Rechtbank Rotterdam, 16-09-2015 / C/10/458543 / HA ZA 14-901


ECLI:NL:RBROT:2015:6763

Inhoudsindicatie
Hoofdzaak: Verzekeringsovereenkomst. Cascoschade. Schade aan sloptank van schip. Onzeker voorval. Van buiten komend onheil. Reikwijdte van de verzekering. Tijdige melding van de schade. Vrijwaring: Aansprakelijkheid van door verzekeraar ingeschakelde deskundige. Zorg die de deskundige bij het opstellen van een rapportage in acht dient te nemen.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-09-16
Publicatiedatum
2015-09-22
Zaaknummer
C/10/458543 / HA ZA 14-901
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • NTHR 2016, afl. 1, p. 39
  • RAV 2016/20
  • S&S 2016/34
  • JA 2015/168
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel


Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 16 september 2015


in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/10/458543 / HA ZA 14-901 van


[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. M.J. van Dam te Rotterdam,


tegen


1. de vennootschap naar het recht van haar plaats van vestiging HDI-GERLING INDUSTRIE VERSICHERUNG AG,

gevestigd te Essen (Duitsland),

2. de vennootschap naar het recht van haar plaats van vestiging ALLIANZ VERSICHERUNGS-AG,

gevestigd te Stuttgart (Duitsland),

3. de naamloze vennootschap ASCO N.V.,

gevestigd te Antwerpen (België),

4. de vennootschap naar het recht van haar plaats van vestiging ZURICH INSURANCE PLC,

gevestigd te Brussel (België),

5. de vennootschap naar het recht van haar plaats van vestiging GENERALI ASSURANCES S.A.,

gevestigd te Parijs (Frankrijk),

6. de vennootschap naar het recht van haar plaats van vestiging AXA BELGIUM N.V.,

gevestigd te Brussel (België),

7. de vennootschap naar het recht van haar plaats van vestiging S.I.A.T. SPA,

gevestigd te Genova (Italië),

8. de vennootschap naar het recht van haar plaats van vestiging ALLIANZ - ESA EUROSHIP GMBH & CO.KG,

gevestigd te Bad Friedrichshall (Duitsland),

9. de naamloze vennootschap NATIONALE NEDERLANDEN N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

10. de naamloze vennootschap AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AMLIN EUROPE N.V., VOORHEEN H.O.D.N. AMLIN CORPORATE INSURANCE N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagden,

advocaat mr. J.C. van Zuethem te Breda,


en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/10/468703 / HA ZA 15-113 van


1. de vennootschap naar het recht van haar plaats van vestiging HDI-GERLING INDUSTRIE VERSICHERUNG AG,

gevestigd te Essen (Duitsland),

2. de vennootschap naar het recht van haar plaats van vestiging ALLIANZ VERSICHERUNGS-AG,

gevestigd te Stuttgart (Duitsland),

3. de naamloze vennootschap ASCO N.V.,

gevestigd te Antwerpen (België),

4. de vennootschap naar het recht van haar plaats van vestiging ZURICH INSURANCE PLC,

gevestigd te Brussel (België),

5. de vennootschap naar het recht van haar plaats van vestiging GENERALI ASSURANCES S.A.,

gevestigd te Parijs (Frankrijk),

6. de vennootschap naar het recht van haar plaats van vestiging AXA BELGIUM N.V.,

gevestigd te Brussel (België),

7. de vennootschap naar het recht van haar plaats van vestiging S.I.A.T. SPA,

gevestigd te Genova (Italië),

8. de vennootschap naar het recht van haar plaats van vestiging ALLIANZ - ESA EUROSHIP GMBH & CO.KG,

gevestigd te Bad Friedrichshall (Duitsland),

9. de naamloze vennootschap NATIONALE NEDERLANDEN N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

10. de naamloze vennootschap AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AMLIN EUROPE N.V., voorheen h.o.d.n. AMLIN CORPORATE INSURANCE N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagden,

advocaat mr. J.C. van Zuethem te Breda,


tegen


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. D. Knottenbelt te Rotterdam.



Partijen zullen hierna [eiser] , HDI-Gerling c.s. en [gedaagde] genoemd worden.



1De procedure in de hoofdzaak en in de vrijwaring

1.1.

Het verloop van de procedure in de hoofdzaak blijkt uit:

  • - de dagvaarding d.d. 27 juni 2014 (11 exploiten) en de door [eiser] overgelegde producties;
  • - de stukken van de internationale betekeningen van de dagvaardingen aan gedaagden 1 t/m 8;
  • - de conclusie van antwoord, met producties;
  • - het tussenvonnis in de hoofdzaak en in de vrijwaring van 27 mei 2015, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;
  • - het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 10 juli 2015 (tevens in de vrijwaring), zoals dat gecorrigeerd is toegezonden aan partijen op 11 september 2015;
  • - de brieven van mr. Van Zuethem d.d. 12 augustus 2015, respectievelijk mr. Seck d.d. 18 augustus 2015 en het rolbericht d.d. 18 augustus 2015 van mr. Knottenbelt, die aan het proces-verbaal zijn gehecht (tevens in de vrijwaring).

1.2.

