Rechtbank Rotterdam, 16-09-2015 / C/10/307736 / HA ZA 08-1306


ECLI:NL:RBROT:2015:6571

Inhoudsindicatie
Faillissement. Eigendomsvoorbehoud. Persoonlijke aansprakelijkheid curator?
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-09-16
Publicatiedatum
2015-10-16
Zaaknummer
C/10/307736 / HA ZA 08-1306
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2015/1951
  • JOR 2016/137 met annotatie van mr. D.M. van Geel
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Afdeling privaatrecht

Team haven en handel


zaaknummer / rolnummer: C/10/307736 / HA ZA 08-1306


Vonnis van 16 september 2015


in de zaak van


de vennootschap naar Argentijns recht

NIDERA S.A.,

gevestigd te Buenos Aires, Argentinië,

eiseres,

advocaat mr. J.G. Princen te Rotterdam,


tegen


[gedaagde] ,

zowel in hoedanigheid van curator in het faillissement van Algemene Oliehandel B.V. als in persoon,

kantoorhoudende te Amersfoort,

gedaagde,

advocaat aanvankelijk mr. O.E. Meijer, vervolgens mr. T. van der Valk, thans mr. T.P. Hoekstra te Amsterdam.


Eiseres zal hierna “Nidera” genoemd worden. Gedaagde in zijn hoedanigheid van curator zal “Curator” genoemd worden en gedaagde in persoon “ [gedaagde] ”. Algemene Oliehandel B.V. zal worden aangeduid als “AOH”.



1De verdere procedure

1.1.

Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar haar tussenvonnis van 30 april 2014.


1.2.

Ingevolge dat tussenvonnis heeft Nidera een Nadere akte na tussenvonnis genomen en daarbij productie 36 tot en met 40 in het geding gebracht.


1.3.

[gedaagde] heeft een Antwoordakte na tussenvonnis genomen en daarbij vier producties (genummerd 1 tot en met 4) in het geding gebracht.


1.4.

Op verzoek van Nidera hebben de advocaten van partijen hun respectieve zaken bepleit. Bij pleidooi heeft [gedaagde] een Akte overlegging productie (nummer 5) ten behoeve van pleidooi genomen.

De advocaten hebben gepleit aan de hand van pleitnotities die in het geding zijn gebracht.

Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt.


1.5.

Partijen hebben vonnis gevraagd.



2De verdere beoordeling

2.1.

In de zaak tegen de Curator is op 30 april 2014 eindvonnis gewezen. Deze zaak betreft nog slechts de vraag naar persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde] .


2.2.

De rechtbank verwijst naar haar oordeel over de inhoud en strekking van het CAD-beding in het tussenvonnis van 21 december 2011. De rechtbank blijft bij dat oordeel, mede gezien het arrest van Hof Den Haag van 27 januari 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:39.

Derhalve was de Curator niet bevoegd om de (documenten betreffende de) partijen sojaolie door te verhandelen. Ten aanzien van het (gepretendeerde) eigendomsrecht van Nidera had de Curator daarom geen vrijheid van handelen en behoefde noch mocht de Curator een afweging (te) maken tussen belangen, zoals die van de faillissementsboedel, de pretense stille pandhouder AbnAmro, de koper van de partijen sojaolie Rosilvia en Nidera. De Curator diende het eigendomsrecht van Nidera te respecteren.


2.3.

Maatstaf voor persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde] is dat een curator behoort te handelen zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht. Handelt een curator niet in overeenstemming met die maatstaf, dan kan hij wegens onrechtmatige daad persoonlijk aansprakelijk zijn voor de daardoor ontstane schade (naast aansprakelijkheid van de faillissementsboedel).

