Rechtbank Rotterdam, 16-09-2015 / 10/660435-14


ECLI:NL:RBROT:2015:6819

Inhoudsindicatie
De verdachte en zijn medeverdachte hebben samen een 62-jarige vrouw beroofd van haar gouden ketting. Het slachtoffer is daarbij ten val gekomen op straat waardoor zij zeer ernstig letsel heeft opgelopen. De daders zijn weggereden en hebben zich in het geheel niet bekommerd om het slachtoffer. De rechtbank neemt hen dit zeer kwalijk. De gevolgen voor het slachtoffer zijn verschrikkelijk. Uit medische informatie in het dossier blijkt dat het slachtoffer ernstig hersenletsel bekomen heeft. Het slachtoffer heeft 10 dagen in coma gelegen en moest een operatie ondergaan. Zij had een dubbele schedelbreuk, meerdere bloedingen onder en tussen de hersenvliezen en een schedelbasisbreuk. Ten gevolge van dit letsel is haar leven mogelijk blijvend ontwricht. Het slachtoffer is thans nog steeds niet in staat zelfstandig te leven en behoeft permanent intensieve zorg.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-09-16
Publicatiedatum
2015-09-23
Zaaknummer
10/660435-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/660435-14

Datum uitspraak: 16 september 2015

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam 1] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen, ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel,

raadsman mr. Th.U. Hiddema, advocaat te Maastricht.

Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 2 september 2015.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Eis officieren van justitie

De officieren van justitie mrs. B. van Unnik en R. Segerink hebben gevorderd:

- vrijspraak van het primair ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar met

aftrek van voorarrest.



Partiële vrijspraak van het primair ten laste gelegde


Met de officieren van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

Waardering van het bewijs van het subsidiair ten laste gelegde

Toedracht algemeen

Bij beantwoording van de bewijsvraag gaat de rechtbank van de volgende feiten en omstandigheden uit.


De verdachte [naam 1] en zijn medeverdachten [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] zijn gezamenlijk vanuit Duitsland naar Rotterdam gekomen. Op de middag van woensdag 15 oktober 2014 rijden zij in een zwarte Volvo S40 over de Vlietlaan. De auto wordt bestuurd door de verdachte, [naam 4] is bijrijder, [naam 3] zit links achterin en [naam 2] zit rechts achterin. Ter hoogte van het aan de Vlietlaan gelegen filiaal van Albert Heijn zegt [naam 2] tegen de verdachte dat hij de auto moet stoppen, want haar aandacht is getrokken door de ketting van een vrouw die de Albert Heijn wil binnengaan. De vrouw is het latere slachtoffer [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer). [naam 2] roept en wenkt naar het slachtoffer, die daarop reageert door naar de auto te lopen en door het geopende rechter achterraam met [naam 2] in gesprek te gaan. [naam 2] vraagt daarbij aan het slachtoffer de weg naar het ziekenhuis. Tijdens het gesprek kust en omhelst [naam 2] het slachtoffer en wil zij haar ook een ketting geven/omdoen. Of dat zogenaamd is om haar te danken voor de verstrekte inlichtingen – zoals de gestelde zigeunertraditie wil – of om haar die ketting te verkopen of om haar aandacht af te leiden, is niet duidelijk geworden. Vast staat wel met welk doel [naam 2] het slachtoffer aanriep: zij wilde de ketting die het slachtoffer droeg stelen. [naam 2] is daarin ook geslaagd, zoals onder meer blijkt uit haar eigen verklaringen en die van [naam 3] .


Is geweld gebezigd? Waarin bestond dat dan?