Het verloop van de procedure in de vrijwaring blijkt uit:

  • - het vonnis in het incident d.d. 17 december 2014 en de daaraan ten grondslag liggende stukken, waarbij het HDI-Gerling c.s. is toegestaan [gedaagde] in vrijwaring op te roepen;
  • - de dagvaarding d.d. 20 januari 2015 en de door HDI-Gerling c.s. overgelegde producties;
  • - de akte overlegging producties tevens akte houdende vermeerdering van eis;
  • - de conclusie van antwoord in vrijwaring, met producties;
  • - het tussenvonnis in de hoofdzaak en in de vrijwaring van 27 mei 2015, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;
  • - de Akte, zijdens HDI-Gerling c.s.;
  • - het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 10 juli 2015 (tevens in de hoofdzaak), zoals dat gecorrigeerd is toegezonden aan partijen op 11 september 2015;
  • - de brieven van mr. Van Zuethem d.d. 12 augustus 2015, respectievelijk mr. Seck d.d. 18 augustus 2015 en het rolbericht d.d. 18 augustus 2015 van mr. Knottenbelt, die aan het proces-verbaal zijn gehecht (tevens in de hoofdzaak).

1.3.

Ten slotte is vonnis in de hoofdzaak en in de vrijwaring bepaald.


2De feiten in de hoofdzaak en in de vrijwaring

2.1.

[eiser] is eigenaar en exploitant van het binnenvaartmotortankschip mts Almira (hierna: het schip).


2.2.

Het schip vaart via Unitas United Trucking & Shipping Company N.V. in charter voor Styron Belgium BVBA (hierna: Styron), gevestigd te Tessenderlo (België).


2.3.

Het schip vervoert sinds 2007, het jaar waarin het als nieuw schip in de vaart kwam, uitsluitend styreen monomeer in België en Zuidwest Nederland.


2.4.

Tussen [eiser] en HDI-Gerling c.s. is, door bemiddeling van BCI B.V., op 12 oktober 2010 een verzekeringsovereenkomst tot stand gekomen ter zake van het schip. In de sluitnota met polisnummer 2010.B.01.0082 is onder meer opgenomen:

“Soort verzekering : Binnenvaart casco

Verzekerde : Tankvaart Almira e/o. Mira-Rio S.A.

Ingangsdatum verzekering : 1 december 2010

Einddatum verzekering : 1 december 2013 en voorts voor 24 maanden doorlopend tenzij door één van beide partijen 2 maanden voor vervaldatum opgezegd.


Specificatie verzekerd(e) som(men) en omschrijving


€ 6.375.000 : Op casco en machinerieën, incluis alle aan- en toebehoren waaronder begrepen nautische en/of communicatie apparatuur, alsmede op huishoudelijke inboedel, zaken, inventaris en andere eigendommen van verzekerde en/of opvarenden in de ruimste zin des woords, niets uitgezonderd:

PER : Mts “Almira”, (…)


OMSCHRIJVING : Deze verzekering is van kracht voor de vaart binnen Nederland, België, Frankrijk, Duitsland en Zwitserland conform vaarclausule B 25.

CONDITIES : Casco en machinerieën


Nederlandse Beurs Casco Polis voor de Binnenvaart 2006

B 10 Zusterschipclausule

B 17 Aanvullende clausule voor verzekering van werkvaartuigen

(…)

BVC2010.001 Speciale Clausule voor Verzekering van Vaartuigen- waarin artikel 5 is doorgehaald.

(…)

EIGEN RISICO : Casco en machinerieën

(…)

Gezien er geen regeling verbetering nieuw van oud van toepassing is zal ten aanzien van de schade aan het verzekerde interest zelf, het ten laste van de verzekeraars komende schadebedrag worden verminderd met € 3.500 per gebeurtenis”


2.5.

De voorwaarden Nederlandse Beurs Casco Polis voor de Binnenvaart 2006 (hierna: NBC-condities) luiden onder meer:

Artikel 1. Onzeker voorval

Deze overeenkomst beantwoordt aan het vereiste van onzekerheid, als bedoeld in artikel 7:925 Burgerlijk Wetboek indien en voorzover de door verzekerde of een derde(n) geleden schade op vergoeding waarvan jegens verzekeraar respectievelijk een verzekerde aanspraak wordt gemaakt, het gevolg is van een voorval waarvan voor partijen bij het sluiten van de verzekering onzeker was dat daaruit schade voor verzekerde respectievelijk de derde(n) was ontstaan dan wel naar de normale loop van omstandigheden nog zou ontstaan.

(…)

Artikel 11. Verplichtingen bij schade

A Zodra verzekeringnemer of de verzekerde op de hoogte is of behoort te zijn van een gebeurtenis die voor verzekeraars tot een uitkeringsplicht kan leiden, is hij verplicht die gebeurtenis zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is aan verzekeraars te melden.

De verzekerde is verplicht het bedoelde bericht vergezeld te doen gaan van respectievelijk zo spoedig mogelijk te doen volgen door een schriftelijk verslag van de omstandigheden, welke op het ontstaan van de schade van invloed zijn geweest of kunnen zijn geweest.”


2.6.

