceel tegen een huurprijs per m² voor de looptijd van

1 juli 1999 tot 30 juni 2004, met het recht op tweemaal een verlenging van vijf jaar.

In artikel 7 van deze huurovereenkomst is voorts opgenomen dat voor de toestemming om op het perceel kort gezegd een brandstofverkooppunt aanwezig te hebben een vergoeding verschuldigd is die is gerelateerd aan de omzet van brandstoffen.


2.7

Ingevolge artikel 27.1 van de op laatst vermelde huurovereenkomst van toepassing verklaarde Algemene Bepalingen eindigt de huur van het perceel, aangeduid als ‘Het Gebruiksrecht’, door het verstrijken van de (verlengde) duur waarvoor het gebruiksrecht is verleend. Ingevolge de opeenvolgende huurovereenkomsten van partijen dient [gedaagde] het perceel aan het einde van de huur -kort weergegeven- vrij van verbouwing en van alles dat op of in het perceel is aangebracht en geëgaliseerd op te leveren.


2.8

HbR heeft [gedaagde] per brief van 13 maart 2013 medegedeeld dat de huurovereenkomst van rechtswege eindigt per 30 juni 2014 en dat het perceel geheel leeg en geëgaliseerd opgeleverd dient te worden, ontdaan van alles wat daarop of daarin is aangebracht.


2.9

De gemachtigde van [gedaagde] heeft per brief van 5 november 2013 bezwaar gemaakt tegen de aangezegde beëindiging van de huurovereenkomst, kort gezegd op de grond dat er sprake is van huur van bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 7:290 BW en de aangezegde beëindiging niet aan de daarvoor geldende wettelijke eisen voldoet en omdat [gedaagde] als rechthebbende op een recht van opstal aanspraak heeft op een schadeloosstelling en een adequate vervangende locatie.


2.10

Op 17 juli 2014 heeft HbR voorgesteld de huurtermijn onder bepaalde voorwaarden te verlengen tot 30 juni 2016. Daarop volgende besprekingen hebben niet tot een minnelijke regeling geleid. Partijen hebben besloten de rechtsvragen die hen verdeeld houden aan de kantonrechter voor te leggen.


3De vordering

3.1

HBR heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- voor recht te verklaren dat:

- het huurregime dat van toepassing is op de tussen HbR en [gedaagde] vigerende huurovereenkomst de huur van onbebouwde grond in de zin van artikel 7:228 lid 1 BW betreft;

- voor de gebouwen, werken en beplantingen die zich bevinden in, of boven het perceel geen sprake is van een opstalrecht als bedoeld in artikel 5:101 lid 1 BW, althans dat voor de gebouwen, werken en beplantingen die zich bevinden in, of boven het perceel geen sprake is van een afhankelijk opstalrecht als bedoeld in artikel 5:101 lid 2 BW;

- HBR uit hoofde van het beëindigen van de huurovereenkomst geen verplichting heeft tot het vergoeden van enige schade aan [gedaagde] en/of Deltabrug, dan wel enige andere verplichting in dat verband heeft;

- [gedaagde] te veroordelen in de helft van de proceskosten, waaronder de nakosten.


3.2

Aan haar vordering legt HbR naast de onder 2 genoemde vaststaande feiten -zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang- het volgende ten grondslag.

Partijen worden verdeeld gehouden door twee juridische vragen, te weten de kwalificatie van de huurovereenkomst, hetzij als huur van onbebouwde grond, hetzij als huur van een gebouwde onroerende zaak, mogelijk vallend onder het regime van artikel 7:290 BW, en de vraag of [gedaagde] door verkrijgende verjaring een zelfstandig opstalrecht heeft verkregen als gevolg waarvan HbR hem bij het einde van de huur van het perceel daarvoor een vergoeding verschuldigd is.


3.3

Wat betreft de eerste vraag voert HbR het volgende aan.