Op welke wijze [naam 2] erin geslaagd is de ketting van het slachtoffer te stelen valt niet ondubbelzinnig uit het dossier op te maken. De verdediging baseert zich op dit punt op de verklaring van [naam 2] , die heeft verklaard dat zij de ketting van het slachtoffer had losgemaakt zonder dat deze dit door had en dat zij de ketting vervolgens achter haar rug vasthield. De officieren van justitie stellen zich op het standpunt dat de ketting is gestolen doordat [naam 2] aan de ketting trok/rukte, terwijl de auto (met verhoogde snelheid) wegreed. Hoewel voor dit laatste scenario zeker aanknopingspunten in het dossier aanwezig zijn, kan naar het oordeel van de rechtbank niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat het inderdaad is gegaan zoals geschetst door de officieren van justitie. Immers, op beelden van een beveiligingscamera in Albert Heijn is wel te zien dat het slachtoffer valt als de Volvo wegrijdt en lijkt zij met kracht achterover getrokken te worden, maar niet zichtbaar is of dit gebeurt doordat getrokken wordt aan de ketting die zij om haar hals droeg, of doordat zij zich bijvoorbeeld aan de auto vastklampte of in de auto had gegrepen omdat zij door had dat zij van haar ketting was beroofd. Gelet hierop zal de rechtbank ervan uit moeten gaan/als uitgangspunt moeten nemen dat de ketting niet door trekken/rukken maar heimelijk van de hals van het slachtoffer is gehaald.

Op basis van de camerabeelden kan wel worden vastgesteld dat het slachtoffer viel doordat de auto (hard) optrok, hetgeen onder de specifieke omstandigheden van deze zaak – waaronder de omstandigheden dat het slachtoffer tegen de auto aan stond en deze ten minste vasthield – beschouwd moet worden als geweld dat tot doel had om zo snel mogelijk weg te komen. De diefstal werd derhalve gevolgd van geweld. Het door de verdediging gevoerde verweer, dat het wegrijden met de auto niet als geweldshandeling kan worden gekwalificeerd, wordt dus verworpen.


Opzet op het gebezigde geweld?

De vraag of [naam 2] opzet op dit geweld had, kan bevestigend worden beantwoord. Haar kan niet ontgaan zijn dat het slachtoffer zich vasthield aan de auto/met de auto in verbinding stond. Desondanks heeft zij, toen zij de ketting van het slachtoffer had weggenomen, tegen de verdachte gezegd dat hij moest wegrijden, zodat zij opzet op het geweld heeft gehad.


Diefstal gevolgd van geweld in vereniging?

Vervolgens dient ten aanzien van de verdachte de vraag worden beantwoord of hij deze diefstal in vereniging met [naam 2] begaan heeft. Daartoe moet zijn intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van voldoende gewicht zijn; hij moet daaraan een significante bijdrage hebben geleverd. Of het handelen van de verdachte als zodanig gekwalificeerd kan worden, hangt er in de eerste plaats van af of sprake was van een gezamenlijke uitvoering, c.q. hij een bestanddeel van het delict vervulde. Die vraag wordt door de rechtbank bevestigend beantwoord. Weliswaar biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat sprake was van een vooropgezet plan waarin de rollen verdeeld waren en eventualiteiten onder ogen zijn gezien, het kan echter niet anders dan dat hij wist dat [naam 2] het slachtoffer bestal. Daarop wijst de verklaring van de getuige [getuige] dat de bestuurder van de auto geïrriteerd was en met zijn rechter arm zwaaide, waarop de rechts achterin gezeten vrouw reageerde en iets omhoog kwam. Vervolgens zag de verdachte dat [naam 2] , aldus haar verklaring, de ketting die zij het slachtoffer had afgenomen achter haar rug hield, zodat hij in ieder geval op dat moment wist dat zij de ketting van het slachtoffer had weggenomen. Door ten slotte gevolg te geven aan de aansporing van [naam 2] om weg te rijden en vervolgens hard op te trekken – waardoor het slachtoffer viel, ook als ervan wordt uitgegaan dat zij zich aan de auto vasthield – heeft de verdachte een (wezenlijk) aandeel gehad in het jegens het slachtoffer gebezigde geweld.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat verdachte de diefstal gevolgd van geweld in vereniging met [naam 2] begaan heeft. Het door de verdediging gevoerde verweer, dat verdachte niet als medepleger kan worden aangemerkt wordt dus verworpen.


Zwaar lichamelijk letsel?

Uit de zich in het dossier bevindende medische stukken volgt dat het slachtoffer ten gevolge van dit geweld en de daardoor veroorzaakte val een dubbele schedelbreuk, bloedingen onder en tussen de hersenvliezen en een schedelbasisbreuk heeft opgelopen. Daarom zal bewezen verklaard worden dat het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten hersenletsel, ten gevolge heeft gehad.