Artikel 4 van clausule BVC2010.001 bepaalt:

“4. Op clausule B27 “Werkvaartuigen” zijn de navolgende wijzigingen en/of aanvullingen van toepassing:

A. Art. 7 wordt geacht te luiden:

In geval van schade behoeft de verzekerde enig van buiten komend onheil niet aan te tonen. De verzekeraars behouden zich echter het recht te bewijzen dat de schade is veroorzaakt door een niet verzekerd gevaar.

In afwijking van en/of aanvulling en/of uitbreiding van hetgeen in de wet, polis en clausules is bepaald, is schuld, nalatigheid, verzuim, schelmerij van onverschillig welke personen – ook leidinggevend, of met de rechtspersoon te vereenzelvigen of toezichthoudend – al dan niet in dienst van verzekerde en/of rompbevrachter en/of gebruiker te goeder trouw een gebeurtenis waartegen verzekerd is.”


2.7.

Op 10 juli 2013 is het schip te Antwerpen in aanvaring gekomen met de kade in het Vijfde Havendok. Daardoor heeft het schip kopschade opgelopen. Voor de reparatie van de schade moest het schip naar de werf. Hiervoor diende het schip eerst gelost en gereinigd worden.


2.8.

Het schip heeft op 10 juli 2013 2.100 mt styreen monomeer uit ladingtanks 1, 2, 5, 7, 8, 10 en 11 gelost bij Styron te Tessenderlo. Het schip heeft vervolgens 8 m³ waswater aan boord genomen ten behoeve van het wassen van de tanks.


2.9.

Het wassen van de tanks geschiedde onderweg van Tessenderlo naar Moerdijk, waar het waswater met de overige restanten in de sloptank zou worden afgegeven. Na het wassen van de tanks werd het waswater met uitgewassen product in de sloptank gepompt bij de zich daar reeds bevindende slops.


2.10.

De inhoud van de sloptank is opgebouwd gedurende reizen die door het schip zijn uitgevoerd tussen 28 februari 2013 en 11 juli 2013. Na het wassen van de tanks was de sloptank vol.


2.11.

Op 11 juli 2013 is de inhoud van de sloptank, waaronder het waswater met styreen, afgegeven bij Afvalterminal Moerdijk (hierna: ATM). Tijdens het leegpompen van de sloptank bleek dat daar een groot blok (147,5 cm diep) hard geworden styreen (polystyreen) in zat, dat aan de sloptank was aangekoekt.


2.12.

De bemanning van het schip heeft tevergeefs geprobeerd deze verharding te verwijderen.


2.13.

Op 22 augustus 2013 heeft [eiser] het incident bij HDI-Gerling c.s. gemeld.


2.14.

HDI-Gerling c.s. heeft aan [gedaagde] opdracht gegeven de verharding in de sloptank te onderzoeken. [gedaagde] heeft op 22 augustus 2013 en 30 augustus 2013 een expertise uitgevoerd. In de periode tussen september en november 2013 heeft [gedaagde] nader onderzoek verricht.


2.15.

Van 8 tot en met 11 oktober 2013 te Antwerpen en van 29 oktober tot en met 4 november 2013 te Sas van Gent is de verharding conform het advies van [gedaagde] op mechanische wijze verwijderd, door middel van reiniging met water onder hoge druk.


2.16.

Op 5 december 2013 heeft [gedaagde] een expertiserapport uitgebracht. Hierin is onder meer opgenomen:


MAATREGELEN

Onderzocht werd wat de beste methode was wat betreft het verwijderen van de uitgeharde styreen monomeer. Initieel werd aan de volgende twee opties gedacht, welke beiden in regie waren geoffreerd:


Optie I

Reinigen locatie Antwerpen door middel van hoge druk 1.000 bar wasmachine. Duur 3/5 dagen (verwacht).

Prijsrange: EUR 50.000,00/75.000,00


Optie II

Reiniging door middel van precisie hoge druk. Duur 2 dagen (verwacht).

Prijsindicatie: zo’n max EUR 50.000.


Bij optie II werd verwacht dat de coating schade aanzienlijk lager zou uitvallen. Derhalve werd voor deze optie gekozen.

(…)

OORZAAK V/D SCHADE


Styreen monomeer is een kleurloos, olieachtige substantie met een kenmerkende onaangename geur. Het is moeilijk oplosbaar in water.


Polystyreen is een thermoplastisch polymeer van styreen monomeer. Het is een kunststof. Het product wordt onder meer gebruikt voor isolatiemateriaal, wegwerpbekers etc.


Polymerisatie gebeurt door een chemische reactie die onder meer door warmte of licht kan worden geïnitieerd. Normaal wordt er inhibitor/stabilisator toegevoegd om het product vloeibaar te houden. Dit is slechts voor een bepaalde tijd geldig, afhankelijk van de omstandigheden.”


2.17.

De totale kosten voor het herstel van de sloptank hebben een bedrag van

€ 97.476,78 bedragen, te weten € 61.871,96 respectievelijk € 32.128,05 voor de werkzaamheden in Antwerpen en Sas van Gent, € 2.608 ter zake coating en € 1.408,78 ter zake schade beperkende maatregelen.


