Rechtbank Rotterdam, 03-09-2015 / 4358565


ECLI:NL:RBROT:2015:7176

Inhoudsindicatie
WWZ ontbinding wegens disfunctioneren
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-09-03
Publicatiedatum
2015-10-08
Zaaknummer
4358565
Procedure
Beschikking
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2015/1886
  • AR-Updates.nl 2015-0978
Uitspraak RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 4358565 / VZ VERZ 15-16779


uitspraak: 3 september 2015


beschikking ex artikel 7:671b Burgerlijk Wetboek van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam


in de zaak van


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Auto Hoogenboom B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

gemachtigde: mr. M.C. Zaal, advocaat te Amsterdam,


tegen


[verweerder],

wonende te Capelle aan den IJssel,

gedaagde,

gemachtigde: mr. F.H. Tak, advocaat te Rotterdam.


Partijen worden hierna aangeduid als “Hoogenboom” en “[verweerder]”.



1Het procesverloop


1.1

De kantonrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift (binnengekomen op

10 augustus 2015) met producties en het verweerschrift (binnengekomen op 19 augustus 2015) met één productie.


1.2

Zijdens Hoogenboom zijn de producties 28, 29 en 30 nagezonden ten behoeve van de mondelinge behandeling.


1.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2015. Hoogenboom is vertegenwoordigd door de heer [K.], operationeel manager, mevrouw [U.], HR adviseur en de heer [B.], schademanager, bijgestaan door mr. Zaal. [verweerder] is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Tak. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekening gehouden.



2De feiten


2.1

[verweerder], geboren op [geboortedatum] 1960, is op 13 maart 2000 in dienst getreden bij Hoogenboom. De laatste functie die de werknemer vervulde, is die van autopoetser, met een salaris van € 2.151,53 bruto per maand exclusief € 113,22 ADV-toeslag en 8% vakantietoeslag.


2.2

Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor Motorvoertuigen- en Tweewielerbedrijf van toepassing. De arbeid werd door [verweerder] uitgevoerd op bedrijfsvestiging Autoschadeservice in Rotterdam.


2.3

Hoogenboom repareert (alsmede schadeherstel), verkoopt onderdelen, verhuurt en handelt in auto’s van de merken Volkswagen, Audi, Seat en Skoda. Hoogenboom heeft

9 zelfstandige bedrijfsvestigingen.


2.4

Op 25 september 2012 heeft er een individueel gesprek plaatsgevonden met [verweerder]. Er is een verbetertraject afgesproken voor de duur van drie maanden. Een en ander is schriftelijk aan [verweerder] bevestigd per brief van 5 oktober 2012.


2.5

Eind januari 2013 heeft een beoordelingsgesprek plaatsgevonden met [verweerder]. Zijn functioneren als autopoetser werd als onvoldoende beoordeeld. Van het gesprek is een verslag d.d. 24 januari 2013 opgemaakt.


2.6

In 2013 is de schadeafdeling van Hoogenboom verhuisd.


2.7

Medio december 2013 heeft een voortgangs-/beoordelingsgesprek plaatsgevonden. Het functioneren van [verweerder] werd als ‘matig’ gekwalificeerd, zoals blijkt uit het verslag dat van het gesprek is opgemaakt.


2.8

In het verslag van het voortgangsgesprek van 8 juli 2014 is opgenomen dat er geen daadwerkelijke verbetering waar te nemen was in de kwaliteit en het tempo van het werk van [verweerder].


2.9

Op 1 en 13 oktober 2014 hebben er gesprekken plaatsgevonden met [verweerder] over zijn functioneren. Er is wederom een verbetertraject aangegaan. Bij brief van 20 oktober 2014 heeft Hoogenboom een bevestiging aan [verweerder] gestuurd van de inhoud van voornoemde gesprekken.


2.10

In de periode van oktober 2014 tot maart 2015 hebben diverse gesprekken tussen partijen plaatsgevonden over het functioneren van [verweerder]. Beide partijen hebben hun interpretaties hiervan telkens op schrift gesteld.



3Het verzoek


3.1

Hoogenboom verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1 BW, onderdeel a, in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel d BW, onder toekenning van een transitievergoeding op grond van artikel 7:673 BW van € 21.193,00 bruto.


3.2

Aan dit verzoek legt Hoogenboom ten grondslag dat sprake is van - kort gezegd - disfunctioneren van [verweerder], zodanig dat van Hoogenboom redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.



