Rechtbank Rotterdam, 30-09-2015 / 4342228 VZ VERZ 15-15924


ECLI:NL:RBROT:2015:7045

Inhoudsindicatie
Verzoek werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met werkneemster toegewezen, art. 7:671b lid 1, onder a, BW. Geen verwijtbaar handelen werkneemster, wel (ernstig) verstoorde arbeidsverhouding. Geen vergoeding.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-09-30
Publicatiedatum
2015-10-02
Zaaknummer
4342228 VZ VERZ 15-15924
Procedure
Beschikking
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2015/1841
  • AR-Updates.nl 2015-0954
  • XpertHR.nl 2015-414370
Uitspraak RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 4342228 VZ VERZ 15-15924


uitspraak: 30 september 2015


beschikking ex artikel 7:671b lid 1 sub a Burgerlijk Wetboek (BW) van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,


in de zaak van


[verzoeker] h.o.d.n. Tandarts [verzoeker],

wonende te Rotterdam,

verzoeker,

gemachtigde: mr. E.J. Eijsberg te Capelle aan den IJssel,


tegen


[verweerster] ,

wonende te Rotterdam,

verweerster,

gemachtigde: mr. R.M. Duijn (DAS) te Amsterdam.


Partijen worden hierna ‘ [verzoeker] ’ en [verweerster] ’ genoemd.


1Het verloop van de procedure

1.1.

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

- het verzoekschrift, met producties, ingekomen ter griffie op 3 augustus 2015;

- het verweerschrift, met producties, ingekomen ter griffie op 17 augustus 2015;

- het zijdens [verweerster] nagezonden aanvullend verweerschrift.


1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaats gehad op 8 september 2015. Daarbij is verschenen, de heer [verzoeker] en zijn echtgenote, bijgestaan door de gemachtigde, en voorts [verweerster] en haar partner, eveneens bijgestaan door de gemachtigde. Beide partijen hebben daarbij het eigen standpunt mondeling (nader) toegelicht, waarbij de gemachtigden ieder gebruik hebben gemaakt van een schriftelijke pleitnota. Van hetgeen ter zitting is besproken, heeft de griffier aantekening gehouden. Tot slot heeft de kantonrechter de datum van deze beschikking nader bepaald op heden.


2De feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.


2.1.

[verzoeker] is tandarts en drijft een tandartspraktijk te Rotterdam. Hij wordt daarin bijgestaan door 3 tandartsassistentes, een baliemedewerkster en zijn echtgenote.


2.2.

[verweerster] , geboren [geboortedatum] 1986, is met ingang van 12 mei 2014 in dienst getreden van [verzoeker] , laatstelijk in de functie van tandartsassistente. Het dienstverband geldt voor bepaalde duur en eindigt van rechtswege per 11 april 2016.

Het loon van [verweerster] bedraagt € 1.876,13 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en exclusief overige emolumenten.


2.3.

Eind mei 2015 heeft [verweerster] zich ziek gemeld. Zij heeft te kampen met psychische problemen, ten gevolge van seksueel misbruik in haar tienerjaren.


2.4.

In het kader van de arbeidsongeschiktheid van [verweerster] heeft [verzoeker] een plan van aanpak opgesteld, gedateerd 14 juli 2015, dat aan [verweerster] is gezonden. In reactie daarop schrijft [verweerster] in een e-mail gedateerd 20 juli 2015 aan mevrouw [verzoeker] (voor zover relevant) het volgende:

“(…)

Onlangs stuurde u mij een mail met het plan van aanpak (re-integratie).

Ik wil u hierbij mededelen dat ik het er niet mee eens ben.

Vooral de zin “de relatie met de werkgever is prima”.

Ik ervaar dat niet zo, ondanks dat mijn man langs is geweest en de situatie heeft uitgelegd aan u en aan de heer [naam tandarts] . Mijn man heeft in dat gesprek ook aangegeven dat mijn vrouw niet aangeraakt wil worden. De heer [naam tandarts] heeft toch meerder malen aan mij gezeten (…).

Ik heb dit als zeer intimiderend beschouwd en was tevens ook de reden dat ik niet meer naar het werk kwam. Ook mijn salaris later storten dan dat ik gewend ben, beschouw ik ook als intimiderend gedrag, u weet immers in wat voor situatie ik me bevind. (…)”


2.5.