De rechtbank heeft overwegingen gewijd aan de gestelde persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde] in het tussenvonnis van 21 december 2011 in 2.15 tot en met 2.21 en in het tussenvonnis van 30 april 2014 in 2.10. In het tussenvonnis van 21 december 2011 is (zoals de rechtbank heeft bevestigd in het tussenvonnis van 19 december 2012) de rechtbank tot de oordelen gekomen:

( a) dat [gedaagde] niet aansprakelijk is ter zake van de van Nidera verkregen goederen of documenten die AOH heeft verhandeld en overgedragen vóór 4 april 2006 (de eerste categorie documenten); en

( b) dat het enkele feit dat de Curator onder de gegeven omstandigheden de (documenten betreffende de) partijen sojaolie heeft verkocht en geleverd voor de door hem bepaalde prijzen op zichzelf het oordeel dat [gedaagde] onrechtmatig jegens Nidera heeft gehandeld niet kan dragen.

De rechtbank blijft bij die oordelen.


rechtsverwerking


2.4.

[gedaagde] beroept zich op rechtsverwerking door Nidera. [gedaagde] stelt daartoe dat de Curator de bruto-opbrengsten van de (documenten betreffende de) partijen sojaolie aanvankelijk afgezonderd heeft gehouden, dat de Curator met Nidera heeft afgesproken dat laatstgenoemde uiterlijk eind januari 2008 de vraag naar het eigendomsvoorbehoud aan de rechter zou voorleggen of een nader, definitief standpunt daarover zou innemen en dat, bij gebreke van zodanige procedure of standpuntbepaling, de Curator de bruto-opbrengsten mocht samenvoegen met de faillissementsboedel en daarover mocht beschikken. Ten slotte stelt [gedaagde] dat Nidera niet binnen die termijn een procedure heeft ingesteld of een definitief standpunt heeft ingenomen. Daartoe verwijst [gedaagde] naar een brief van de Curator aan de advocaat van Nidera van 11 december 2007 (productie 18 bij conclusie van antwoord in incident), een faxbericht van de advocaat van Nidera van 27 december 2007 (productie 19), een reactie daarop van de Curator van dezelfde datum (productie 20) en een brief van de Curator aan de advocaat van Nidera van 21 februari 2008 (productie 21).


2.5.

Nidera bestrijdt het beroep op rechtsverwerking en voert daartoe het volgende aan.

Nidera betwist de gestelde afspraak over het instellen van een procedure. De Curator stelde in zijn brief van 11 december 2007 (voor het eerst) een termijn van veertien dagen voor het innemen van definitief standpunt. De advocaat van Nidera heeft in zijn faxbericht van 27 december 2007 aangegeven dat hij een concept voor een dagvaarding tegen de Curator had opgesteld, dat hij (omdat hij nadere informatie van Nidera nodig had en de heer Hoek die de zaak bij Nidera behandelde geruime tijd ziek was) nog niet in staat was om een definitief standpunt in te nemen en verwachtte dat hij dat eind januari 2008 zou kunnen doen. De advocaat heeft het concept voor de dagvaarding op 28 maart 2008 aan de Curator toegezonden.

Nidera betwist dat zij bij de Curator het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat zij zou afzien van haar aanspraken indien zij niet uiterlijk eind januari 2008 een dagvaarding had uitgebracht of een definitief standpunt had ingenomen.


2.6.

De rechtbank overweegt het volgende.


2.6.1.

[gedaagde] beroept zich op rechtsverwerking door Nidera. Nidera enerzijds en de Curator en [gedaagde] anderzijds (stonden en) staan tegenover elkaar als schuldeiser en schuldenaar.

Van rechtsverwerking is sprake indien de eisen van redelijkheid en billijkheid een schuldeiser of een schuldenaar in de uitoefening van zijn rechten en bevoegdheden beperken in verband met de eigen gedragingen van de gerechtigde. Daartoe zijn uitzonderlijke omstandigheden vereist als gevolg waarvan hetzij bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de gerechtigde van zijn recht of bevoegdheid geen gebruik (meer) zal maken, hetzij de wederpartij onredelijk in haar positie zou worden benadeeld of bezwaard indien de gerechtigde (alsnog) van zijn recht of bevoegdheid gebruik zou maken. Enkel tijdsverloop of enkel stilzitten door de gerechtigde is in beginsel niet voldoende om tot rechtsverwerking te kunnen concluderen.

Het vorenstaande brengt mee dat de partij die zich op rechtsverwerking beroept genoegzame concrete feiten en omstandigheden moet stellen – en bij betwisting: bewijzen – die dit beroep kunnen dragen.