3.3.1

Het heeft partijen altijd voor ogen gestaan om uitsluitend een perceel grond te verhuren. De later op het perceel door de vader van [gedaagde] gestichte garage/loods en de door diens onderhuurder geplaatste pompinstallatie zijn nooit het voorwerp geweest van een huurovereenkomst tussen partijen. Er is derhalve geen sprake van huur van bedrijfsruimte zodat het huurregime van artikel 7:290 e.v. BW niet van toepassing is.


3.3.2

De huurprijs zag ook steeds alleen op het perceel onbebouwde grond. HbR heeft een huurprijs per m² ontvangen. Daarnaast ontving HbR krachtens de huurovereenkomst een aan de omzet gerelateerde afdracht voor de pompinstallatie.


3.3.3

De omstandigheid dat het van aanvang van de huur af de bedoeling was, of zelfs verplicht was op het perceel een garagebedrijf te stichten, doet evenmin af aan de kwalificatie van de huur als huur van onbebouwde grond, zo volgt uit het oordeel van de Hoge Raad op 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7172.


3.3.4

Bij de kwalificatie van de huur is voorts van belang dat [gedaagde] het perceel volledig ontruimd en vrij van bebouwing dient op te leveren.


3.3.5

Omdat er geen sprake is van huur van een gebouwde onroerende zaak, is het huurregime van artikel 7:290 BW niet van toepassing.


3.4

Wat betreft de tweede vraag voert HbR aan dat [gedaagde] nimmer bezitter van een opstalrecht op het perceel is geweest, zodat van verkrijgende verjaring daarvan geen sprake kan zijn.


3.5

HbR heeft de huurovereenkomst regelmatig opgezegd, zodat zij geen schadevergoeding verschuldigd is aan [gedaagde], noch is zij gehouden Deltabrug in enig opzicht schadeloos te stellen. [gedaagde] is weliswaar voor een langere periode dan waarvoor hij een huurovereenkomst met HbR heeft, een onderhuurovereenkomst aangegaan met Deltabrug, maar HbR staat daar buiten. Zij heeft herhaaldelijk, voor het eerst in 2009, aan [gedaagde] te kennen heeft gegeven de huur te willen beëindigen per juli 2014.


3.6

Aangezien beide partijen gebaat zijn te weten welk huurregime van toepassing is, vordert HBR slechts de helft van de proceskosten waaronder de nakosten.


4Het verweer

4.1

[gedaagde] heeft de vordering betwist en heeft daartoe naast de onder 2 genoemde vaststaande feiten -zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang- het volgende aangevoerd.


4.2

Er is sprake van huur van bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW. Dat volgt ook uit de schriftelijke huurovereenkomsten van partijen. In de oorspronkelijke overeenkomst van partijen is bepaald dat het perceel en de daarop nog te realiseren opstallen slechts mogen worden gebruikt voor de uitoefening van een garagebedrijf. Een garagebedrijf was destijds een 1624-bedrijfsruimte en tegenwoordig een 290-bedrijfsruimte.


4.3

Het garagebedrijf is gerealiseerd en daarna is er 100 m² terrein bij gehuurd voor de exploitatie van een benzinepompen. Met toestemming van de gemeente is dat voorterrein onderverhuurd aan Esso. Alle contacten met betrekking tot de brandstofverkoop verliepen ook steeds via de gemeente.


4.4

In 1994, toen het garagebedrijf en het brandstofverkooppunt allang waren gerealiseerd, is er een nieuwe huurovereenkomst gesloten. Die had dus ook betrekking op het garagebedrijf met toebehoren. Er ging toen een gewijzigd huurregime gelden met een andere grondslag voor berekening van de huur, resulterend in een huurverhoging met een factor vijf. Deze nieuwe, zelfstandige overeenkomst moet eveneens als een huurovereenkomst met betrekking tot 290-bedrijfsruimte worden aangemerkt.


4.5

Het standpunt van [gedaagde] wordt ondersteund door een tweetal tijdschriftartikelen en door de arresten van de Hoge Raad van 4 mei 1979 (NJ 1979, 509) en 2 oktober 1981 (NJ 1982, 186), en van 21 juni 1996 waarin ten aanzien van het Malieveld in Den Haag is geoordeeld dat verhuur van een terrein kan worden aangemerkt als verhuur van bedrijfsruimte.