Bij brief van 21 juli 2015 schrijft [verzoeker] in reactie op bedoelde e-mail onder meer het volgende aan [verweerster] :

“(…) Ik heb geen flauw idee waar je het over hebt als je dit schrijft. (…) Ik ben niet alleen verbijsterd, maar ook woedend over de suggestie als zou ik “aan je hebben gezeten”.

Een verdachtmaking die uitermate smadelijk is (...).”


2.6.

In reactie daarop schrijft [verweerster] onder meer het volgende aan [verzoeker] in een brief van 22 juli 2015:

“(…)

Allereerst wil ik u uitleggen waarom ik nooit iets heb laten merken over mijn onvermogen om u op uw gedrag aan te spreken.

Ik heb zoals u weet in mijn verleden een hoop meegemaakt, wat ik nu zestien jaar later pas ga verwerken. Zo heb ik nooit geleerd voor mezelf op te komen (…). Dat betekent dat ik dicht sla en niet weet hoe ik met de situatie om moet gaan. En dat is ook in uw praktijk gebeurd toen u intimiderend gedrag naar mij vertoonde. (…)

Komen we nu op het punt dat ik me door u al die tijd geïntimideerd heb gevoeld.

Ik ben wel vaak met u alleen geweest (…). Over de assistentes (…). Deze assistentes heb ik ook via de whats app gesproken en zij weten dat u aan me zat. (…)

Verder wil ik u mededelen dat ik hierover contact heb gehad met verschillende instanties, zoals het UWV, de Arbo arts, de zedenpolitie, slachtofferhulp en mijn psychiater. (…)”


3Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1.

Het verzoek van [verzoeker] strekt er primair toe de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden, wegens verwijtbaar handelen van [verweerster] , subsidiair wegens een verstoorde arbeidsverhouding, een en ander als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub e resp.

sub g BW, zonder toekenning van een transitievergoeding, kosten rechtens.


3.2.

Ter onderbouwing van dat verzoek heeft [verzoeker] -samengevat weergegeven- het volgende aangevoerd. Tussen partijen bestond vanaf de aanvang van het dienstverband een goede, veelal informele verstandhouding. Dat is op slag veranderd nadat [verweerster] zeer kwalijke beschuldigingen heeft geuit omtrent -seksueel- intimiderend gedrag van [verzoeker] , meer in het bijzonder dat hij “aan haar heeft gezeten”.

Die ernstige uitlatingen omtrent handtastelijkheden heeft [verweerster] zonder enige grond gedaan waarbij zij bovendien die lasterlijke praat ook heeft geuit richting derden, zoals (ex-)collega’s, waarmee de goede naam van [verzoeker] als werkgever is aangetast.

Zo geen sprake is van verwijtbaar handelen, dan betoogt [verzoeker] dat in ieder geval de arbeidsverhoudingen zijn verstoord. Zij heeft met haar uitlatingen de arbeidsrelatie tussen partijen onder druk gezet en zodanig beschadigd dat een verdere vruchtbare samenwerking in de toekomst niet in de rede ligt. [verzoeker] heeft een kleine tandartspraktijk, een goede en veelal nauwe samenwerking tussen de tandarts en de assistenten binnen een kleine omgeving/werkvloer, in elkaars directe nabijheid, staan daarin voorop. Herplaatsing van [verweerster] is om die reden niet aan de orde. Voor een transitievergoeding is geen plaats reeds omdat [verweerster] nog geen twee jaar in dienst is van [verzoeker] .


4Het verweer

4.1.

[verweerster] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd (primair) tot afwijzing van het verzoek en (subsidiair) ingeval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, aan haar een billijke vergoeding groot € 3.752,26 bruto toe te kennen. Het verweer laat zich -voor zover thans van belang- als volgt samenvatten.


4.2.

[verweerster] betoogt allereerst dat zij thans ziek is en dat sprake is van een opzegverbod. Daarnaast voert zij aan dat er geen gronden zijn voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Op zichzelf genomen is juist dat zij enkele uitlatingen heeft gedaan omtrent [verzoeker] , voor het eerst in haar e-mail van 20 juli 2015. In de arbeidsverhouding met [verzoeker] heeft zij bepaalde aanrakingen als intimiderend ervaren (niet seksueel van aard).