2.6.2.

[gedaagde] beroept zich niet op de enkele (kleurloze) inactiviteit van Nidera met het innemen van een definitief standpunt of het instellen van een rechtsvordering, maar stelt dat tussen de Curator en Nidera een afspraak was gemaakt die inhield dat Nidera uiterlijk eind januari 2008 zou handelen, maar dat niet heeft gedaan.

Omdat Nidera zodanige afspraak betwist, dient de rechtbank vast te stellen of deze tussen Nidera en de Curator tot stand is gekomen.

Nu partijen zich beide slechts op geschriften beroepen waarin de afspraak al dan niet zou zijn gemaakt, dient de rechtbank die geschriften te onderzoeken in de sleutel van het bepaalde in de artikelen 3:33 en 3:35 BW. Omdat al die geschriften zijn opgesteld door advocaten (ook de Curator was en is advocaat), zijn de bewoordingen daarvan richtinggevend.


2.6.3.

In zijn brief van 11 december 2007 schreef de Curator aan de advocaat van Nidera onder meer:

“Ondertussen dien ik de afwikkeling te vervolgen, zodat ik mij genoodzaakt zie en mij vrij acht om, indien ik niet uiterlijk aan het einde van deze maand inhoudelijk van u heb vernomen, de afwikkeling met de bank als pandhoudster aan te vangen. Vanzelfsprekend staat het uw cliënte vrij om haar vordering bij mij ter verificatie in te dienen, ook dat is tot op heden niet gebeurd.”.


De advocaat van Nidera antwoordde daarop bij faxbericht van 27 december 2007 met onder meer:

“1. Cliënte pretendeert nog steeds dezelfde rechten als voorheen. U kunt de zaak met de bank als pandhouder nog niet afwikkelen. Cliënte gaat ervan uit dat de opbrengst van de verkochte voorraden nog steeds separaat op een rekening is en blijft geplaatst. Indien u onverhoopt tot uitkering van de gelden aan de bank overgaat, riskeert u daarmee alleen maar een aansprakelijkstelling jegens u in persoon, zodat ik u dit uitdrukkelijk afraad. Het zal de afwikkeling van het faillissement zeker niet bespoedigen.

2. Cliënte overweegt inderdaad rechtsmaatregelen jegens de boedel. Daartoe heb ik een concept-dagvaarding opgesteld. Wat ik niet wist toen wij eind november 2007 spraken, is dat de heer Hoek bij cliënte de afgelopen zes weken ernstig ziek is geweest, waardoor de zaak niet kon worden besproken. Voorts zit ik op informatie te wachten van Nidera in Argentinië. Ik heb de afgelopen week heel kort met de heer Hoek overleg kunnen hebben. Hij verwacht dat ik u eind januari 2008 definitief kan berichten omtrent de positie van cliënte. Ik neem aan dat dit uitstel voor u akkoord is.

3 Hierbij dien ik namens cliënte Nidera [..] een vordering in van in totaal US$ 1.505.160,21 terzake van op de faillissementsdatum onbetaald gebleven geleverde partijen soja-olie. [..] Indiening van deze vordering betekent uitdrukkelijk niet, dat cliënte afstand doet van haar standpunt dat op de door cliënte aan AOH afgegeven cognossementen en op de onderliggende goederen een eigendomsvoorbehoud rust ten faveure van cliënte. [..]”.


De Curator schreef dezelfde dag onder meer het volgende terug:

“Met referte aan ons telefoongesprek van vandaag [..]

Omtrent de termijn die ik u had gegeven en de langere termijn die u vroeg heb ik u bericht dat de zaak al lange tijd heeft stilgelegen en ik mij bij gebreke van een inhoudelijke reactie uiterlijk 31 dezer vrij zou achten om tot een afwikkeling te geraken met (onder meer) de bank. Uw aankondiging van aansprakelijkstelling in privé doet daaraan niet af, maar wel het feit dat u hebt aangekondigd dat u uiterlijk in januari 2008 met een inhoudelijke reactie c.q. een dagvaarding zult komen. Ik wacht dat daarom af. Ik wijs u er evenwel op dat ik vervolgens zeer strakke termijnen zal hanteren. Ik moet tenslotte binnen een redelijke tijd tot een afwikkeling geraken.”


