Rechtbank Rotterdam, 08-10-2015 / C/10/484233 / KG ZA 15-988


ECLI:NL:RBROT:2015:7105

Inhoudsindicatie
Kennelijke onredelijke opzegging arbeidsovereenkomst?
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-10-08
Publicatiedatum
2015-10-14
Zaaknummer
C/10/484233 / KG ZA 15-988
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2015/1982
  • AR-Updates.nl 2015-1000
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel



zaaknummer / rolnummer: C/10/484233 / KG ZA 15-988


Vonnis in kort geding van 8 oktober 2015


in de zaak van


[eiser] ,

wonende te Hellevoetsluis,

eiser,

advocaat mr. M.M. Collins,


tegen


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X] B.V.,

gevestigd te Papendrecht,

gedaagde,

advocaat mr. P.M.D. Weijers.



Partijen zullen hierna [eiser] en [X BV] genoemd worden.



1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding d.d. 10 september 2015, met producties,
  • - de producties van [X BV] , toegezonden bij fax van 21 september 2014,
  • - de aanvullende producties van [eiser] , toegezonden bij brief van 22 september 2014,
  • - de mondelinge behandeling ter openbare zitting van 24 september 2014,
  • - de pleitnota van [eiser]
  • - de pleitnota van [X BV] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.



2De feiten

2.1.

[eiser] is op 4 november 2002 bij [X BV] in dienst getreden in de functie van tankvrachtwagenchauffeur voor de duur van 40 uur per week.


2.2.

[X BV] is een tanktransportonderneming, gespecialiseerd in het internationaal tanktransport.


2.3.

Op of omstreeks 9 mei 2011 is [eiser] arbeidsongeschikt geworden door, zoals later is vastgesteld, een beknelde zenuw in zijn nek. Terugkeer in zijn functie van tankvrachtwagenchauffeur is voor [eiser] niet mogelijk.


2.4.

Bij beslissing van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (verder: het UWV) van 15 maart 2013 is de loondoorbetalingsverplichting van [X BV] met 52 weken verlengd omdat [X BV] naar het oordeel van het UWV haar verplichtingen met betrekking tot de re-integratie van [eiser] niet was nagekomen.


2.5.

De loondoorbetalingsverplichting van [X BV] is op 4 mei 2014 geëindigd. Met ingang van die datum ontvangt [eiser] een WGA-uitkering. Deze WGA-uitkering eindigt op 5 februari 2016.


2.6.

Bij tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van 30 juni 2014 heeft de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Dordrecht, vorderingen van [eiser] strekkende tot – kort samengevat – tewerkstelling in een passende functie en doorbetaling van loon afgewezen.


2.7.

Bij beslissing van 8 september 2014 heeft het UWV aan [X BV] toestemming verleend om de arbeidsverhouding met [eiser] op te zeggen. Deze beslissing (productie 25 bij dagvaarding) is onder meer gebaseerd op een deskundigenadvies van een arbeidsdeskundige van het UWV inhoudende dat het de verwachting is dat de arbeidsongeschiktheid van [eiser] zal voortduren en dat geen mogelijkheden aanwezig zijn om hem binnen 26 weken te herplaatsen in een aangepaste dan wel een andere passende functie, ook niet met behulp van scholing.


2.8.

Bij beschikking van 31 oktober 2014 heeft de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Dordrecht, [X BV] toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst met [eiser] , die destijds lid was van de ondernemingsraad, op te zeggen.


2.9.

[X BV] heeft de arbeidsovereenkomst met [eiser] tegen 31 december 2014 opgezegd.


2.10.

[eiser] heeft, nadat hij arbeidsongeschikt is geworden, op kosten van [X BV] een opleiding tot rij-instructeur gevolgd en met goed gevolg afgerond.


2.11.

Bij dagvaarding van 16 juni 2015 heeft [eiser] bij de kantonrechter van deze rechtbank een procedure tegen [X BV] aanhangig gemaakt (4227961 CV EXPL 15-4907), waarin hij – kort samengevat – primair vordert dat de arbeidsovereenkomst wordt hersteld en [X BV] wordt veroordeeld te bewerkstelligen dat er werkzaamheden voor [eiser] zijn die passen en aansluiten bij zijn beperkingen en dat hij onbelemmerd tot die werkzaamheden wordt toegelaten en subsidiair een schadevergoeding vordert. In deze procedure is een comparitie na antwoord bepaald op 30 oktober 2015.



3Het geschil


3.1.

[eiser] vordert samengevat -:

[X BV] te veroordelen om [eiser] binnen twee weken na betekening van dit vonnis (weder) tewerk te stellen in (passende) werkzaamheden die passen en aansluiten bij zijn beperkingen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom,

[X BV] te veroordelen om primair vanaf 5 mei 2014, subsidiair vanaf 1 januari 2015 en meer subsidiair vanaf de veroordeling aan [eiser] het loon en de overige emolumenten te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke verhoging en wettelijke rente te voldoen totdat er een andersluidende beslissing in een bodemprocedure in kracht van gewijsde is gegaan;

[X BV] te veroordelen in de proceskosten, nakosten daaronder begrepen.


3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk is. Hij stelt daartoe i) dat [X BV] ernstig tekort is geschoten in het nakomen van haar re-integratieverplichtingen en ii) dat de gevolgen van de opzegging voor [eiser] in vergelijking met het belang van [X BV] bij opzegging dusdanig ernstig zijn dat het belang van [eiser] dient te prevaleren boven dat van [X BV] .


3.3.

