Rechtbank Rotterdam, 18-09-2015 / C/10/483484 / KG ZA 15-935


ECLI:NL:RBROT:2015:7102

Inhoudsindicatie
vordering opheffen conservatoir beslag / wie is eigenaar beslagen zaken? Zaaksvorming ex artikel 5:16 BW
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-09-18
Publicatiedatum
2015-10-06
Zaaknummer
C/10/483484 / KG ZA 15-935
Procedure
Kort geding
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • RVR 2016/12
  • TvA 2016/17
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel



zaaknummer / rolnummer: C/10/483484 / KG ZA 15-935


Vonnis in kort geding van 18 september 2015


in de zaak van


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CKT MARINE SERVICES B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. J.T. Verheij te Rotterdam,


tegen


1. de rechtspersoon naar Belgisch recht

[gedaagde1] ,

gevestigd te Arendonk, België,

2. rechtspersoon naar Frans recht

EIFFAGE CONSTRUCTION METALIQUE SAS,

gevestigd te Colombes Cedex, Frankrijk,

gedaagden,

advocaten mr. R.J. Kwaak en mr. J.H.S. Kloots te Nijmegen.



Eiseres zal hierna CKT genoemd worden. Gedaagden zullen afzonderlijk [gedaagde1] en Eiffage en gezamenlijk [gedaagde1] c.s. genoemd worden.



1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding d.d. 25 augustus 2015 met producties 1 tot en met 15
  • - de door [gedaagde1] c.s. overgelegde producties 1 tot en met 10
  • - de mondelinge behandeling d.d. 4 september 2015
  • - de pleitnota van CKT
  • - de pleitnota van [gedaagde1] c.s..

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.




2De feiten

2.1.

CKT richt zich onder andere op industriële constructieopdrachten en houdt zich in dat kader onder meer bezig met het bouwen van offshoreaccommodaties en -faciliteiten.


2.2.

[gedaagde1] is een Belgisch staalconstructiebedrijf dat de engineering, productie, levering en montage van staalconstructies verzorgt. Eiffage is een Frans staalconstructiebedrijf.


2.3.

Partijen zijn een overeenkomst aangegaan met betrekking tot het zogenaamde [project] . Dit project is gericht op het ontginnen van het Aasta Hansteen-gasveld ten westen van Noorwegen en de bouw en installatie van de daarvoor benodigde infrastructuur, waaronder een gasproductieplafform (hierna: “het platform”).


2.4.

Opdrachtgever van het [project] is het Noorse Statoil. Het Zuid-

Koreaanse Hyundai Heavy Industries (hierna: “HHI”) is hoofdaannemer.


2.5.

Ten behoeve van de bouw van de woonvertrekken op het platform (hierna: “living quarters”) heeft HHI CKT als onderaannemer ingeschakeld, naar aanleiding waarvan tussen HHI (als opdrachtgever) en CKT (als opdrachtnemer) op 28 februari 2013 een

aannemingsovereenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan CKT verantwoordelijk is voor de bouw van de living quarters.


2.6.

Vervolgens heeft CKT een deel van de werkzaamheden aan de living quarters aan [gedaagde1] uitbesteed, naar aanleiding waarvan CKT (als opdrachtgever) en [gedaagde1] (als opdrachtnemer) op 18 april 2013 een onderaannemingsovereenkomst hebben gesloten op grond waarvan [gedaagde1] gehouden is de structurele staalonderdelen van de living quarters, alsmede bepaalde bouwtechnische diensten en documenten aan CKT te leveren.


2.7.

Onderdeel van de onderaannemingsovereenkomst zijn de NTK 07-voorwaarden.


2.8.

Naar aanleiding van een tussen partijen gerezen meerwerkdiscussie, ten aanzien waarvan [gedaagde1] c.s. in Noorwegen een arbitrale procedure heeft aangebracht, heeft [gedaagde1] c.s. bij verzoekschrift van 10 april 2015 de beslagrechter van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Turnhout, verlof verzocht om te mogen overgaan tot het doen leggen van bewarend beslag. Bij beschikking van 14 april 2015 heeft de beslagrechter het verlof verleend, waarna op 16 april 2015 beslag is gelegd. Uiteindelijk heeft [gedaagde1] c.s. dit beslag naar aanleiding van tussen partijen gemaakte afspraken opgeheven.