Kennelijk is tussen Nidera en de Curator niets voorgevallen totdat de Curator op 21 februari 2008 schreef:

“De kwestie speelt nu bijna twee jaren en herhaaldelijk hebt u een dagvaarding aangekondigd, maar de laatste tijd heb ik niet meer van u vernomen. Ik sta op het punt om een vonnis te verkrijgen tegen Rosilvia en om tot afwikkeling te geraken met diverse betrokkenen waarvoor de aan de boedel betaalde koopsom eveneens zal worden aangewend. Kortom: ik moet verder met de afwikkeling. U zult het mij niet euvel duiden dat ik thans niet meer afwacht of een dagvaarding aan mij zal worden betekend.”


2.6.4.

De rechtbank ziet deze correspondentie tegen de volgeden achtergrond.

Tussen partijen is niet in geschil dat Nidera tijdig (want immers al op 11 april 2006) aan de Curator had meegedeeld dat zij eigendomsrecht pretendeerde op (de documenten betreffende) de partijen sojaolie. Evenmin neemt [gedaagde] het standpunt in dat Nidera afstand van die aanspraken heeft gedaan.

Gezien haar opstelling in april 2006 zouden de vorderingen van Nidera tot het opeisen van haar eigendomsrecht, dan wel tot vervangende schadevergoeding pas verjaren in april 2011. In beginsel bestond er voor Nidera geen aanleiding om in najaar 2007 of voorjaar 2008 tot dagvaarding van de Curator over te gaan. Anderzijds mag van een schuldeiser in het algemeen worden verlangd dat hij zijn aanspraken met enige voortvarendheid doet gelden.

Een curator heeft in het algemeen een te respecteren belang bij voortvarende afwikkeling van de faillissementsboedel. In dat kader heeft de wetgever in artikel 58 Fw aan de curator de mogelijkheid gegeven om een tot een zaak beperkt gerechtigde een redelijke termijn te stellen om tot uitoefening van zijn recht over te gaan.

In dit geval was het belang van de Curator bij voortvarendheid concreet aanwezig wegens de aanspraken van Rosilvia, de koper van enige van de (documenten betreffende de) partijen sojaolie, en die van AbnAmro als stille pandhouder op deze goederen.


2.6.5.

Anders dan [gedaagde] , leest de rechtbank in de in 2.6.3 aangehaalde correspondentie geen overeenkomst (afspraak) tussen de Curator en Nidera inhoudende dat Nidera uiterlijk eind januari 2008 een dagvaarding zou laten uitbrengen of haar definitieve standpunt over haar aanspraken op de (documenten betreffende de) partijen sojaolie zou meedelen. Op de keper beschouwd heeft de Curator aan Nidera een termijn gesteld voor (dagvaarding of) definitieve standpuntbepaling en die termijn op verzoek van Nidera verlengd tot eind januari 2008. Slechts de mededeling in het faxbericht van de advocaat van Nidera van 27 december 2007 “Hij verwacht dat ik u eind januari 2008 definitief kan berichten omtrent de positie van cliënte. Ik neem aan dat dit uitstel voor u akkoord is” duidt op enige instemming vanwege Nidera, maar die is, gezien de rest van dat faxbericht onvoldoende om daaruit een bindende afspraak af te leiden.


2.6.6.

Weliswaar is de termijnstelling door de Curator in zijn brieven van 11 en 27 december 2007 te billijken, gelet op het tijdsverloop en zijn concrete belang bij voortgang in het faillissement, maar deze brengt niet mee dat Nidera door die gestelde termijn niet te eerbiedigen haar aanspraken is kwijt geraakt.

Een situatie als bedoeld in artikel 58 Fw doet zich hier niet voor. Door de door de Curator gestelde termijn niet te eerbiedigen, zou Nidera derhalve geen recht verliezen. Het zou daarom niet juist zijn om de niet-inachtneming van de door de Curator gestelde termijn vervolgens toch als rechtsverlies, bij wijze van rechtsverwerking, aan te merken. Daar komt bij dat [gedaagde] aan Nidera slechts stilzitten verwijt.


