Rechtbank Rotterdam, 16-07-2015 / C/10/11/847 R


ECLI:NL:RBROT:2015:7258

Inhoudsindicatie
Weigering schone lei. Nieuwe schuld door intrekking uitkering als gevolg van schending inlichtingenplicht jegens uitkeringsinstantie. Dat beroep in ingesteld tegen het afgewezen herzieningsverzoek leidt niet tot een ander oordeel, nu onvoldoende aannemelijk is dat het beroep gegrond zal worden verklaard.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-07-16
Publicatiedatum
2015-10-12
Zaaknummer
C/10/11/847 R
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team insolventie


weigering schone lei


insolventienummer: [nummer] R

uitspraakdatum: 16 juli 2015


Bij vonnis van deze rechtbank van 25 augustus 2011 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:


[naam],

[adres]

[woonplaats] ,

schuldenares,

bewindvoerder: M. Smit.


1De procedure


De bewindvoerder heeft op 31 maart 2014 en 14 augustus 2014 schriftelijk verslag uitgebracht over de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.


De beëindiging is behandeld ter terechtzitting van 21 augustus 2014. De bewindvoerder en schuldenares bijgestaan door haar advocaat, mevrouw mr. M.S. Krol, zijn verschenen.


De behandeling van de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling is ter terechtzitting (pro forma) aangehouden tot 21 november 2014, om het besluit van de gemeente Rotterdam inzake het herzieningsverzoek van het terugvorderingsbesluit af te wachten, zoals is opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 augustus 2014.


De bewindvoerder heeft bij schrijven van 20 november 2014, 30 december 2014, 26 februari 2015 en 30 april 2015 de rechtbank verzocht de behandeling van de beëindiging van de schuldsaneringsregeling pro forma aan te houden nu er nog geen beslissing was genomen omtrent het herzieningsverzoek.


De rechtbank heeft gereageerd op de bewindvoerder bij schrijven van 27 november 2014, 6 januari 2015, 23 maart 2015 en 6 mei 2015. De rechtbank heeft de behandeling van de beëindiging van de schuldsaneringsregeling aangehouden tot 1 juni 2015.


Op 26 mei 2015 heeft de bewindvoerder de rechtbank bericht omtrent de stand van zaken met betrekking tot het herzieningsverzoek en heeft de rechtbank verzocht om een inhoudelijke zitting te plannen. Dit verzoek is gehonoreerd.


De beëindiging is vervolgens behandeld ter terechtzitting van 9 juli 2015. De bewindvoerder en schuldenares bijgestaan door haar advocaat, mevrouw mr. M.S. Krol, zijn verschenen.


De uitspraak is bepaald op heden.


2De standpunten


De bewindvoerder heeft bij schrijven van 26 mei 2015 de stand van zaken met betrekking tot het bezwaar op het afgewezen herzieningsverzoek aan de rechtbank gestuurd. De bewindvoerder heeft bericht dat de bezwaren van schuldenares ongegrond zijn verklaard en het bestreden besluit wordt gehandhaafd. De gemeente Rotterdam vordert van schuldenares een bedrag van € 9.766,79 terug wegens de over 1 januari 2013 tot en met 3 december 2013 ingetrokken uitkering Wet werk en bijstand (WWB).


Ter terechtzitting heeft de advocaat van schuldenares verklaard dat het recht op bijstand van schuldenares is herzien en teruggevorderd omdat de gemeente Rotterdam ervan uitgaat dat schuldenares in [plaats 1] heeft gewoond van 1 januari 2013 tot en met 3 december 2013. Schuldenares betwist dat zij in [plaats 1] heeft gewoond en betwist het bestaan van een fraudevordering. De vorige advocaat van schuldenares heeft, aldus schuldenares, verzuimd in beroep te gaan tegen de beslissing op het bezwaar van schuldenares, dat er sprake zou zijn van een zogenaamde fraudevordering. Dat valt schuldenares niet aan te rekenen. Voorts heeft de advocaat gesteld dat schuldenares niet verwijtbaar heeft gehandeld. Schuldenares heeft volgens haar niet bewust gekozen voor het maken van een nieuwe schuld. Verder heeft de advocaat aangevoerd dat schuldenares aan haar verplichtingen van de schuldsaneringsregeling heeft voldaan; zij heeft inzage gegeven in haar gegevens, geen (verdere) nieuwe schulden gemaakt en zij heeft niet verwijtbaar gehandeld. Voorts heeft de advocaat verklaard dat zij in beroep is gegaan tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek.


De bewindvoerder heeft ter terechtzitting verklaard dat zij het een moeilijke zaak vindt.

De bewindvoerder heeft verklaard dat het maken van een nieuwe schuld gedurende de schuldsaneringsregeling niet is toegestaan. Zij heeft voorts verklaard niet te gaan over de vraag of de terugvordering aan schuldenares te wijten is of niet. Er zijn kennelijk geen nieuwe feiten of omstandigheden aangetroffen die aanleiding geven tot herziening van het eerdere besluit. Verder heeft de bewindvoerder verklaard dat wanneer het herzieningsverzoek wordt gehonoreerd en blijkt dat er geen sprake is van een fraudevordering, schuldenares een schone lei verleend kan worden.


3De beoordeling


De schuldsaneringsregeling biedt een schuldenaar in een problematische schuldensituatie de mogelijkheid om na drie jaar een schone lei te verkrijgen. Dit betekent in de voorliggende regeling dat een groot deel van de schuld van € 154.323,85 niet langer opeisbaar is. Tegenover dit perspectief staat een aantal niet lichtvaardig op te vatten verplichtingen. Zo dient de schuldenaar gedurende de toepassing van de regeling onder meer de bewindvoerder gevraagd en ongevraagd te informeren, zijn inkomen boven het vrij te laten bedrag af te dragen aan de boedelrekening en zich aantoonbaar tot het uiterste in te spannen om een fulltime dienstbetrekking te verkrijgen. Hiernaast mogen tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling geen nieuwe schulden ontstaan. Van de schuldenaar wordt een actieve houding verwacht bij het naleven van voornoemde verplichtingen. De rechtbank oordeelt dat schuldenares toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen en overweegt daartoe als volgt.


Vast is komen te staan dat schuldenares verwikkeld is in een terugvorderingsprocedure met de gemeente Rotterdam. De gemeente Rotterdam heeft in het besluit van d.d. 24 januari 2014 vastgesteld dat schuldenares fraude heeft gepleegd met haar uitkering en dat er derhalve sprake is van een fraudevordering. De voormalig advocaat van schuldenares heeft geen beroep ingesteld tegen het besluit op het bezwaar tegen de beslissing van d.d. 24 januari 2014. De huidige advocaat van schuldenares heeft een herzieningsverzoek ingediend. De gemeente Rotterdam heeft met het besluit van 5 november 2014 het herzieningsverzoek tegen de beslissing van de gemeente d.d. 24 januari 2014 afgewezen. Op 15 december 2014 heeft de advocaat van schuldenares namens schuldenares bezwaar ingediend tegen het afgewezen herzieningsverzoek. Bij besluit van 21 mei 2015 is het bezwaar inzake het afgewezen herzieningsverzoek ongegrond verklaard, waardoor het besluit van de gemeente Rotterdam van d.d. 24 januari 2014 om over de periode van 1 januari 2013 tot en met 3 december 2013 een bedrag van € 9.766,79 terug te vorderen wegens de over die periode ingetrokken uitkering Wet werk en bijstand (WWB), in stand is gebleven. Deze vordering van de gemeente Rotterdam is aan te merken als een nieuwe schuld. De thans bestaande nieuwe schuld is naar het oordeel van de rechtbank bovenmatig en rechtvaardigt de beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder schone lei. De rechtbank heeft daarbij mede gelet op het verwijt dat schuldenares gemaakt kan worden ten aanzien van het ontstaan van deze schuld, te weten: de schending van de inlichtingenverplichting jegens de uitkeringsinstantie.


Het feit dat nog niet is beslist op het namens schuldenares ingestelde beroep tegen het afgewezen herzieningsverzoek doet aan het vorenstaande niet af. Daartoe is van belang dat op grond van artikel 6:16 Algemene wet bestuursrecht (Awb) bezwaar of beroep niet de werking schorst van het besluit waartegen het is gericht. Bovendien heeft schuldenares onvoldoende aannemelijk gemaakt dat haar beroep kans van slagen heeft. In het advies op het bezwaarschrift van de gemeente Rotterdam d.d. 16 april 2015, behorend bij het besluit van d.d. 21 mei 2015, blijkt dat er in de procedure geen stukken en verklaringen zijn ingebracht die al tijdens de eerdere bezwaarprocedure tegen het oorspronkelijke besluit hadden kunnen worden ingebracht. Daarnaast merkt de rechtbank op dat schuldenares zelf verantwoordelijk is om tijdig beroep in te stellen tegen de beslissing op bezwaar van de gemeente Rotterdam inzake de terugvordering. Het feit dat de toenmalig advocaat van schuldenares kennelijk niet tijdig in beroep is gegaan komt voor rekening en risico van schuldenares.


De advocaat van schuldenares heeft de rechtbank verzocht schuldenares een schone lei te verlenen, danwel de behandeling van de beëindiging van de schuldsaneringsregeling aan te houden nu zij namens schuldenares tegen de beslissing van 21 mei 2015 beroep heeft ingesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is het feit dat de advocaat beroep heeft ingesteld tegen het afgewezen herzieningsverzoek onvoldoende om schuldenares een schone lei te verlenen of om de zaak aan te houden teneinde het besluit van de gemeente Rotterdam op het beroep af te wachten.


Voorts is de rechtbank van oordeel dat schuldenares gedurende de schuldsaneringsregeling niet (volledig) aan haar verplichtingen heeft voldaan. In de halfjaarlijkse verslagen bericht de bewindvoerder dat schuldenares niet geheel aan haar informatieverplichting en sollicitatieverplichting heeft voldaan. De informatieformulieren zijn niet iedere maand opgestuurd en er ontbraken bij ieder verslag stukken. De bewindvoerder heeft bij ieder verslag schuldenares verzocht de ontbrekende stukken aan te leveren. De schuldsaneringsregeling heeft hierdoor een moeizaam verloop gehad. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat schuldenares, in elk geval na de waarschuwingsbrief van 3 juni 2013 en het rechter-commissaris verhoor van 11 oktober 2013, goed op de hoogte moet zijn geweest van haar verplichtingen. Daarnaast heeft de advocaat van schuldenares ter terechtzitting van 21 augustus 2014 erkend dat zij de bewindvoerder met betrekking tot het terugvorderingsbesluit onvoldoende heeft geïnformeerd.


De rechtbank merkt de terugvordering van de gemeente Rotterdam aan als een nieuwe, bovenmatige schuld die gedurende de schuldsaneringsregeling is ontstaan. Vanwege de aard en de ernst van de schuld kan het ontstaan ervan aan schuldenares worden toegerekend en wordt schuldenares een schone lei onthouden.


De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen.


4De beslissing


De rechtbank:


- stelt vast dat de schuldenares toerekenbaar in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten;

- bepaalt dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden, doch dat de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen van schuldenares eindigen op 25 augustus 2014;

- stelt het salaris van de bewindvoerder tot 1 oktober 2012 vast op € 588,00 (exclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting) en vanaf 1 oktober 2012 op

€ 970,93 (exclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting) en brengt deze bedragen, voor zover deze niet uit de boedel kunnen worden voldaan, ten laste van schuldenares.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J.C.A.T. Frima, rechter, en in aanwezigheid van mr. M.H. Vossenaar, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2015.









1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.