2.18.

Op 13 december 2013 heeft BCI B.V. namens en ten behoeve van [eiser] een schadeberekening bij Euroship GmbH&Co KG (optredend namens HDI-Gerling c.s.) ingediend.


2.19.

Per e-mail van 21 februari 2014 van Euroship GmbH&Co KG (namens HDI-Gerling c.s.) aan BCI B.V. is dekking van de schade geweigerd.


in de vrijwaring voorts:


2.20.

Naar aanleiding van opmerkingen en/of vragen van HDI-Gerling c.s. heeft [gedaagde] op 12 februari 2014 een aanvullend expertiserapport opgesteld.


2.21.

In opdracht van HDI-Gerling c.s. heeft [bedrijf1] (hierna: [bedrijf1] ) onderzoek gedaan naar de toedracht van de schade aan het schip. In haar rapport van 18 februari 2014 is onder meer opgenomen:

“Polystyreen is een thermoplast, hetgeen betekent dat het een polymeer betreft die uit lineaire ketens bestaat en derhalve kan worden opgelost en in verschillende soorten organische oplosmiddelen. Eenmaal opgelost, ontstaat er een viskeuze oplossing die met eigen middelen van het schip uit de sloptank kan worden gepompt. De oplosmiddelen die bijvoorbeeld gebruikt kunnen worden om polystyreen in op te lossen, staan hieronder vermeld.

(…)

Tolueen

(…)

Verwarming en het gebruik van een oplosmiddel om de polystyreen in op te lossen om deze vervolgens uit de sloptank te kunnen pompen, heeft de voorkeur boven het verwijderen van polystyreen met behulp van water onder hoge druk omdat er

- geen sprake is van een verhoogd veiligheidsrisico;

-geen coatingschade ontstaat;

-geen risico-verhogende, arbeidsintensieve werkzaamheden hoeven plaats te vinden en

- goedkoper is dan alle andere alternatieven.

(…)

Indien de optie van het verwijderen van de polystyreen in de sloptank met behulp van tolueen was overwogen op basis van de informatie dat de sloptank 7.486,5 kg (7.130 liter) polystyreen bevatte dan waren de kosten beperkt gebleven tot (…) EUR 13.309,72”


3Het geschil

in de hoofdzaak 3.1.

[eiser] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, elk der gedaagden te veroordelen tot betaling aan [eiser] :

a. van haar aandeel in de somma van € 93.976,78, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW daarover vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, dat wil zeggen gedaagde sub 1: 27,5%; gedaagde sub 2: 22,5%; gedaagde sub 3: 1,40%; gedaagde sub 4: 2,15%; gedaagde sub 5: 0,5%; gedaagde sub 6: 1,35%; gedaagde sub 7: 3,80%; gedaagde sub 8: 0,80%; gedaagde sub 9: 10%; gedaagde sub 10: 10%; gedaagde sub 11: 20%,

en HDI-Gerling c.s. hoofdelijk te veroordelen tot het betalen aan [eiser] :

b. van € 1.745,00 (buitengerechtelijke kosten), te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW daarover vanaf de dag der dagvaarding, althans vanaf de dag der uitspraak tot de dag der algehele voldoening;

c. de kosten van deze procedure, daaronder begrepen de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.


3.2.

Het verweer van HDI-Gerling c.s. strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de procedure.


3.3.

Op de stellingen van partijen in de hoofdzaak wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


in de vrijwaringszaak

3.4.

HDI-Gerling c.s. vordert – na eisvermeerdering – om, voor zover HDI-Gerling c.s. in de hoofdzaak tot betaling van enig bedrag wordt veroordeeld, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om aan HDI-Gerling c.s. te betalen het bedrag van

€ 84.177,06, te vermeerderen met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.


3.5.

Het verweer van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, van HDI-Gerling c.s. in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente voor zover deze niet binnen 14 dagen na datum vonnis zijn voldaan, en in de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.


3.6.

Op de stellingen van partijen in de vrijwaring wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


4De beoordeling

in de hoofdzaak 4.1.

Partijen zijn het erover eens dat het geschil op grond van (de rechtskeuze vervat in) artikel 19 van de NBC-condities wordt beheerst door Nederlands recht en dat de rechtbank Rotterdam bevoegd is. De rechtbank volgt partijen hierin.


4.2.

[eiser] grondt zijn vordering op de verzekeringsovereenkomst. Daartoe stelt hij het volgende. Op 11 juli 2013 heeft zich een verzekerd voorval voorgedaan. HDI-Gerling c.s. is op grond van de tussen partijen gesloten verzekeringsovereenkomst gehouden dekking te verlenen voor de daardoor ontstane schade. De schade bedraagt in totaal € 97.476,78 (de reinigingskosten bedoeld in 2.17). Het eigen risico van [eiser] beloopt € 3.500,=. Derhalve dient door HDI-Gerling c.s. onder de polis een bedrag van € 93.976,78 te worden vergoed.


4.3.

Ter comparitie is gebleken dat het door HDI-Gerling c.s. gevoerde verweer dat gedaagde sub 9 geen cascoverzekeraar onder deze polis is op een misverstand berust. Dit verweer behoeft dan ook geen bespreking meer.