2.6.7.

Doen zich uitzonderlijke omstandigheden voor waarin Nidera bij de Curator het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat zij ingeval van stilzwijgen tot na eind januari 2008 geen aanspraken (meer) zou doen gelden?

Met de in 2.6.5 aangehaalde bewoordingen in het faxbericht van 27 december 2007 heeft (de advocaat van) Nidera weliswaar de indruk gewekt dat zij in ieder geval uiterlijk eind januari 2008 van zich zou laten horen, maar noch met die bewoordingen, noch met de rest van dat faxbericht gaf Nidera te kennen dat zij haar aanspraken (mogelijk, na januari 2008) niet (meer) zou doen gelden. Integendeel: in dat faxbericht herhaalde Nidera haar standpunt dat zij recht had op de (bruto-opbrengsten van de) (documenten betreffende de) partijen sojaolie. Dat was tot dan toe het standpunt van Nidera geweest en kennelijk bleef dat het standpunt van Nidera, zodat een nader “definitief [..] bericht[..] omtrent de positie” noch een “inhoudelijke reactie” voor de Curator nodig waren. In dat faxbericht werd tevens gezegd dat al een concept voor een dagvaarding was opgesteld. Het ware, uiteraard, juister geweest indien Nidera wel iets van zich had laten horen voor het einde van januari 2008, maar ook onder deze omstandigheden levert haar stilzitten geen rechtsverwerking op.

Met zijn brief van 21 februari 2008 heeft de Curator aangekondigd dat hij op het punt stond om tot afwikkeling over te gaan. Gelet op de eerdere correspondentie heeft Nidera daaruit moeten begrijpen dat de Curator voornemens was om met AbnAmro te gaan afrekenen en waar nodig aan Rosilvia betaling te verrichten, een en ander ten laste van de bruto-opbrengsten van de (documenten betreffende de) partijen sojaolie. Ook daarop heeft Nidera niet gereageerd, hoewel zij dat beter wel had kunnen doen. Maar ook dat stilzitten kon bij de Curator, gegeven het faxbericht van Nidera van 27 december 2007, niet het gerechtvaardigd vertrouwen wekken dat Nidera (inmiddels) afzag van haar aanspraken.


2.6.8.

Derhalve gaat het beroep op rechtsverwerking niet op.


2.7.

Vast staat dat de Curator de bruto-opbrengsten van de (documenten betreffende de) partijen sojaolie (na januari 2008) niet afgezonderd heeft gehouden. Ook is tussen partijen niet (meer) in dispuut dat Nidera de veroordeling van de Curator onder het vonnis van 30 april 2014 niet (volledig) kan verhalen op de faillissementsboedel.

Is [gedaagde] ter zake aansprakelijk?


2.7.1.

Anders dan [gedaagde] betoogt, acht de rechtbank de Curator wel aan regels gebonden als bedoeld in rov. 3.4.2 van het arrest HR 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU4204 – Prakke/Gips. De Curator was, immers, op de hoogte met de eigenaars-aanspraken van Nidera en achteraf is geoordeeld dat die aanspraken terecht waren. Derhalve had de Curator geen vrijheid van handelen en behoefde noch mocht de Curator een afweging te maken tussen belangen zoals die van de boedel, de pretense pandhouder AbnAmro, de koper Rosilvia en Nidera. De Curator diende het eigendomsrecht van Nidera te respecteren, althans de bruto-opbrengsten voor Nidera beschikbaar te houden. Door dat niet te doen handelde de Curator onrechtmatig jegens Nidera.


2.7.2.

Nidera maakt drie verwijten aan het adres van de Curator te maken ter zake van het niet respecteren van haar eigenaars-aanspraken:

  • - dat de Curator de (documenten betreffende de) partijen sojaolie heeft verkocht en geleverd;
  • - dat de Curator de bruto-opbrengsten van die verkopen niet afgezonderd heeft gehouden; en
  • - dat de Curator de bruto-opbrengsten heeft aangewend ter betaling aan derden met een minder sterk recht dan Nidera (zoals AbnAmro en Rosilvia) en ter dekking van faillissementskosten.