Bewezenverklaring


In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:


hij op 15 oktober 2014 te Rotterdam op de openbare weg, te weten de Vlietlaan,

tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een gouden ketting, toebehorende aan [slachtoffer] , welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan een andere deelnemer van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, welk geweld bestond uit het

- vanuit een auto aanspreken van voornoemde [slachtoffer] en vervolgens

- onverhoeds een ketting van de nek van voornoemde [slachtoffer] te pakken en

vervolgens vast houden en vervolgens

- terwijl hij, verdachte en zijn mededader in een auto zaten een grote hoeveelheid gas te

geven en vervolgens weg te rijden,

terwijl dat feit zwaar lichamelijk letsel, te weten hersenletsel, bij die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.


Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:


subsidiair:

diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf de vlucht mogelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg door twee of meer verenigde personen en het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.


Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.


Het feit is dus strafbaar.


Strafbaarheid


Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.


Het feit is dus strafbaar.

Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.


De verdachte is dus strafbaar.


Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.


De verdachte en zijn medeverdachte hebben samen een 62-jarige vrouw beroofd van haar gouden ketting. Het slachtoffer is daarbij ten val gekomen op straat waardoor zij zeer ernstig letsel heeft opgelopen. De daders zijn weggereden en hebben zich in het geheel niet bekommerd om het slachtoffer. De rechtbank neemt hen dit zeer kwalijk. De gevolgen voor het slachtoffer zijn verschrikkelijk. Uit medische informatie in het dossier blijkt dat het slachtoffer ernstig hersenletsel bekomen heeft. Het slachtoffer heeft 10 dagen in coma gelegen en moest een operatie ondergaan. Zij had een dubbele schedelbreuk, meerdere bloedingen onder en tussen de hersenvliezen en een schedelbasisbreuk. Ten gevolge van dit letsel is haar leven mogelijk blijvend ontwricht. Het slachtoffer is thans nog steeds niet in staat zelfstandig te leven en behoeft permanent intensieve zorg. Ter terechtzitting is namens het slachtoffer aangegeven dat onlangs bij revalidatiekliniek Rijndam een intakegesprek heeft plaatsgevonden en dat er nog neurologische en psychologische onderzoeken zullen volgen. Op de vraag in hoeverre de situatie in de toekomst kan verbeteren, is nog geen antwoord te geven.


Dit is een ernstig misdrijf dat voor het slachtoffer een zeer traumatische ervaring is. Ook voor het leven van de partner en dierbaren van het slachtoffer heeft dit misdrijf grote gevolgen. Bovendien veroorzaken straatroven grote onrust en gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Hierbij heeft de verdachte kennelijk volstrekt niet stilgestaan. Het heeft de verdachte en zijn medeverdachte er in ieder geval niet van weerhouden om op deze manier snel aan een voorwerp van waarde te komen.


De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

5 augustus 2015, waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.


Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.


Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat na te melden straf passend en geboden is, waarbij zij zich realiseert dat deze lager is dan door de officier van justitie geëist. Het verschil laat zich verklaren uit een andere waardering van het voorgevallene.

Vordering benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer] , wonende te Rotterdam, gemachtigde mr. F.J.M. Hamers, advocaat te Rotterdam, ter zake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een voorschot van € 10.191,10 aan materiële schade en een voorschot van € 25.000,-- aan immateriële schade.


De officieren van justitie stellen zich op het standpunt de gevorderde immateriële schade geheel, de gevorderde materiële schade ad € 191,10 en de overige materiële schade (ketting) - refererend aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de hoogte daarvan - bij wijze van voorschot hoofdelijk toe te wijzen, onder toepassing van de schadevergoedingsmaat-regel.


De verdediging heeft aangevoerd dat de vordering te ingewikkeld is om deze in de onderhavige procedure af te doen en dat de waarde van de onderhavige ketting onduidelijk is. De raadsman heeft de afwijzing c.q. matiging van de vordering bepleit.


Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht.


De gevorderde kosten gemaakt bij het verpleegtehuis [naam 6] ad € 191,10 zijn genoegzaam onderbouwd. Het bedrag ad € 191,10 zal worden toegewezen.