4.6

De huurovereenkomst van partijen betreft dan ook een huur van bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 7:290 BW. [gedaagde] heeft daar ook belang bij, gelet op alle investeringen die hij in zijn bedrijf op het perceel heeft gedaan.


4.7

Beëindiging van de huur leidt tot het verlies van die investeringen en het faillissement van [gedaagde], terwijl HbR bij huur aan derden minder inkomsten genereert dan bij voortzetting van de huur met [gedaagde]. [gedaagde] verzoekt dan ook in ieder geval een afweging van belangen in het voordeel van [gedaagde] toe te passen.


5De beoordeling


Aard van de huurovereenkomst

5.1

Wat betreft de eerste vraag die in deze zaak aan de kantonrechter is voorgelegd, wordt als volgt overwogen.


5.2

Voor de kwalificatie van de huurovereenkomst is beslissend hetgeen partijen, mede in aanmerking genomen de inrichting van het gehuurde, omtrent het gebruik van het gehuurde bij het sluiten van de huurovereenkomst voor ogen heeft gestaan.


5.3

Ingevolge de huurovereenkomst van 5 november 1954 en de aanvullende overeenkomst van 28 februari 1955 is aan [gedaagde] een onbebouwd terrein met een oppervlakte van in totaal 475 m² verhuurd tegen een nader omschreven huurprijs, die slechts is gerelateerd aan oppervlaktemaat van het terrein. Blijkens de tekst van artikel 5 van de overeenkomst mag het perceel slechts gebruikt worden voor de uitoefening van een garagebedrijf. Volgens artikel 11 van deze huurovereenkomst dient het terrein aan het eind van de huurovereenkomst ontdaan te worden van alle daarop en daarin door huurder gebouwde of geplaatste afscheidingen, gebouwen en inrichtingen en in zijn oorspronkelijke staat, geëgaliseerd en op hoogte te worden opgeleverd.


5.4

Anders dan [gedaagde] heeft betoogd, biedt de tekst van deze huurovereenkomst geen aanknopingspunten voor het oordeel, dat deze ziet op meer dan alleen de verhuur van een onbebouwd terrein. De omstandigheid dat van meet af aan beoogd is op het terrein een garagebedrijf op te richten en dat de daarvoor bestemde bebouwing nadien daadwerkelijk is opgericht, en het bedrijf nadien met medeweten en instemming van de gemeente Rotterdam als rechtsvoorgangster van HbR is uitgebreid met een benzinestation, maakt dit niet anders.

Het huurregime van de artikelen 7:290 e.v. BW mist immers toepassing in een geval waarin tegen een overeengekomen vergoeding een onbebouwd terrein ter beschikking wordt gesteld met de bedoeling dat degene die daarover de beschikking verkrijgt, aldaar een bebouwing zal oprichten, bestemd om te worden gebruikt als bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW. Dit geldt ook indien de overeenkomst een verplichting tot bedoelde bebouwing en exploitatie inhoudt (vgl. HR 13 juli 2012, NJ 2012/8 en 9, ECLI:NL:HR:2012:BW3217 en BW7172). Ook de omstandigheid dat die bebouwing daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, doet de huurovereenkomst dus niet van karakter veranderen.

Dat de huurovereenkomst slechts ziet op onbebouwde grond, vindt ook bevestiging in de omstandigheid dat de huurder aan het einde van de huur volledig ontruimd en geëgaliseerd moet opleveren.


5.5

De situatie kan anders liggen als partijen op enig moment een nieuwe, zelfstandige huurovereenkomst hebben gesloten met betrekking tot de inmiddels gebouwde, en tot bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW bestemde, onroerende zaak. [gedaagde] heeft zich in dit verband beroepen op de onder 2.5 aangehaalde passage uit de brief van 19 april 1993. [gedaagde] verbindt aan dat schrijven de conclusie dat de daarop volgende huurovereenkomst als een nieuwe, zelfstandige overeenkomst moet worden aangemerkt.