Het onder (1) bedoelde verwijt levert, als gezegd, geen aansprakelijkheid van [gedaagde] op.

Doordat Nidera de Curator in het faxbericht van 27 december 2007 had afgeraden om te handelen als bedoeld onder (2) en (3) en had gedreigd met persoonlijke aansprakelijkstelling, moet de Curator zich bewust zijn geweest van de aan zijn gedrag verbonden risico’s. Nu achteraf is gebleken dat die risico’s zijn verwezenlijkt en dat de boedelvordering van Nidera niet (meer) op de boedel verhaalbaar is, dient de vraag beantwoord te worden of [gedaagde] (voor die verhaalschade) persoonlijk aansprakelijk is.

De rechtbank overweegt het volgende.


2.7.3.

AbnAmro had slechts een stil pandrecht op de (documenten betreffende de) partijen sojaolie indien en voor zover AOH beschikkingsbevoegd over die goederen was. Zoals is geoordeeld, was AOH dat niet. Daarom had de Curator zonder toestemming van Nidera, met wier aanspraken hij bekend was, niet tot honorering van het stille pandrecht van AbnAmro mogen overgaan, al dan niet door verrekening van vorderingen tussen AbnAmro en de faillissementsboedel of AOH, ten laste van de opbrengst van de (documenten betreffende de) partijen sojaolie. Kennelijk heeft de Curator dat wel gedaan en heeft hij met AbnAmro een regeling getroffen en op 7 maart 2008 € 91.085,00 uit die opbrengst aan AbnAmro betaald (punt 21 van de nadere akte van 10 april 2013).

Nidera had al in april 2006 voorgesteld om de (documenten betreffende de) partijen sojaolie zelf te verkopen. De Curator heeft die wens niet ingewilligd en een aanmerkelijk gedeelte van die partijen aan Rosilvia verkocht. Waar de Curator in feite aan Nidera toebehorende goederen verkocht aan Rosilvia, gaat het niet aan om zonder toestemming van Nidera het verhaal van Nidera te verminderen door uit die opbrengst een vordering van Rosilvia te voldoen. Toen de rechtbank Utrecht bij vonnis van 3 september 2008 einduitspraak deed in de zaak tussen Rosilvia en de Curator, was Nidera tot dagvaarding in deze zaak overgegaan. De Curator heeft geen rechtsmiddel ingesteld tegen het vonnis. Kennelijk heeft de Curator – anders dan [gedaagde] bij pleidooi betoogde; stukken betreffende zodanige executie heeft [gedaagde] niet in het geding gebracht – het niet op een executie ten laste van de faillissementsboedel laten aankomen, bij welke executie Rosilvia met andere boedelschuldeisers zoals Nidera zou hebben moeten meedelen, maar heeft de Curator aan Rosilvia betaald. De rechtbank gaat ervan uit dat de Curator conform zijn eigen stellingen op 13 november 2008 US$ 227.627,84 en op 19 november 2008 een bedrag van € 10.784,87 aan Rosilvia heeft betaald (zie rov 2.14 van het vonnis van rechtbank Utrecht van 3 september 2008, punt 11 van de conclusie van antwoord en punt 20 van de nadere akte van 10 april 2013).

Van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht, mocht in redelijkheid verlangd worden dat hij zonder toestemming van Nidera niet tot die betalingen aan AbnAmro of aan Rosilvia zou overgaan. Door dat wel te doen heeft [gedaagde] onrechtmatig jegens Nidera gehandeld. Voor de schade wegens die betalingen is [gedaagde] jegens Nidera aansprakelijk.


2.7.4.

Nidera verwijt [gedaagde] voorts dat hij (de rest van) de opbrengst van de (documenten betreffende de) partijen sojaolie met de faillissementsboedel heeft vermengd.

De rechtbank vermag niet in te zien dat door die gedraging van de Curator de mogelijkheid van verhaal van de vordering van Nidera is beperkt, omdat de faillissementsrekening een afgescheiden vermogen vormt en omdat de Curator ook voordien die opbrengsten behandelde als bestanddeel van de faillissementsboedel.