De oorzaak van haar extreme beleving van die aanrakingen is gelegen in haar traumatische verleden. Zij is kwetsbaar geworden voor aanrakingen/contact met anderen, in het bijzonder mannen. [verzoeker] wist van dat ziektebeeld en heeft daarmee onvoldoende rekening gehouden. Partijen zouden na een goed gesprek, al dan niet met behulp van mediation, de lucht kunnen klaren zodat ontbinding thans te voorbarig is.


4.3.

Op de overige stellingen van partijen zal hierna bij de beoordeling, voor zover althans relevant, worden ingegaan.


5De beoordeling


Opzegverboden

5.1.

Allereerst rijst in deze zaak de vraag of sprake is van een opzegverbod wegens de ziekte van [verweerster] , die aan een ontbinding in de weg staat, zoals door [verweerster] is betoogd. In dat verband heeft [verweerster] betoogd dat de thans ontstane situatie een uitvloeisel is van het ziektebeeld (zij kampt met een posttraumatische stress stoornis als gevolg van seksueel misbruik in het verleden). Dat zou aan een ontbinding als door [verzoeker] verzocht in de weg staan, aldus [verweerster] . Op zijn beurt heeft [verzoeker] dat ter zitting gemotiveerd weersproken en toegelicht dat de verstoring in de arbeidsrelatie niet het directe gevolg is van de psychische klachten van [verweerster] .


Overwogen wordt dat niet gebleken is dat [verzoeker] het onderhavige ontbindingsverzoek heeft ingediend wégens de arbeidsongeschiktheid van [verweerster] , maar wel dat het is ingediend tíjdens haar arbeidsongeschiktheid. De kantonrechter deelt het standpunt van [verzoeker] en zal hierna, bij de beoordeling van de verstoring in de arbeidsverhoudingen zoals door [verzoeker] is betoogd, nader ingaan op dit punt.

Geconcludeerd wordt dan ook dat geen sprake is van een opzegverbod dat aan de verzochte ontbinding in de weg staat.




Beoordelingskader

5.2.

Vooropgesteld wordt dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Volgens [verzoeker] is de redelijke grond voor ontbinding gelegen in het verwijtbaar handelen van [verweerster] (de primaire grondslag) dan wel is sprake van (subsidiair) een verstoring van de arbeidsrelatie, zodanig van aard dat een voortzetting van het dienstverband niet langer aan de orde is.


5.3.

Als onweersproken staat tussen partijen vast dat de arbeidsrelatie tussen [verweerster] enerzijds en het echtpaar [verzoeker] anderzijds in aanvang (dus vanaf mei 2014) steeds goed en informeel van aard is geweest. Gesteld noch gebleken is dat vóór de bewuste e-mail van

20 juli 2015 door [verweerster] de vermeende aanrakingen door [verzoeker] , die zij als ongewenst of intimiderend heeft beschouwd, aan de orde zijn geweest.


Met bedoelde e-mail, door [verzoeker] betiteld als ‘een donderslag bij heldere hemel’, is de goede werksfeer en relatie tussen partijen volledig gekanteld, zoveel is wel gebleken. [verzoeker] betwist alle aantijgingen en heeft benadrukt dat hij als werkgever nooit meer dan een schouderklopje aan [verweerster] heeft gegeven, in zijn rol als goed werkgever en veelal als blijk van goede samenwerking. Lichamelijk contact in de kleine behandelkamers tussen de tandarts en de assistentes, in het bijzijn van de patiënt, is altijd professioneel van aard en behoort tot het normale gedrag op de werkvloer. Een bewuste aanraking met het doel en in de vorm die [verweerster] stelt is nimmer aan de orde. Daar komt bij, zo betoogt [verzoeker] , dat ook als uitgegaan wordt van de heftige reactie van [verweerster] op licht, lichamelijk contact of aanrakingen, en haar ziektebeeld, dan nog had zij de gebeurtenissen zoals zij die heeft ervaren niet met derden (collega’s) mogen delen. Zij heeft daarmee de naam van [verzoeker] te grabbel gegooid en de werkrelatie zodanig aangetast dat [verzoeker] nimmer met [verweerster] kan samenwerken in de kleine behandelruimte waarin de tandarts met de assistente in elkaars nabijheid moeten werken.