4.4.

HDI-Gerling c.s. betwist dat er dekking voor de reiniging van de door polymerisatie ontstane schade (de verharding in de sloptank) onder de verzekeringsovereenkomst bestaat. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Styreen monomeer is instabiel en kan onder invloed van licht, zuurstof en door verontreiniging uitharden. Styreen monomeer wordt gestabiliseerd door toevoeging van een chemische stof die de polymerisatie voorkomt, genoemd inhibitor. Ook aan de ladingen die [eiser] met het schip vervoerde werd steeds inhibitor toegevoegd. Als restlading met of zonder toevoeging van waswater in een sloptank wordt opgeslagen beïnvloedt dit de werkingsduur van de inhibitor. Daarom dient het inhibitorgehalte veel vaker te worden gecontroleerd en zo nodig tijdig te worden aangevuld. Blijven deze voorzorgsmaatregelen achterwege, dan is polymerisatie en dus verharding een onvermijdelijk gevolg. Als over een periode van zeven maanden restlading en afval in een sloptank worden vermengd, is het voorzienbaar en onvermijdelijk dat door polymerisatie een verharding ontstaat. De toevoeging van het waswater heeft mogelijk aan de polymerisatie bijgedragen.

HDI-Gerling c.s. beroept zich daarmee op het ontbreken van een onzeker voorval.


4.5.

Voor het bestaan van een verzekering is op grond van artikel 7:925 BW vereist dat er sprake is van onzekerheid. De door artikel 7:925 BW in verbinding met artikel 1 van de NBC-condities vereiste onzekerheid bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomst betreft in de eerste plaats een subjectieve onzekerheid met betrekking tot de vraag of het risico zich al dan niet reeds heeft verwezenlijkt. Dat de door [eiser] als verzekerd voorval aangewezen polymerisatie ten tijde van het sluiten van de verzekeringsovereenkomst nog niet had plaatsgevonden staat vast. HDI-Gerling c.s. heeft echter het oog op de andere situatie van het ontbreken van onzekerheid, te weten dat het zich voordoen van het voorval, gegeven de omstandigheden, onvermijdelijk was in de zin dat het zich zeker zou voordoen. Voor partijen moet immers bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomst onzeker zijn of de gebeurtenis tegen de schadelijke gevolgen waarvan de verzekering dekking biedt, zal plaatsvinden. De bewijslast ter zake rust op [eiser] .


4.6.

Naar oordeel van de rechtbank bestond op het moment van het aangaan van de verzekeringsovereenkomst ook in dit opzicht de vereiste geobjectiveerd subjectieve onzekerheid. [eiser] vervoert al sinds 2007 met het schip styreen monomeer. Weliswaar zal polymerisatie van styreen monomeer in het algemeen vanzelf plaatsvinden, maar in de praktijk zijn procedures ontwikkeld voor het vervoer van styreen monomeer zonder dat polymerisatie optreedt. Die procedures paste [eiser] ook al jaren, succesvol, toe. Dat is op zichzelf in confesso. [eiser] stelt daarom dat deze polymerisatie onzeker was in vorenbedoelde zin. De rechtbank acht dat bewezen. Mede tegen de achtergrond van bedoelde vaste praktijk heeft HDI-Gerling c.s. onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat voor [eiser] bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst niet onzeker was of moet zijn geweest dat aan de sloptank naar de normale loop van omstandigheden schade zou ontstaan door polymerisatie.


4.7.

De vraag is vervolgens of de polymerisatie van het styreen monomeer een van buiten komend onheil is, waarvoor de verzekering dekking biedt. Daarbij is het uitgangspunt dat voor zover de oorzaak van de schade is toe te rekenen aan een eigen gebrek of de aard van de verzekerde zaak zelf geen sprake is van een van buiten komend onheil. Op HDI-Gerling c.s. rust ingevolge artikel 4 van clausule BVC2010.001 de bewijslast dat geen sprake van een van buiten komend onheil.

Tussen partijen is niet in geschil dat de schade aan de sloptank is ontstaan door verharding van de restanten die zich in de sloptank bevonden. De schade is daarmee niet toe te schrijven aan een eigen gebrek of de aard van het schip (meer in het bijzonder de sloptank) zelf. Niet relevant is of het optreden van de schadeveroorzakende polymerisatie een eigen gebrek of de aard van styreen monomeer is, omdat de verzekerde zaak het (casco van het) schip is en niet de vervoerde styreen monomeer. In het midden kan blijven of de polymerisatie die heeft geleid tot de verharding het gevolg is van het toevoegen van te weinig inhibitor of de vermenging met teveel waswater, nu zowel in het eerste als in het tweede geval sprake is van een van buiten komend onheil.


4.8.