5.6

In artikel 8 van de huurovereenkomst die uiteindelijk is gevolgd na het schrijven bedoeld onder 2.4, is vermeld dat het terrein op grond van voorafgaande huurovereenkomsten onafgebroken vanaf 1 juli 1954 in gebruik is geweest bij

[de vader van gedaagde]. Echter, ook indien zou mogen worden aangenomen dat die overeenkomst een nieuwe, zelfstandige overeenkomst is, kan dit [gedaagde] niet baten.


5.7

Ook in die overeenkomst, hiervoor aangehaald onder 2.6, is immers opgenomen dat een huurovereenkomst is aangegaan met betrekking tot het daarin nader omschreven terrein tegen een prijs die slechts gerelateerd is aan de oppervlaktemaat van het perceel. In de tekst van de huurovereenkomst is ook overigens geen enkel aanknopingspunt te vinden voor de stelling dat deze overeenkomst mede strekt tot verhuur van de op het terrein opgerichte bebouwing of de daarop geplaatste installaties, noch in de omschrijving van het gehuurde, noch in de omschrijving van de prijs en de wijze waarop deze eventueel nader kan worden bepaald. Zoals hiervoor overwogen, maakt de omstandigheid dat het perceel voor niets anders gebruikt mag worden dan voor de uitoefening van het garagebedrijf dit niet anders. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat naast de huurprijs volgens deze overeenkomst een aan de omzet van het verkooppunt gerelateerde vergoeding verschuldigd is voor het recht op het terrein een brandstofopslag en pompinstallatie aanwezig te hebben.

Uit artikel 6 en verder van de Algemene Bepalingen voor Gebruiksrechten Havenbedrijf Rotterdam N.V. 2004 volgt voorts dat bij bepaling van de gebruiksvergoeding geen rekening wordt gehouden met de op het terrein aanwezige bebouwing en ook in deze Algemene Bepalingen, artikel 31, is ten slotte voor de huurder de verplichting opgenomen het terrein aan het einde van het gebruiksrecht, kort gezegd, vrij van bebouwing en geëgaliseerd aan HbR af te leveren.


5.8

Met andere woorden, ook de laatstelijk tussen partijen tot stand gekomen huurovereenkomst biedt geen steun voor de stelling dat meer of anders gehuurd is dan onbebouwde grond. Feiten of omstandigheden die desondanks in een andere richting wijzen zijn niet gesteld. Dat brengt met zich dat er in deze zaak geen sprake is van huur van 290-bedrijfsruimte, omdat het daarbij steeds moet gaan om verhuur van een gebouwde onroerende zaak.


5.9

Het beroep op de arresten uit 1979 en 1981 treft geen doel, omdat aan de daar gegeven oordelen andere uitgangspunten ten grondslag liggen. Ook het aangehaalde arrest uit 1996 leidt niet tot een ander oordeel, omdat het in de daar behandelde zaak ging om de vraag welke rechter bevoegd was en niet om de vraag welk huurregime van toepassing is op onbebouwde grond.


5.10

Het beroep van [gedaagde] op de redelijkheid en billijkheid kan er niet toe leiden dat alsnog het regime van artikel 290-bedrijfsruimte van (overeenkomstige) toepassing wordt op een overeenkomst die niet kwalificeert als een huurovereenkomst met betrekking tot huur van bedrijfsruimte. Hoezeer beëindiging van de huur [gedaagde] ook zal treffen, het is onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar dat [gedaagde] gehouden wordt aan de consequenties die verbonden zijn aan het huurregime dat al jaar en dag geldt tussen partijen, hoe wrang dat nu ook uitpakt voor [gedaagde]. Dat [gedaagde] bij beëindiging van de huur getroffen wordt door de gevolgen van het feit dat hij het perceel gedeeltelijk aan een derde in onderhuur heeft uitgegeven voor een langere termijn dan die waarvoor hijzelf een gebruiksrecht heeft, moet voor zijn rekening blijven. Daarbij weegt mee dat gesteld noch gebleken is dat HbR in enig opzicht de hand heeft gehad in de duur waarvoor de exploitatie van het benzinestation aan een derde is uitbesteed.