[verweerster] heeft op haar beurt ter zitting toegelicht dat zij de aanrakingen van [verzoeker] nimmer als seksueel intimiderend gedrag heeft betiteld, maar heeft willen zeggen dat zij de nabijheid van [verzoeker] en bepaalde aanrakingen op de werkvloer als intimiderend heeft ervaren, hetgeen wordt veroorzaakt door haar traumatische verleden en waarmee [verzoeker] als werkgever rekening heeft moeten houden in het dagelijks contact op de werkvloer (in het bijzonder in de kleine behandelkamers). Zij is nu eenmaal kwetsbaar voor contact met mannen, zelfs een hand op de schouder roept bij haar emoties op.


Overwogen wordt dat, gegeven het niet weersproken traumatische verleden van

[verweerster] , waarvoor zij thans in behandeling is bij een psycholoog, en de heftige (afwijkende) reactie die zij dientengevolge ervaart bij normale en/of lichte aanrakingen door mannen, die omstandigheden niet zonder meer als verwijtbaar handelen aan de zijde van [verweerster] gekwalificeerd kunnen worden. Een ontbinding op die grondslag is niet aan de orde. Evenwel, uit de processtukken en (vooral) uit de opstelling van partijen ter zitting, is de kantonrechter ervan overtuigd geraakt dat er inmiddels een situatie is ontstaan waarin een verdere samenwerking tussen [verzoeker] en [verweerster] in de gegeven omstandigheden niet goed meer mogelijk is. Daarbij wordt bijzonder gewicht toegekend aan het feit dat [verweerster] -naast professionele hulpverleners (zoals de psycholoog)- ook derden, zijnde collega’s (die al dan niet nog steeds in dienst zijn van [verzoeker] ), in kennis heeft gesteld van de door gestelde aanrakingen door [verzoeker] , zonder dat daarvoor enige noodzaak aanwezig was, terwijl zij daarmee de goede naam van [verzoeker] als werkgever schade heeft aangebracht en die omstandigheid volgens [verzoeker] ook een belangrijke oorzaak is van de door hem gestelde verstoring van de arbeidsverhoudingen.


[verweerster] heeft overigens ter zitting zich niet gedistantieerd van de door haar gedane uitspraken en zij heeft de kantonrechter geen afdoende inzicht weten te geven in de reden waarom zij haar (ex-)collega’s in kennis heeft gesteld van haar aantijgingen jegens [verzoeker] . Door derden erbij te betrekken en uitgaande van de hechte samenwerking en goede communicatie die vereist is binnen een kleine tandartspraktijk tussen tandarts en het ondersteunend personeel, acht de kantonrechter het uitgesloten dat [verzoeker] en [verweerster] in de toekomst nog met elkaar kunnen samenwerken op een wijze die vruchtbaar is. Een herplaatsing van [verweerster] is -bezien in het licht van het voorgaande- niet aan de orde.


Nu geconcludeerd moet worden dat de arbeidsverhoudingen tussen partijen onherstelbaar zijn verstoord, als bedoel in artikel 7:669 lid 3, onder g, BW, zal de kantonrechter het verzoek van [verzoeker] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op die grondslag toewijzen.

De arbeidsovereenkomst zal, op de voet van het bepaalde in artikel 7:671b lid 8 sub a BW, worden ontbonden met ingang van 1 november 2015.


5.4.

Voor toekenning van een transitievergoeding aan [verweerster] is, gelet op het bepaalde in artikel 7:673 lid 1 BW, geen plaats. Evenmin kan een billijke vergoeding worden toegekend, nu daarvoor vereist is dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van werkgever/ [verzoeker] . Dat is in deze zaak niet aan de orde.


5.5.

Omdat aan de ontbinding geen vergoeding wordt verbonden, hoeft [verzoeker] niet in de gelegenheid te worden gesteld het verzoek in te trekken.


5.6.

Gegeven de aard van deze procedure en de gebleken omstandigheden, ziet de kantonrechter aanleiding de kosten daarvan te compenseren zodat ieder der partijen de eigen kosten draagt.



6De beslissing

De kantonrechter:


ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 november 2015;


compenseert de kosten van de procedure zodat ieder der partijen de eigen kosten draagt;


verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.


Deze beschikking is gegeven door mr. L.J. van Die en uitgesproken ter openbare terechtzitting. 741