Voor zover HDI-Gerling c.s. bedoelt te betogen dat [eiser] de sloptank op onjuiste wijze heeft gebruikt, overweegt de rechtbank het volgende. Niet in geschil is dat de sloptank als onderdeel van het schip onder de polis gedekt is. HDI-Gerling c.s. heeft in de polis noch anderszins voorwaarden verbonden aan het gebruik van de sloptank. Dit betekent dat schade aan de sloptank onder de polis gedekt is, zolang de sloptank voor normale bedrijfsvoering wordt gebruikt en behoudens uitzonderingen in de polisvoorwaarden voorzien. Van zulke uitzonderingen is geen sprake. Onder dat normaal gebruik van de sloptank valt ook het daarin opslaan van ladingresten en waswater, nu een dergelijk gebruik niet in strijd is met de toepasselijke bepalingen van het CCNI-verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart. Dat verdrag verplicht de schipper niet alle restanten bij de ladingontvanger achter te laten. Voor zover HDI-Gerling c.s. bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst een beperktere dekking van de schade aan de sloptank voor ogen stond, had zij op dat moment nader moeten informeren naar het gebruik door [eiser] van de sloptank en eventueel aan het gebruik daarvan nadere voorwaarden moeten verbinden. Aan het door HDI-Gerling c.s. gemaakte onderscheid tussen restlading en ladingrestanten, wat daarvan verder zij, komt de rechtbank niet toe. De sloptank (die, naar vast staat op dit soort schepen verplicht is) mag in het algemeen gebruikt worden voor productresten die [eiser] niet aan de ontvanger heeft afgeleverd. Daarmee had de verzekeraar dus rekening te houden.


4.9.

HDI-Gerling c.s. heeft onvoldoende met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd dat de schade is veroorzaakt door van opzet of roekeloos handelen van [eiser] . Niet uitgesloten is dat er sprake is van schuld aan de zijde van [eiser] of zijn ondergeschikten. Dergelijke schuld is echter op grond van artikel 4 van clausule BVC2010.001 een gebeurtenis waartegen verzekerd is.


4.10.

Door polymerisatie van het styreen monomeer zijn verharde blokken polystyreen ontstaan die zijn vastgekoekt aan de zijden van de sloptank en die zijn vast komen te zitten om en onder de spiralen aan de onderkant van de sloptank. Het vastgekoekte polystyreen kon volgens de eigen expert van HDI-Gerling c.s. slechts met beschadiging van de sloptank en de spiralen verwijderd worden, als gevolg waarvan de sloptank onbruikbaar werd. Dit betreft schade aan het schip zoals omschreven in de polis. Dergelijke schade wordt gedekt onder de polisvoorwaarden van de door partijen gesloten verzekeringsovereenkomst. Dit betekent dat HDI-Gerling c.s. in beginsel gehouden is tot vergoeding van de gestelde schade over te gaan.


4.11.

HDI-Gerling c.s. heeft gesteld dat [eiser] de verharding in de sloptank gelijk na de ontdekking op 11 juli 2013 bij ladingontvanger Styron had moeten melden. Nu Styron [eiser] klaarblijkelijk het afpompen van de restlading heeft opgedragen, was Styron ook verantwoordelijk voor het verwijderen van het resterende afval uit de sloptanks en het als afval laten verwerken daarvan. Styron zou er daarbij met zekerheid voor hebben gekozen de afvalverwerkingsspecialist ATM te instrueren een oplosmiddel toe te voegen aan de restanten in de sloptank, waarna de restanten weer vloeibaar zouden worden. Oplossing van het polystyreen is blijkens het rapport van [bedrijf1] minder kostbaar dan mechanische verwijdering, zodat [eiser] minder schade zou hebben geleden. Hoe dan ook heeft [eiser] de schade te laat gemeld bij HDI-Gerling c.s.


4.12.

[eiser] heeft aangevoerd dat de bemanning eerst zelf heeft getracht de verharding te verwijderen en dat, toen bleek dat dit niet lukte, op 22 augustus 2013 het incident bij HDI-Gerling c.s. is gemeld. Voorts heeft [eiser] aangevoerd dat HDI-Gerling c.s. niet heeft aangetoond dat er nadeel is ontstaan doordat de verharding eerst op 22 augustus 2013 is gemeld.

4.13.

Op grond van artikel 11 van de NBC-condities is de verzekeringnemer of verzekerde zodra hij op de hoogte is of behoort te zijn van een gebeurtenis die voor verzekeraars tot een uitkeringsplicht kan leiden, verplicht deze gebeurtenis zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk aan verzekeraars te melden. Tussen het moment dat [eiser] op de hoogte is geraakt van de verharding in de sloptank en de melding daarvan aan HDI-Gerling c.s. is bijna anderhalve maand verstreken. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] niet in staat was de melding eerder dan na anderhalve maand te doen. De vertraging van anderhalve maand is ook volgens [eiser] zelf geheel toe te schrijven aan de omstandigheid dat [eiser] zelf heeft getracht de verharding te verwijderen. In beginsel is enige vertraging in de melding te billijken als plausibel is dat de schade met eenvoudige middelen is te verminderen of zelfs te verhelpen. [eiser] heeft onvoldoende met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd waarom het in het onderhavige geval nodig was dat anderhalve maand besteed werd aan pogingen door de eigen bemanning tot het verwijderen van de verharding. [eiser] heeft derhalve zijn meldingsplicht op grond van artikel 11 van de NBC-condities geschonden.


4.14.