2.9.

Voorts heeft [gedaagde1] c.s. bij verzoekschrift van 9 april 2015 de voorzieningenrechter te Rotterdam verlof verzocht om te mogen overgaan tot het

doen leggen van conservatoir beslag ten laste van CKT op de living quarters.


2.10.

Bij beschikking van 14 april 2015 heeft de voorzieningenrechter te Rotterdam

verlof verleend, waarbij - voor zover in deze van belang - het volgende is bepaald:

“(…) beslag te leggen ter zake van de begrote vordering op de hiervoor nader aangeduide roerende zaak die zich bevindt in de haven van Rotterdam, haven van Rotterdam / Schiedam op de terreinen van Mammoet aan [adres1] voor zover bedoelde zaken eigendom zijn van gerekwestreerde en vatbaar zijn voor beslag; (…)”

2.11.

Vervolgens is op 16 april 2015 door [gedaagde1] c.s. ten laste van CKT conservatoir beslag gelegd op:

“een living quarter van zeven verdiepingen (in aanbouw), bestemd voor het Aasta Hansteem (sic) Platform, inclusief toebehoren, waaronder 108 slaapvertrekken, ventilatiesystemen, bekabeling, watertoevoer en –afvoer, vriescellen, compressoren.”


Hierbij heeft de deurwaarder het Havenbedrijf verzocht de betrokken instanties, waaronder de Dienst Zeehaven, van het beslag en de gevolgen daarvan op de hoogte te stellen, waarmee het beslagen object gesignaleerd staat en de haven niet mag verlaten dan na toestemming van de deurwaarder of opheffing van het beslag.



3Het geschil


3.1.

CKT vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,


1. [gedaagde1] c.s. te bevelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis:

(i) het beslag op te heffen; en

(ii) CKT schriftelijk te machtigen om namens [gedaagde1] c.s. de deurwaarder die

het beslag heeft gelegd, te instrueren het Havenbedrijf (Port of Rotterdam) en de

betrokken instanties, waaronder de Dienst Zeehaven, van de opheffing van het

beslag en het feit dat de living quarters de haven mogen verlaten op de hoogte

te stellen, althans [gedaagde1] c.s. te bevelen de deurwaarder die het beslag

heeft gelegd, zelf overeenkomstig te instrueren,


zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde1] c.s. in gebreke blijft aan dit bevel te voldoen, met een maximum van € 1.500.000,00;


2. [gedaagde1] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan CKT van de proceskosten en de nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente.


3.2.

CKT heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij geen eigenaar is van de living quarters en dat de living quarters zodoende niet vatbaar waren voor het onderhavige beslag, waarbij komt dat [gedaagde1] c.s. geen verlof is verleend tot het doen leggen van beslag op zaken die geen eigendom zijn van CKT.


3.3.

[gedaagde1] c.s. voert verweer.


3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.



4De beoordeling

4.1.

[gedaagde1] c.s. heeft voor alle weren een beroep gedaan op de onbevoegdheid van de voorzieningenrechter, nu partijen in een tussen hen op 17 juli 2015 gesloten overeenkomst ten aanzien van “all outstanding disputes” het volgende hebben afgesproken:

“The parties agree to jointly appoint a neutral third party (the “Mediator”) at the latest within fourteen days to assist the parties in settling the dispute.”

Zodoende had CKT volgens [gedaagde1] c.s. zich eerst dienen te wenden tot een mediator in plaats van direct tot de voorzieningenrechter.