4Het verweer


[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt primair dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Subsidiair verzoekt [verweerder] om bij toewijzing van de ontbinding aan hem een transitievergoeding toe te kennen van € 21.606,00 bruto. Op de inhoud van zijn verweer wordt hierna onder de beoordeling - voor zover relevant - nader ingegaan.



5De beoordeling


5.1

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In geval van ontbinding moet ook worden beoordeeld of aan de werknemer een vergoeding dient te worden toegekend.


5.2

Van opzegverboden zoals bedoeld in artikel 7:671b lid 2 BW is ten aanzien van het onderhavige verzoek niet gebleken.


5.3

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Hoogenboom voert aan dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen in het disfunctioneren van [verweerder].


5.4

Uit de stukken die door Hoogenboom in het geding zijn gebracht en de (mondelinge) toelichting van partijen blijkt genoegzaam dat [verweerder] herhaaldelijk is aangesproken op het tempo en de kwaliteit van zijn werk, in ieder geval in de periode vanaf eind 2012. Op reguliere basis is met [verweerder] gesproken en zijn met hem verbeterafspraken gemaakt waarbij Hoogenboom [verweerder] steeds heeft gefaciliteerd om dit verbeteren mogelijk te maken.


5.5

[verweerder] heeft weliswaar ten aanzien het beoordelingsgesprek eind januari 2013 aangegeven dat hij zich dat niet goed kan herinneren, het verslag d.d. 24 januari 2013 met als eindconclusie onvoldoende niet heeft ondertekend ‘zodat hij moet ontkennen dat dat verslagen een juiste weergave van hetgeen destijds besproken zou zijn vormen’, maar feitelijk gezien betwist [verweerder] niet dat hetgeen is opgenomen in het verslag ook daadwerkelijk is besproken. Hij verbindt die conclusie aan het ontbreken van zijn handtekening onder het verslag op formele gronden. [verweerder] heeft in ieder geval nagelaten om aan te voeren wat er volgens hem dan wél zou zijn besproken. In deze procedure zal dan ook worden uitgegaan van de inhoud van voornoemd verslag, waaruit volgt dat het functioneren van [verweerder] toentertijd als onvoldoende is aangemerkt.



5.6

[verweerder] heeft te kennen gegeven dat hij van de verslagen van de overige gesprekken (ook) nimmer een afschrift heeft ontvangen voorafgaand aan deze procedure. Hoogenboom heeft hiertegen ingebracht dat de verslagen te allen tijden digitaal te raadplegen zijn. Wat hiervan zij, dat er in al die gesprekken kritiek is geuit op de snelheid van werken en de kwaliteit van het werk van [verweerder] is door hem niet betwist. [verweerder] stelt zich op het standpunt dat die kritiek niet terecht is. Hij streeft er naar eigen zeggen voortdurend naar om zowel zijn werktempo als de kwaliteit van zijn werk te verbeteren. Uit zijn brieven aan Hoogenboom voorafgaand aan deze procedure evenals uit zijn verweer in deze procedure blijkt echter dat [verweerder] wel zégt dat hij bereid is om zich te verbeteren, maar tegelijkertijd aangeeft dat hij het niet op alle punten eens is met de kritiek en bij ieder punt een ‘maar’ aanvoert, onder verwijzing naar een externe oorzaak voor zijn functioneren (collega’s, apparatuur, werkschema) of een verwijt aan het adres van Hoogenboom ten aanzien van bijvoorbeeld het beschikbaar stellen van materialen of de inhoud/zwaarte van zijn functie. Wat het exacte aantal door [verweerder] gewassen auto’s en het foutpercentage ook is, hieruit volgt dat [verweerder] wel onderkent dat een en ander beter en sneller kan. [verweerder] heeft onvoldoende onderbouwd dat de door hem externe omstandigheden hem ervan hebben weerhouden om zich te verbeteren. Evenmin is gebleken dat de door Hoogenboom gehanteerde norm niet realistisch is. Onvoldoende is door [verweerder] onderbouwd waarom aan de door de op andere vestigingen van Hoogenboom werkzame autopoetsers behaalde resultaten waarnaar Hoogenboom verwijst in deze geen betekenis toe zou kunnen komen.


5.7

Volgens [verweerder] blijkt uit het feit dat het in de periode van januari 2013 tot december 2013 van de kant van Hoogenboom stil is gebleven dat zijn disfunctioneren over het jaar 2013 wel meeviel. Ook indien dat het geval zou zijn geweest, doet dat niet af aan zijn (eventuele) disfunctioneren in de periode ervoor en erna. Van december 2013 tot aan de datum van het onderhavige verzoek is alweer ruim anderhalf jaar verstreken., een periode waarin veelvuldig gesprekken hebben plaats gevonden, kanttekeningen zijn geplaats bij het functioneren van [verweerder] en naar verbetering is gestreefd. Bovendien heeft Hoogenboom verklaard dat er begin 2013 een nieuwe schademanager aan de slag is gegaan en dat die als prioriteit had de verhuizing van de schadeafdeling, zodat de periode van stilte niet kan worden gezien als bevestiging van de afwezigheid van klachten aan het adres van [verweerder].


5.8

Dat [verweerder] in de periode voor 2012 negen jaar lang volledig naar tevredenheid heeft gefunctioneerd is door Hoogenboom niet betwist. Het functioneren van [verweerder] in die periode is ook niet ten grondslag gelegd aan dit verzoek. Hoogenboom heeft wel rekenschap gegeven van voornoemde periode, door [verweerder] ‘wat langer de kans te geven om zich te verbeteren’. Meer waarde kan in deze procedure aan die jaren niet worden gehecht.

Nadat [verweerder] in maart 2015 aan Hoogenboom had aangegeven dat de beste manier om hem te helpen was om hem op een positieve en rustige manier te benaderen en vooral rustig zijn werk te laten doen en niet op zijn nek te zitten, heeft Hoogenboom ervoor gekozen om [verweerder] een periode aan het werk te laten en geen vervolgafspraak te plannen. Geoordeeld wordt dat Hoogenboom er alles aan heeft gedaan om een daadwerkelijke verbetering in het functioneren van [verweerder] te bewerkstelligen.


5.9

Voor zover [verweerder] heeft bedoeld om te betogen dat de klachten aan zijn adres enkel zijn ingegeven door zijn nieuwe leidinggevende, de heer Oogjen, wordt het volgende opgemerkt. In het bijzonder door de toelichting van [verweerder] tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat hij niet zozeer de inhoud van de klachten van Hoogenboom betwist, maar vooral de status van de heer Oogjen en de volgens [verweerder] als gevolg daarvan ontbrekende bevoegdheid van de heer [O.] om hem met die klachten te confronteren en eisen aan zijn functioneren te stellen. De kritiek blijft hiermee dan ook dezelfde. Het is voorts niet aan [verweerder] om te bepalen wie hem beoordeelt.


5.10

Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door Hoogenboom naar voren gebrachte feiten en omstandigheden een redelijke grond voor ontbinding op, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel d BW.


5.11

De kantonrechter ziet geen reden om te oordelen dat herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn in de rede ligt. Over herplaatsing is door [verweerder] zelf met geen woord gerept. Er is niet van reële functies gebleken die passend zouden zijn bij de mogelijkheden van [verweerder].


5.12

De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van Hoogenboom zal toewijzen en dat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW zal worden ontbonden met ingang van 31 december 2015. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging conform het bepaalde in artikel 7:672 lid 2 aanhef en onder d zou zijn geëindigd, nu de arbeidsovereenkomst vijftien jaar of langer heeft geduurd en er derhalve een opzegtermijn van vier maanden geldt, verminderd met de duur van deze procedure (datum beschikking 2 september 2015 plus 4 maanden, leidt tot 2 januari 2016, minus 3 weken en 2 dagen behandeltermijn leidt tot 10 december 2015).


5.13

Uit artikel 7:673 lid 1 BW volgt dat de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd is indien - kort gezegd - de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd, de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever is ontbonden en geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer. Niet gesteld of gebleken is dat [verweerder] een ernstig verwijt treft voor het feit dat hij niet voldoet, zodat aan deze voorwaarden is voldaan en [verweerder] gelet op artikel 7:673 lid 2 BW aanspraak heeft op een transitievergoeding. Hoogenboom heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat er in haar berekening ten aanzien van de hoogte van de transitievergoeding een fout is geslopen en erkent de juistheid van de hoogte van de door [verweerder] verzochte vergoeding van € 21.606,00. Dat bedrag wordt dan ook toegewezen en Hoogenboom wordt veroordeeld tot betaling daarvan.


5.14

Gelet op de aard van de procedure worden de proceskosten gecompenseerd.



6De beslissing


De kantonrechter:


ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 31 december 2015;


kent aan [verweerder] een transitievergoeding toe van € 21.606,00 bruto en veroordeelt Hoogenboom om die vergoeding aan [verweerder] te betalen;


bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;


verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.



Deze beschikking is gewezen door mr. C.H. van Breevoort - de Bruin, kantonrechter en in het openbaar uitgesproken.

703