De vraag is vervolgens of HDI-Gerling c.s. door deze late melding nadeel heeft geleden. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Ter onderbouwing van haar stelling dat zij nadeel heeft geleden gaat HDI-Gerling c.s. ervan uit dat [eiser] de (eerdere) melding zou hebben gedaan bij Styron en dat Styron dan ATM de opdracht zou hebben gegeven een oplosmiddel aan de sloptank toe te voegen. Echter, [eiser] had die melding niet aan Styron, maar aan de verzekeraar behoren te doen, zoals ook met de melding op 22 augustus 2013 is gebeurd en zoals de NBC-condities voorschrijven. De verhouding tussen [eiser] , haar opdrachtgever en Styron als ladingontvanger met wie [eiser] geen contractuele band heeft gaat HDI-Gerling c.s. niet aan (en verplichtte [eiser] overigens evenmin tot melding aan Styron). Dan ligt in de verwachting dat de verzekeraar ook bij een eerdere melding, gelijk na de melding op 22 augustus 2013 is gebeurd, [gedaagde] opdracht had gegeven de schade te onderzoeken. In de rapportage van [gedaagde] is de mogelijkheid van het verwijderen van de verharding door middel van het toevoeging van een oplosmiddel niet genoemd. Niet aannemelijk is voorts dat [gedaagde] die mogelijkheid wel in zijn rapport had genoemd indien hem eerder opdracht was gegeven de schade te onderzoeken. HDI-Gerling c.s. betoogt dat ook niet. De conclusie is dan ook dat ook als [eiser] de verharding eerder had gemeld de verharding op dezelfde wijze zou zijn verwijderd en [eiser] dezelfde schade zou hebben geleden. Dat, wellicht, bij eerdere melding de verharding minder vergevorderd zou zijn geweest zodat de reinigingskosten lager waren geweest, is in het licht van de vaststaande constatering op 11 juli 2013 onvoldoende onderbouwd.


4.15.

Ter terechtzitting hebben partijen verklaard dat voor zover komt vast te staan dat de door [eiser] geleden schade is gedekt onder de polisvoorwaarden, zij in staat zijn onderling de uitkering van de aan [eiser] toekomende vergoeding af te wikkelen. De rechtbank merkt in dit kader op dat de kosten in verband met het verwijderen van de verharding zijn te beschouwen als gedekte schade en niet als normale bedrijfsactiviteit en voor vergoeding in aanmerking komen.


4.16.

De rechtbank zal de hoofdzaak verwijzen naar de rol voor uitlating door partijen over de vraag of zij op basis van voorgaande beoordeling tot de afwikkeling van de schade zijn gekomen dan wel dat zij op dit punt een nadere beslissing van de rechtbank verlangen.


4.17.

In afwachting van vorenbedoelde uitlating zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

in de vrijwaringszaak

4.18.

HDI-Gerling c.s. heeft haar vordering in de vrijwaring ingesteld voor het geval dat de rechtbank mocht oordelen dat HDI-Gerling c.s. aan [eiser] (een deel van) de voor de verwijdering van de ladingrestanten gemaakte kosten dient te vergoeden. Nu de voorwaarde waaronder de vordering in vrijwaring ingesteld is vervuld, komt de rechtbank toe aan een inhoudelijke beoordeling van die vordering.


4.19.

HDI-Gerling c.s. heeft haar eis vermeerderd. [gedaagde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen die eiswijziging. Nu de rechtbank deze ook niet ambtshalve in strijd acht met een goede procesorde, zal zij recht doen op de aldus gewijzigde, onder 3.4 weergegeven eis.


4.20.

HDI-Gerling c.s. grondt haar vordering op tekortkoming door [gedaagde] in de nakoming van zijn verplichting uit overeenkomst. Daartoe stelt HDI-Gerling c.s. het volgende. [gedaagde] heeft in zijn rapportage twee methodes voorgesteld om de polystyreen uit de sloptank van het schip te verwijderen. Beide methodes hielden in dat het polystyreen door middel van water werd verwijderd onder hoge druk (mechanisch reinigen). Uit het expertiserapport van [bedrijf1] blijkt dat er nog een andere methode is om het polystyreen uit de sloptank te verwijderen, namelijk het oplossen van de polystyreen door het toevoegen van een passend oplosmiddel (chemisch reinigen). Dit is, naar tussen partijen op zich vast staat, een gebruikelijke methode. Bovendien was, zo stelt HDI-Gerling c.s., deze methode goedkoper en efficiënter dan de door [gedaagde] voorgestelde methodes. [gedaagde] had HDI-Gerling c.s. ook moeten wijzen op de mogelijkheid om het polystyreen uit de sloptank te verwijderen door chemisch reinigen door deze in elk geval in het rapport te bespreken.


4.21.

[gedaagde] betwist dat hij tekort is geschoten in zijn verplichtingen uit overeenkomst. Hij stelt daartoe dat hij het verwijderen van het polystyreen door chemisch reinigen wel degelijk in overweging heeft genomen. [gedaagde] heeft deze methode echter niet geadviseerd omdat niet zeker was of deze methode veilig was en binnen afzienbare tijd tot het gewenste resultaat zou leiden. Gelet op de omstandigheid dat verzekeraars, en ook HDI-Gerling c.s., in het algemeen een beknopt rapport met een helder advies wensen was het niet nodig om alle, overwogen doch verworpen, mogelijkheden in dat rapport te behandelen.