De voorzieningenrechter overweegt dat, indien deze mediation-clausule al betrekking heeft op de onderhavige kwestie, deze clausule niet op één lijn gesteld kan worden met een arbitraal beding dan wel een overeenkomst tot bindend advies, nu kenmerkend bij arbitrage en bindend advies is dat een door partijen aangewezen derde (arbiter of bindend adviseur) in plaats van de gewone rechter op voor partijen in beginsel bindende wijze beslist omtrent een geschil dat partijen verdeeld houdt.


Dat is niet het geval bij mediation, nu bij mediation partijen zelf, op basis van wederzijdse bereidheid/vrijwilligheid met behulp van een mediator naar een minnelijke oplossing voor hun geschil zoeken en een partij zich terug kan trekken om zich vervolgens alsnog tot de rechter te wenden. Het voorgaande leidt er toe dat een partij niet in haar gang naar de (voorzieningen)rechter kan worden belemmerd en zich dus ten aanzien van dat onderdeel van de overeenkomst kan terugtrekken. CKT is dan ook ontvankelijk in haar vordering.


4.2.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de omstandigheid dat de living quarters op grond van de overeenkomst tussen HHI en CKT begin november 2015 dienen te worden vervoerd naar Zuid-Korea, hetgeen thans onmogelijk is gezien het door [gedaagde1] c.s. gelegde beslag. Gesteld noch gebleken is dat een andersoortige procedure vóór begin november 2015 zal leiden tot een eindbeslissing omtrent de onderhavige kwestie. CKT is dan ook ontvankelijk in haar vordering.


4.3.

Het verlof tot het leggen van conservatoir beslag is op 14 april 2015 door de rechtbank te Rotterdam verleend ten aanzien van de in het verzoekschrift aangeduide roerende zaak voor zover deze zaak eigendom is van CKT en vatbaar is voor beslag. Tussen partijen is in geschil of de living quarters eigendom zijn van CKT. Hieromtrent wordt als volgt geoordeeld.


4.3.1.

[gedaagde1] heeft aan CKT meerdere roerende zaken geleverd, waarna CKT uit deze zaken en andere (niet door [gedaagde1] geleverde roerende zaken) de living quarters heeft vervaardigd.


Artikel 5:16 BW bepaalt omtrent zaaksvorming het volgende.

1. Indien iemand uit een of meer roerende zaken een nieuwe zaak vormt, wordt deze eigendom van de eigenaar van de oorspronkelijke zaken. Behoorden deze toe aan verschillende eigenaars, dan zijn de vorige twee artikelen van overeenkomstige toepassing.

2. Indien iemand voor zichzelf een zaak vormt of doet vormen uit of mede uit een of meer hem niet toebehorende roerende zaken, wordt hij eigenaar van de nieuwe zaak, tenzij de kosten van de vorming dit wegens hun geringe omvang niet rechtvaardigen.

3. Bij het verwerken van stoffen tot een nieuwe stof of het kweken van planten zijn de vorige leden van overeenkomstige toepassing.







4.3.2.

Artikel 5:16 lid 1 BW

Partijen verschillen ten aanzien van 5:16 lid 1 BW van mening omtrent de vraag welke partij eigenaar was van de roerende zaken waaruit de living quarters zijn vervaardigd.


4.3.3.

CKT heeft gesteld dat HHI eigenaar was van deze roerende zaken en wel op grond van de overeenkomst tussen HHI en CKT en het daarop van toepassing zijnde artikel 22.1 van de NKT 07-voorwaarden. Hierbij heeft CKT gesteld dat de op de overeenkomst tussen HHI en CKT van toepassing zijnde voorwaarden grotendeels, doch in ieder geval ten aanzien van artikel 22.1, gelijk zijn aan de voorwaarden die van toepassing zijn op de overeenkomst tussen CKT en [gedaagde1] en wel op grond van een back-to-back-principe dat voor het gehele [project] geldt.


In artikel 22.1 van de NKT 07-voorwaarden is het volgende bepaald.


Art. 22 TITLE TO THE DELIVERABLES. RIGHT TO DEMAND DELIVERY

22.1

Title to the Deliverables shall pass to Company progressively as the Work is being performed. Title to Materials passes to Company on arrival at Site, or when paid for by Company, if payment has been made earlier.