2.8.

Anders dan Nidera betoogt, levert het betalen van faillissementskosten, zoals het salaris van de Curator, niet een persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde] op, ook niet ten aanzien van de kosten betreffende het geschil tussen Nidera en de Curator. Gelet op de onzekerheid over de inhoud en strekking van het CAD-beding, mocht (en behoorde) de Curator daarover het oordeel van de rechter in(te)roepen ten behoeve van de belangen van alle schuldeisers en van de faillissementsboedel. Over de vraag of een curator in zodanig geval met het oog op de aanspraak van eigendomsvoorbehoud en de omvang van de faillissementsboedel moet afwachten met invordering van zijn salaris en kosten tot de uitkomst van zodanig geschil, kan men van mening verschillen.


2.9.

Andere, zodanig concrete verwijten aan het adres van de Curator dat deze zich voor onderzoek in deze procedure lenen, liggen niet voor.


2.10.

Daarom komt de rechtbank tot de slotsom dat [gedaagde] jegens Nidera aansprakelijk is tot vergoeding van de schade bestaande uit de betalingen door de Curator aan AbnAmro en aan Rosilvia. Het beloop van die betalingen en de data ervan zijn bekend, zodat die schade in dit vonnis kan worden begroot (anders dan partijen bij gelegenheid van de pleidooien hadden voorgesteld).

Het gaat om de volgende schadeposten:

  • - € 91.085,00, geleden per 7 maart 2008;
  • - US$ 227.627,84, geleden per 13 november 2008; en
  • - € 10.784,87, geleden per 19 november 2008.

Ingevolge artikel 6:119 lid 1 BW in samenhang met artikel 6:83 aanhef en onder b BW heeft Nidera aanspraak op de wettelijke rente over deze schadeposten vanaf de genoemde data.


2.11.

De rechtbank zal [gedaagde] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordelen. De rechtbank zal de aan de zijde van Nidera tot dit vonnis gevallen kosten begroten, rekening houdende met de kostenbegroting in de zaak tegen de Curator in het vonnis van 30 april 2014, op vier punten in Liquidatietarief VI, derhalve € 8.000,00.


2.12.

Gelet op de omstandigheden dat in de zaak tegen de Curator hoger beroep is ingesteld en dat geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan aannemelijk is dat Nidera een dringend belang heeft bij onmiddellijke betaling door [gedaagde] of dat [gedaagde] niet in staat zal zijn om aan een veroordeling te voldoen wanneer een beslissing tegen hem in kracht van gewijsde zou zijn geraakt, zal de rechtbank het vonnis niet bij voorraad uitvoerbaar verklaren.



3De beslissing

De rechtbank


3.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan Nidera te betalen het bedrag van € 91.085,00 (eenennegentigduizend vijfentachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 maart 2008 tot aan de dag van algehele voldoening;


3.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan Nidera te betalen het bedrag van US$ 227.627,84 (tweehonderdzevenentwintigduizend zeshonderdzevenentwintig 84/100 Verenigde Staten dollars), te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 13 november 2008 tot aan de dag van algehele voldoening;


3.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan Nidera te betalen het bedrag van € 10.784,87 (tienduizend zevenhonderdvierentachtig 87/100 euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 november 2008 tot aan de dag van algehele voldoening;


3.4.

veroordeelt [gedaagde] in de aan de zijde van Nidera gevallen proceskosten, tot deze uitspraak begroot op € 8.000,00 (achtduizend euro); bepaalt dat, indien deze proceskostenveroordeling niet binnen veertien dagen na de dag van uitspraak is betaald, daarover vanaf de vijftiende dag de wettelijke rente verschuldigd wordt tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de nakosten, waarbij het salaris voor de advocaat wordt begroot op € 131,00 (eenhonderdeenendertig euro) zonder betekening en op € 199,00 (eenhonderd-negenennegentig euro) indien betekening van dit vonnis plaatsvindt;


3.5.

wijst af het meer of anders tegen [gedaagde] gevorderde.


Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2015. 1928