5.11

De gevorderde verklaring voor recht op dit onderdeel - die er kennelijk toe strekt te doen vaststellen dat de huurovereenkomst van partijen, wanneer de tijd waarvoor deze is aangegaan is verstreken, eindigt zonder dat daartoe een opzegging vereist is - zal dan ook, nu daartegen overigens geen verweer is gevoerd, worden toegewezen, zij het op de wijze zoals hierna vermeld, nu artikel 7:228 BW, anders dan besloten lijkt te liggen in de vordering, niet rept van huur van onbebouwde grond.


Opstalrecht door verjaring

5.12

Wat betreft de tweede vraag die aan de kantonrechter is voorgelegd, geldt dat, bij gebreke van een inhoudelijke betwisting, de gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van het ontbreken van het opstalrecht als bedoeld in artikel 5:101 lid 1 BW zal worden toegewezen.


Schadeplichtigheid

5.13

Bij deze stand van zaken, nu er overigens geen feiten of omstandigheden zijn gesteld ie anders kunnen uitwijzen, geldt dat het gebruiksrecht van [gedaagde] van het perceel eindigt door het verstrijken van de (verlengde) duur waarvoor dat gebruiksrecht is verleend. Er zijn geen gronden gesteld of gebleken die tot de slotsom kunnen leiden dat HbR ter zake van die wijze van beëindiging van het gebruiksrecht een verplichting tot het vergoeden van enige schade aan [gedaagde], dan wel enige andere verplichting in dat verband heeft. Tegen die achtergrond kan de gevorderde verklaring voor recht in zoverre dan ook worden toegewezen.


5.14

Dat geldt echter niet voor zover de gevorderde verklaring voor recht ziet op de verhouding tot Deltabrug. Immers, een verklaring voor recht enkel kan dienen tot het op bindende wijze vaststellen van een rechtsverhouding of het preciseren van haar inhoud jegens de andere onmiddellijk betrokkene(n) bij deze rechtsverhouding (vgl. HR 22 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993: ZC0833). In dit geding is alleen de rechtsverhouding tussen HbR en [gedaagde] aan de orde en Deltabrug is geen partij in dit geding.

De kantonrechter begrijpt dat HbR een mogelijk toekomstig geschil met Deltabrug als onderhuurder wil voorkomen. Dat is echter niet een belang dat de rechtsverhouding tussen haar en [gedaagde] rechtstreeks betreft en dat is onvoldoende om de gevorderde verklaring voor recht in het geding tussen deze partijen te rechtvaardigen. In zoverre zal de vordering dan ook worden afgewezen.


Proceskosten

5.15

[gedaagde] moet als de in dit geding als de in het ongelijk gestelde partij worden aangemerkt. Daarom moet hij op de voet van artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden veroordeeld in de kosten van het geding. Gelet op hetgeen HbR in dit verband heeft aangevoerd, zullen de kosten gematigd worden vastgesteld als hierna weergegeven.

Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, omdat de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert.

Mocht tussen partijen een geschil ontstaan omtrent de omvang van die kosten, staat het HbR vrij de kantonrechter te verzoeken deze te begroten op de voet van artikel 237 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).






6De beslissing

De kantonrechter:


verklaart voor recht dat op de tussen partijen vigerende huurovereenkomst voor onbebouwde grond het huurregime in de zin van artikel 7:228 lid 1 BW van toepassing is;


verklaart voor recht dat voor de gebouwen, werken en beplantingen die zich bevinden in, of boven het perceel geen sprake is van een (afhankelijk) opstalrecht als bedoeld in artikel 5:101 lid 1 BW;


veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van HbR vastgesteld op € 97,50 aan verschotten en € 500,-- aan salaris voor de gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:199 BW daarover vanaf 14 dagen na heden;


verklaart dit vonnis voor zover het de daarbij uitgesproken veroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het anders of meer gevorderde.


Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. van Essen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

16964/745