As soon as Materials and Company’s Materials arrive at Site, Contractor shall mark them with an identification number and Company’s name, and as far as possible keep them separate from other items.”


CKT heeft gesteld dat ten aanzien van de overeenkomst die zij heeft gesloten met HHI en de daarop van toepassing zijnde voorwaarden het volgende geldt:

- Company: HHI;

- Materials: de onder meer door [gedaagde1] geleverde roerende zaken waaruit de living quarters zijn vervaardigd;

- Site: het terrein van Mammoet aan de [adres1] te Schiedam.


Indien de stellingen van CKT worden gevolgd is de eigendom van de door [gedaagde1] geleverde roerende zaken op grond van de tweede zin van artikel 22.1 overgegaan op HHI op het moment dat deze zaken zijn gearriveerd op het terrein van Mammoet. Dit geldt, zoals de voorzieningenrechter begrijpt, eveneens voor de overige roerende zaken die voor de vervaardiging van de living quarters zijn gebruikt, nu CKT heeft gesteld dat op alle overeenkomsten die zij met onderaannemers ten aanzien van het onderhavige project heeft gesloten dezelfde voorwaarden van toepassing zijn. In die optiek is HHI op grond van artikel 5:16 lid 1 BW, als eigenaar van de oorspronkelijke zaken, eigenaar geworden van de nieuwe zaak, te weten de living quarters.


4.3.4.

[gedaagde1] c.s. heeft evenwel, bij gebrek aan wetenschap, betwist dat de overeenkomsten tussen HHI en CKT en CKT en [gedaagde1] en de daarop van toepassing zijnde voorwaarden (grotendeels) gelijk zijn en zodoende voorts betwist dat HHI op grond van artikel 22.1 van de NKT 07-voorwaarden eigenaar is geworden van de door [gedaagde1] geleverde roerende zaken. In haar optiek geldt enkel het tussen CKT en [gedaagde1] van toepassing zijnde artikel 22.1, zodat CKT op grond van de eerste zin van dat artikel eigenaar is geworden van de door [gedaagde1] in België vervaardigde roerende zaken.





4.3.5.

Hoewel het, gezien de overgelegde stukken en de door partijen in de in Noorwegen gevoerde arbitrale procedure ingenomen standpunten, voor de hand ligt dat artikel 22.1 van de NKT 07-voorwaarden onverkort van toepassing is op de overeenkomst tussen HHI en CKT, heeft CKT, gezien de betwisting daaromtrent van de zijde van [gedaagde1] c.s., haar stellingen dienaangaande onvoldoende onderbouwd. CKT heeft immers nagelaten enig stuk te overleggen waaruit blijkt dat de NKT 07-voorwaarden, althans artikel 22.1 daarvan, ook in de relatie tussen haar en HHI gelden. Te dien aanzien is derhalve nader onderzoek en (mogelijk) nadere bewijsvoering in een bodemprocedure noodzakelijk. De onderhavige procedure leent zich daar niet voor.


Er is dan ook thans geen uitsluitsel te geven omtrent het eigenaarschap van de living quarters op grond van artikel 5:16 lid 1 BW.


4.3.6.

Artikel 5:16 lid 2 BW

Ongeacht het voorgaande, geldt het volgende.


In het tweede lid van artikel 5:16 BW is de uitzondering op de in lid 1 opgenomen hoofdregel geformuleerd. De omstandigheden van dit geval rechtvaardigen naar het oordeel van de voorzieningenrechter toepassing van deze uitzondering in dit geschil.


4.3.7.

Gezien de stukken en de stellingen van partijen ter zitting is het namelijk voldoende aannemelijk geworden dat naar verkeersopvattingen Statoil, ongeacht de verschillende schakels in de overeenkomstenketen, degene is die voor zichzelf de living quarters doet vormen. Dat [gedaagde1] c.s. niet alleen opdracht had tot de bouw van onderdelen maar ook tot het verrichten van engineering ten behoeve daarvan doet hieraan niet af. Niet omstreden is immers dat deze engineering diende plaats te vinden binnen de specificaties die (uiteindelijk) door Statoil zijn vastgesteld.