4.22.

De opdracht tot het opstellen van een expertiserapport is een overeenkomst in de zin van artikel 7:400 BW. Ingevolge artikel 7:401 BW diende [gedaagde] bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen. Hiervan is sprake indien [gedaagde] heeft gehandeld als een redelijk handelend en redelijk bekwaam deskundige. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de deskundige bij het verrichten van zijn werkzaamheden zorgvuldig te werk dient te gaan en zijn rapport consistent en duidelijk dient te zijn. De deskundige dient bij zijn advisering alle realistisch mogelijke methodes om tot het gewenste resultaat te komen te onderzoeken. Het is echter uiteindelijk aan de deskundige om op grond van zijn expertise te bepalen welke methode het meest geëigend is om het gewenste resultaat te bereiken.


4.23.

Als onbetwist staat vast dat de methode van het verwijderen van het polystyreen door middel door chemisch reinigen in dit geval zou hebben kunnen worden toegepast. [gedaagde] had derhalve deze methode in overweging moeten nemen. Gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door HDI-Gerling c.s. staat thans niet vast dat [gedaagde] de methode van het chemisch reinigen in overweging heeft genomen en evenmin dat aan deze methode zodanige nadelen kleefden dat [gedaagde] in redelijkheid kon menen dat deze niet genoemd hoefde te worden. [gedaagde] zal worden toegelaten tot het aangeboden bewijs terzake.


4.24.

Indien [gedaagde] slaagt in het hem opgedragen bewijs en dus vast komt te staan dat [gedaagde] de methode van het chemische reinigen in overweging heeft genomen en op goede gronden heeft verworpen, heeft hij gehandeld als een redelijk handelend en redelijk bekwaam deskundige. In dat geval heeft [gedaagde] de zorg van een goed opdrachtnemer in acht genomen en is hij niet in zijn verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht te kort geschoten. Niet van belang daarbij is of [gedaagde] de methode van het chemisch reinigen aan HDI-Gerling c.s. heeft voorgelegd door bespreking in het rapport. De deskundige dient uiteindelijk op grond van zijn expertise tot een aanbeveling te komen. In dit geval heeft [gedaagde] een keus voor mechanisch reinigen gemaakt. Gebleken is dat de aanbevolen methode heeft geleid tot het gewenste resultaat, de verwijdering van de verharding in de sloptank. In zoverre heeft [gedaagde] dus gehandeld als een redelijk handelend en redelijk bekwaam deskundige. Alsdan ligt de vordering in beginsel voor afwijzing gereed.


4.25.

Indien [gedaagde] niet slaagt in het hem opgedragen bewijs, heeft hij niet gehandeld als een redelijk handelend en redelijk bekwaam deskundige. In dat geval heeft [gedaagde] niet de zorg van een goed opdrachtnemer in acht genomen en is hij in zijn verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht te kort geschoten. Alsdan ligt de vordering in beginsel voor toewijzing gereed, zij het dat dan over de cijfermatige consequenties nog beslist moet worden.


4.26.

In afwachting van de bewijslevering wordt iedere verdere beslissing aangehouden.


5De beslissing

De rechtbank


in de hoofdzaak


5.1.

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 14 oktober 2015 voor uitlatingen van partijen als bedoeld onder 4.16;


5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan;


in de vrijwaring


5.3.

laat [gedaagde] toe te bewijzen die feiten en omstandigheden waaruit kan worden vastgesteld dat [gedaagde] tijdens de advisering aan HDI-Gerling c.s. die heeft geleid tot het expertiserapport van 5 december 2013 de mogelijkheid om de sloptank van het schip chemisch te reinigen in overweging heeft genomen en heeft onderzocht dat aan deze methode zodanige nadelen kleefden dat [gedaagde] in redelijkheid kon menen dat deze niet genoemd hoefde te worden;


5.4.

bepaalt dat indien [gedaagde] dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord op de terechtzitting van vrijdag 20 november 2015 van 09.00 tot 12.00 uur in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan de Wilhelminaplein100/125, voor de rechter mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten;

5.5.

bepaalt dat [gedaagde] binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank - Administratie haven en handel, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - de namens haar te horen getuigen moet opgeven;


5.6.

bepaalt dat de partij die op voornoemde datum verhinderd is, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank uitstel kan vragen onder opgave van de verhinderdagen van de getuigen, alle partijen en hun advocaten in de maanden oktober tot en met december 2015, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zal worden bepaald;


5.7.

bepaalt dat [gedaagde] indien deze het bewijs niet door getuigen wil leveren maar door overlegging van bewijsstukken en/of door een ander bewijsmiddel, het voornemen hiertoe binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank en aan de wederpartij moet opgeven, waarna de verdere procesvoering zal worden bepaald;


5.8.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken, voor zover nog niet in het geding gebracht, aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen;


5.9.

houdt iedere verdere beslissing aan.



Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2015.

2111/106