[X BV] voert verweer. Zij betwist het gestelde alsmede dat [eiser] een spoedeisend belang bij de gevorderde voorlopige voorzieningen heeft.


3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.



4De beoordeling

4.1.

De arbeidsovereenkomst tussen partijen is vóór 1 juli 2015 opgezegd, zodat ingevolge artikel XXII lid 1 van de Wet werk en zekerheid op die opzegging afdeling 9 van Boek 7, titel 10 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is zoals deze vóór die datum luidde.


4.2.

De onderhavige vorderingen kunnen slechts toegewezen worden indien met redelijke mate van zekerheid kan worden aangenomen dat de kantonrechter in de bodemprocedure tot het oordeel zal komen dat de opzegging kennelijk onredelijk is en de vordering tot herstel van de arbeidsovereenkomst zal toewijzen. Nu in de bodemprocedure tussen partijen op korte termijn een comparitie van partijen zal worden gehouden vereist die redelijke mate van zekerheid dat er in redelijkheid niet over valt te twijfelen dat de kantonrechter tot dat oordeel zal komen.


4.3.

[eiser] stelt dat [X BV] is tekort geschoten in de nakoming van haar re-integratieverplichting omdat er bij [X BV] wel andere passende functies voor [eiser] zijn, althans te creëren zijn. Hij heeft dat onderbouwd met een door hem aangevraagd rapport van de registerarbeidsdeskundige L. de Ponti van A-REA d.d. 24 oktober 2014 (productie 24 bij dagvaarding) en een opsomming van tien taken die hij naar zijn mening binnen het bedrijf van [X BV] kan uitvoeren. [X BV] bestrijdt de standpunten van de partijdeskundige van [eiser] , die afwijken van de bevindingen van de arbeidsdeskundige waarop het UWV haar beslissing heeft gebaseerd, en bestrijdt tevens dat de door [eiser] opgesomde taken een passende functie voor [eiser] binnen haar bedrijf kunnen opleveren. Dat de kantonrechter meer waarde zal hechten aan de standpunten van de partijdeskundige van [eiser] dan de daarmee afwijkende standpunten van de arbeidsdeskundige waarop het UWV haar beslissing heeft gebaseerd, is niet evident. Voorts komt op grond van hetgeen [eiser] ter zitting zelf verklaard heeft over het risico van uitval vanwege hevige pijnklachten, welk risico zich in de werkzaamheden die hij voor Van Buuren als docent heeft verricht blijkbaar enkele malen verwezenlijkt heeft, een aantal van de hem opgesomde mogelijke taken binnen het bedrijf van [X BV] , zoals het geven van interne (veiligheids)opleidingen en nascholing van chauffeurs, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet passend voor. Dat de kantonrechter tot het oordeel zal komen dat ten tijde van de opzegging er bij [X BV] wel passende functies voor [eiser] waren, althans gecreëerd konden worden, kan derhalve niet met voldoende zekerheid worden aangenomen.


4.4.

De enkele omstandigheid dat een werknemer na een langdurig dienstverband wegens arbeidsongeschiktheid is ontslagen, levert op zichzelf beschouwd geen kennelijke onredelijke opzegging van de arbeidsovereenkomst op. Voorts staat vast dat [X BV] de opleiding van [eiser] tot rij-instructeur heeft bekostigd. In dit licht bezien is niet evident dat de kantonrechter het standpunt van [eiser] dat zijn belang bij het behouden van zijn dienstbetrekking dient te prevaleren boven het belang van [X BV] bij opzegging daarvan zal volgen.


4.5.

Op grond van het vorenstaande is het onvoldoende zeker dat de kantonrechter tot het oordeel zal komen dat sprake is van een kennelijk onredelijke opzegging van de arbeidsovereenkomst en op grond daarvan gebruik zal maken van de mogelijkheid om [X BV] tot herstel van de arbeidsovereenkomst te veroordelen. Bovendien heeft [X BV] in de bodemprocedure bij wege van (meer subsidiair) verweer om vaststelling van een afkoopsom verzocht. In aanmerking nemende dat de bodemprocedure eerst is ingesteld nadat bijna zes maanden sinds de opzegging waren verstreken, bestaat er derhalve een niet te verwaarlozen kans dat in het geval dat de kantonrechter geen grond ziet voor herstel van de arbeidsovereenkomst daar een geldelijke vergoeding voor in de plaats zal worden gesteld.


4.6.

Reeds op grond van het vorenstaande dienen de vorderingen afgewezen te worden, zodat in het spoedeisend belang van [eiser] bij die vorderingen in het midden kan blijven. Gelet op die afwijzing wordt slechts ten overvloede overwogen dat de onduidelijke wijze waarop de vorderingen zijn geformuleerd toewijzing daarvan problematisch zou hebben gemaakt. Verwacht mag worden dat duidelijker wordt geformuleerd tot welke werkzaamheden [eiser] zou dienen te worden toegelaten en voor welk aantal uren, alsmede wat onder “het loon” dient te worden verstaan nu terugkeer van [eiser] in zijn functie van tankvrachtwagenchauffeur is uitgesloten, zodat dat loon in ieder geval niet tot uitgangspunt kan worden genomen.


4.7.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [X BV] worden begroot op:

  • - griffierecht € 613,00
  • - salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.439,00.

Overeenkomstig de daartoe strekkende vordering van [X BV] zal deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.


5De beslissing

De voorzieningenrechter


wijst de vorderingen af;


veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [X BV] tot op heden begroot op € 1.439,00;


verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.



Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2015.


2515/2009