4.3.8.

Hierbij is van belang dat het ervoor moet worden gehouden dat lid 2 geen betrekking heeft op gevallen waarin een nieuwe zaak (enkel) wordt gemaakt uit materiaal van de vormer (in dit geval CKT) of degene die doet vormen (in dit geval Statoil). Deze bepaling ziet derhalve slechts op de gevallen waarin de nieuwe zaak (mede) is gevormd uit materiaal van een derde. Zoals CKT echter onbetwist heeft gesteld zijn de living quarters mede gevormd uit, zoals hiervoor reeds is vastgesteld, door anderen dan [gedaagde1] aan CKT geleverd materiaal waarvan vermoedelijk HHI op grond van de NKT 07- voorwaarden, maar in ieder geval niet CKT, eigenaar was. Dit betekent dat artikel 5:15 lid 2 BW in casu van toepassing is.


4.3.9.

Ten slotte zijn de kosten van de vorming van de living quarters zeker niet zo gering dat de tenzij-clausule opgenomen in artikel 5:16 lid 2 BW van toepassing is.


4.3.10.

Dit betekent dat aan de voorwaarden van dit tweede lid is voldaan. Hieruit vloeit aanstonds voort dat Statoil eigenaar is van de living quarters.


4.4.

Derhalve is het conservatoir beslag onbevoegd gelegd, nu het verlof zich daartoe niet uitstrekt. De voorzieningenrechter zal het beslag, gezien het fundamentele gebrek dat hieraan kleeft, zelf opheffen, hetgeen betekent dat er geen reden is voor het opleggen van de ten aanzien hiervan gevorderde dwangsom.


4.5.

Voorts zal het onder 1 sub ii gevorderde als hierna bepaald worden toegewezen. Nu CKT zal worden gemachtigd de deurwaarder zelf te instrueren, bestaat ook te dien aanzien geen aanleiding voor het opleggen van een dwangsom.


4.6.

De voorzieningenrechter zal, op verzoek van [gedaagde1] c.s., de uitvoerbaarverklaring bij voorraad opschorten tot 1 november 2015, zodat [gedaagde1] c.s. in de gelegenheid is om ten aanzien van dit vonnis een spoed-appèl in kort geding aanhangig te maken. Dit is niet in strijd met het spoedeisend karakter van de getroffen voorzieningen nu CKT heeft verklaard dat verplaatsing van de living quarters niet voor begin november zal plaatsvinden.


4.7.

[gedaagde1] c.s. zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van CKT worden begroot op:

- dagvaarding € 77,84

- griffierecht € 613,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.506,84


4.8.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.



5De beslissing

De voorzieningenrechter


5.1.

heft op het op 16 april 2015 door [gedaagde1] c.s. ten laste van CKT gelegde conservatoire beslag op de living quarters van zeven verdiepingen (in aanbouw), bestemd voor het Aasta Hansteen Platform, inclusief toebehoren, waaronder 108 slaapvertrekken, ventilatiesystemen, bekabeling, watertoevoer en -afvoer, vriescellen en compressoren,


5.2.

machtigt CKT om namens [gedaagde1] c.s. de deurwaarder die het beslag op 16 april 2015 heeft gelegd te instrueren het Havenbedrijf (Port of Rotterdam) en de betrokken instanties, waaronder de Dienst Zeehaven, op de hoogte te stellen van de opheffing van het beslag en het feit dat de living quarters de haven mogen verlaten,


5.3.

veroordeelt [gedaagde1] c.s. hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van CKT tot op heden begroot op € 1.506,84, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,


5.4.

veroordeelt [gedaagde1] c.s. hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde1] c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,


5.5.

verklaart dit vonnis vanaf 1 november 2015 uitvoerbaar bij voorraad,


5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.



Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. van den Hurk en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2015.2026/427