Door het ontbreken van sluitende bewijzen ten aanzien van de waarde van de ontvreemde gouden ketting zal de rechtbank aansluiting zoeken bij de verklaring van de ex-partner van het slachtoffer, de heer [naam 5] . De heer [naam 5] heeft aangegeven dat de ketting naar schatting € 3.000,-- heeft gekost (pagina 547 van het dossier). Het bedrag ad € 3.000,-- zal worden toegewezen.


Voorts is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal op dit moment naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 25.000,--, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2014.


Nu de verdachte het strafbare feit samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd. Het vorenstaande laat onverlet dat de verdachte en zijn mededader onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij de billijkheid een andere verdeling vordert.


De behandeling van het overige deel van de vordering van de benadeelde partij betreffende de ontvreemde gouden ketting, levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.


Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.


De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 28.191,10.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Behalve op het reeds genoemde artikel, is gelet op de artikelen 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

Beslissing

De rechtbank:


verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;


verklaart bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;


verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;


stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;


verklaart de verdachte strafbaar;


veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren en 6 (zes) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering, in voorlopige hechtenis en in detentie in het buitenland ingevolge een Nederlands verzoek om overlevering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] , wonende te [woonplaats] , gemachtigde mr. F.J.M. Hamers, advocaat te Rotterdam, toe tot een bedrag van € 28.191,10, bestaande uit € 3.191,10 aan materiële schade en € 25.000,-- aan immateriële schade, en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;


bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening;


verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;


veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;


legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 28.191,10, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van

€ 28.191,10 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 175 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;


verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.



Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.V. Scheffers, voorzitter,

en mrs. E. Fels en M.M. Dolman, rechters,

in tegenwoordigheid van A.C. de Sain, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 september 2015.


De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.



Bijlage I


Tekst tenlastelegging


Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat


hij op of omstreeks 15 oktober 2014 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen met dat opzet

- voornoemde [slachtoffer] (vanuit een auto) heeft/hebben aangesproken en/of

(vervolgens)

- ( onverhoeds) (met kracht) een ketting van die [slachtoffer] (die om haar nek

zat) en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben vastgegrepen en/of

(vervolgens)

- die/een ketting (die om de nek van voornoemde [slachtoffer] vast zat) en/of

het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben vastgehouden en/of

(vervolgens)

- ( een grote hoeveelheid) gas heeft/hebben gegeven (van de auto waarin hij,

verdachte en/of zijn mededader(s) zat(en)) en/of (vervolgens) met hoge

snelheid is/zijn weggereden (waardoor die [slachtoffer] enkele meters werd

meegesleurd),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke vorenomschreven poging doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of

voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten

een diefstal (in vereniging), (strafbaar gesteld in de artikel(en) 310/311 van

het Wetboek van Strafrecht) en/of

een diefstal met geweld (in vereniging) (strafbaar gesteld in (de)

artikel(en) 312 van het Wetboek van Strafrecht)

en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van

dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping

op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid

en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

(Artikel 287/288 juncto artikel 45 en 47 Wetboek van Strafrecht)

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 288 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht


Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:


hij op of omstreeks 15 oktober 2014 te Rotterdam

op de openbare weg, te weten de Vlietlaan, althans een openbare weg,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een (gouden) ketting, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld

en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere

deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij

het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging

met geweld bestond(en) uit het

- ( vanuit een auto) aanspreken van voornoemde [slachtoffer] en/of

(vervolgens)

- ( onverhoeds) (met kracht) trekken/rukken van een kettting van de nek van

voornoemde [slachtoffer] en/of het lichaam van die [slachtoffer] vast te

pakken en/of (vervolgens) vast te houden en/of (vervolgens)

- ( terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) in een auto zat(en)) (een

grote hoeveelheid) gas te geven en/of (vervolgens) (met hoge snelheid) weg te

rijden (waardoor die [slachtoffer] (enkele meters) werd meegesleurd),

terwijl dat feit zwaar lichamelijk letsel, te weten hersenletsel, bij die

[slachtoffer] tengevolge heeft gehad;

(Artikel 312 Wetboek van Strafrecht)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht