Rechtbank Rotterdam, 25-09-2015 / 3840682 CV EXPL 15-6063


ECLI:NL:RBROT:2015:6803

Inhoudsindicatie
Vordering op basis van kennelijk onredelijk ontslag. Verjaringstermijn van zes maanden. Niet tijdig gestuit waardoor vordering is verjaard.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-09-25
Publicatiedatum
2015-09-29
Zaaknummer
3840682 CV EXPL 15-6063
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2015/1806
  • AR-Updates.nl 2015-0945
Uitspraak RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 3840682 CV EXPL 15-6063


uitspraak: 25 september 2015


vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,


in de zaak van


[eiser],

wonende te Delft,

eiser, hierna [eiser] genoemd,

gemachtigde: mr. J.J.A. Janssen,


tegen


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MAS ARCHITECTUUR B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde, hierna Mas genoemd,

gemachtigde: mr. N. de Boer.


1Het verloop van de procedure

1.1.

Dit blijkt uit de volgende stukken:

 het exploot van dagvaarding van 29 januari 2015, met producties;

 de conclusie van antwoord, met producties;

 het vonnis van 2 april 2015, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

 de voorafgaand aan de comparitie van partijen ontvangen producties 19 tot en met 23 van [eiser] en productie 23 van Mas.


1.2.

De comparitie van partijen heeft op 16 juli 2015 plaatsgevonden. Daarbij is [eiser] in persoon verschenen, vergezeld door zijn gemachtigde. Namens Mas is haar directeur verschenen [de heer B.], vergezeld door de gemachtigde. De griffier heeft aantekening gehouden van hetgeen ter zitting is verhandeld.


2De vaststaande feiten

2.1.

[eiser], geboren op [geboortedatum] 1954, is op 1 januari 2000 in dienst bij Mas getreden voor de duur van 38 uur per week in de functie van tekenaar/ontwerper. Het laatstelijk verdiende salaris van [eiser] bedroeg per maand € 3.039,50, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten


2.2.

Mas heeft op 19 maart 2012 het UWV verzocht om toestemming om de arbeidsovereenkomst met [eiser], op grond van bedrijfseconomische omstandigheden, te mogen opzeggen. [eiser] heeft verweer gevoerd tegen de verzochte toestemming.


2.3.

Het UWV heeft Mas op 7 mei 2012 de gevraagde toestemming verleend. Mas heeft op 12 april 2012, met gebruikmaking van de verleende toestemming, de arbeidsovereen-komst met [eiser] opgezegd tegen 1 november 2012.


2.4.

De gemachtigde van [eiser] schrijft bij brief van 2 april 2013 aan Mas dat het ontslag van [eiser] kennelijk onredelijk is, dat aanspraak wordt gemaakt op betaling van een ontslagvergoeding en, ter voorkoming van het verjaren van de vordering, wordt aangegeven dat [eiser] al zijn rechten voorbehoudt. Bovenaan de brief staat aangegeven dat de brief aangetekend en per reguliere post is verzonden.


2.5.

Bij brief van 26 april 2013 schrijft de gemachtigde van Mas aan [eiser] dat, kort gezegd, geen sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag en dat om die reden geen ontslagvergoeding zal worden betaald.


2.6.

De gemachtigde van [eiser] reageert bij brief van 30 augustus 2013 inhoudelijk op de brief van (de gemachtigde van) Mas van 26 april 2013.


2.7.

Op 10 oktober 2013 schrijft de gemachtigde van [eiser] aan Mas dat laatstelijk op 30 augustus 2013 met haar gemachtigde is gecorrespondeerd en, ter voorkoming dat de vordering verjaart, aangegeven dat [eiser] al zijn rechten voorbehoudt. Bovenaan de brief staat aangegeven dat de brief aangetekend en per reguliere post is verzonden.


2.8.

Bij brief van 2 april 2014 schrijft de gemachtigde van [eiser] aan Mas dat laatstelijk op 10 oktober 2013 met haar gemachtigde is gecorrespondeerd en wordt, ter voorkoming dat de vordering verjaart, wordt aangegeven dat [eiser] al zijn rechten voorbehoudt.


2.9.

De gemachtigde van [eiser] schrijft bij brief van 17 september 2014 aan Mas dat laatstelijk op 10 oktober 2013 met haar gemachtigde is gecorrespondeerd en, ter voorkoming dat de vordering verjaart, wordt aangegeven dat [eiser] al zijn rechten voorbehoudt.


3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat het ontslag kennelijk onredelijk is in de zin van artikel 7:681 (oud) BW en Mas te veroordelen aan hem te betalen € 277.860,70 bruto ter zake van schadevergoeding, € 3.164,30 (exclusief BTW) aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat de bedragen zijn verschuldigd, met veroordeling van Mas in de kosten van deze procedure.


3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat het ontslag kennelijk onredelijk is vanwege het feit dat, mede in aanmerking genomen de voor hem getroffen voorzieningen en de nog voor hem bestaande mogelijkheden om passend ander werk te vinden, de gevolgen voor [eiser] te ernstig zijn in vergelijking met het belang van Mas bij de opzegging.

[eiser] begroot zijn schade naar het moment waarop de arbeidsovereenkomst, waarbij ook opgemerkt dient te worden dat [eiser] vanaf 1 februari 2010 zowel wat betreft de arbeidsomvang en salaris reeds 10% heeft ingeleverd. Vanaf 1 november 2012 stelt [eiser] te zijn aangewezen op een sociale uitkering, die gebaseerd is op het met 10% verlaagde inkomen. [eiser] geeft aan dat hij tot en met 31 december 2015 aanspraak heeft op een WW-uitkering, maar dat hij als gevolg van de AOW-uitkering van zijn echtgenote aansluitend geen aanspraak kan maken op een IOAW-uitkering. Verder geeft [eiser] aan dat hij vanaf 1 november 2012 pensioenschade lijdt.


3.3.

Mas voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt bij de beoordeling, voor zover relevant, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Als meest verstrekkend verweer voert Mas aan dat de (rechts)vordering van [eiser] tot vergoeding van schade, gebaseerd op kennelijk onredelijk ontslag, is verjaard. Mas stelt dat het schrijven van [eiser] van 30 augustus 2013 niet aangemerkt kan worden als een stuitingsbrief. Voorts betwist Mas dat zij de brieven van de gemachtigde van [eiser], gedateerd op 2 april 2014 en 17 september 2014, heeft ontvangen. Het gevolg is dat [eiser] de verjaring van zijn vordering niet dan wel niet tijdig heeft gestuit, aldus Mas.

[eiser] betwist dat zijn vordering is verjaard. De desbetreffende brieven uit 2014 zijn niet aangetekend aan Mas verstuurd. De gemachtigde van [eiser] verklaart echter dat door de vorige behandelaar van het dossier van [eiser] stellig is verklaard dat ook voornoemde brieven aan Mas zijn verstuurd. Het bevreemdt [eiser] dat Mas thans ontkent de brieven te hebben ontvangen nu alle brieven naar één en hetzelfde adres zijn gestuurd. Alle overige correspondentie is wel door Mas ontvangen.


4.2.

De vraag of de vordering van [eiser] is verjaard dient aan de hand van het volgende te worden beoordeeld. Artikel 7:681 lid 1 (oud) BW bepaalt dat indien een van de partijen de arbeidsovereenkomst, al of niet met inachtneming van de voor de opzegging geldende termijnen, kennelijk onredelijk opzegt, de rechter steeds aan de wederpartij een schadevergoeding kan toekennen. Ingevolge artikel 7:683 lid 1 (oud) BW verjaart iedere rechtsvordering krachtens artikelen 7:677 lid 4 (oud), 7:681 lid 1 (oud) en 7:682 lid 1 (oud) BW na verloop van zes maanden. Een verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW). Op grond van artikel 3:37 lid 3 BW dient een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt.


4.3.

De verjaringstermijn van zes maanden is aangevangen op 2 november 2011. Niet in geschil is dat [eiser] met zijn brief van 2 april 2013 de verjaring tijdig heeft gestuit en dat op 3 april 2013 een nieuwe verjaringstermijn van zes maanden is gaan lopen. Gelet op de aard, inhoud en strekking van de brief van 30 augustus 2013 kwalificeert deze als een stuitingsbrief. Derhalve is na 31 augustus 2013 een nieuwe verjaringstermijn van zes maanden aangevangen.


4.4.

Mas betwist dat de (stuitings)brieven van 2 april 2014 en 17 september 2014 haar hebben bereikt. Op grond daarvan staat vooralsnog onvoldoende vast dat [eiser] de verjaring van zijn vordering na 31 augustus 2013 tijdig heeft gestuit. Op [eiser] rust het bewijs van zijn stelling dat hij de verjaring tijdig heeft gestuit.


4.5.

De door [eiser] aangevoerde feiten en omstandigheden zijn niet dan wel onvoldoende om op grond daarvan tot de conclusie te kunnen komen dat [eiser] de verjaring van zijn vordering na 31 augustus 2013 tijdig heeft gestuit.

De brieven van 2 april 2014 en 17 september 2014 zijn niet aangetekend verstuurd. Ter comparitie van partijen heeft [eiser] verklaard dat bewijslevering ten aanzien van de ontvangst van de brieven lastig wordt. Dat de vorige behandelaar volgens [eiser] stellig zou hebben verklaard dat de brieven zijn verstuurd en naar hetzelfde adres als waar alle andere correspondentie is gestuurd, die wel door Mas is ontvangen, rechtvaardigt nog niet de gevolgtrekking dat de brieven van 2 april 2014 en 17 september 2014 Mas ook daadwerkelijk hebben bereikt. Ook uit de schriftelijke reacties van Mas blijkt niet dat de twee genoemde brieven haar zouden hebben bereikt. Voor het overige voert [eiser] geen dan wel onvoldoende andere feiten en omstandigheden aan zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen.

4.5.

Op grond van het vorenstaande wordt geconcludeerd dat [eiser] de verjaring van zijn vordering na 31 augustus 2013 niet tijdig heeft gestuit. Daardoor is zijn vordering verjaard en komt de kantonrechter niet aan een inhoudelijk beoordeling toe. [eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten.


5De beslissing

De kantonrechter:


- wijst de vorderingen van [eiser] af;


- veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Mas vastgesteld op € 1.600,00 aan salaris voor de gemachtigde;


- verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.


Dit vonnis is gewezen door mr. T.M.J. Smits en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

918