Rechtbank Rotterdam, 22-09-2015 / C/10/478448 / HA RK 15-512


ECLI:NL:RBROT:2015:7345

Inhoudsindicatie
Verzet ex artikel 29 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken. De griffier heeft terecht driemaal griffierecht in rekening gebracht voor het faillissementsverzoekschrift ten aanzien van een maatschap en haar twee maten, nu sprake is van drie afzonderlijke verzoeken.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-09-22
Publicatiedatum
2015-10-15
Zaaknummer
C/10/478448 / HA RK 15-512
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2015/1936
  • INS-Updates.nl 2015-0283
Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel



zaaknummer / rekestnummer: C/10/478448 / HA RK 15-512


Beschikking van 22 september 2015


in de zaak van


MR. M. WIERENGA,

advocaat van de naamloze vennootschapPGGM N.V., verzoeker in FT RK 15-275, 15-276 en 15-277 (PGGM / Recuper,

PGGM / Extrapolant en PGGM / Olivebranch) (hierna: het verzoekschrift),

kantoorhoudende te Utrecht,

verzoeker,


tegen


DE GRIFFIER VAN DE RECHTBANK,

gevestigd te Rotterdam,

verweerder.


Partijen worden hierna aangeduid met ‘Wierenga’ en ‘de griffier’.


1De procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- de brief van 18 mei 2015 van Wierenga;

- het e-mailbericht van 27 mei 2015 van mr. A.M. Pieters-Boelhouwer, senior juridisch medewerker, Rechtbank Rotterdam;

- het verzetschrift ex artikel 29 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (hierna: Wgbz) van 5 juni 2015 van Wierenga;

- het verweerschrift van de zijde van de griffier van 1 juli 2015, met bijlage;

- het faxbericht van 6 juli 2015 van Wierenga;

- de brief van de zijde van de griffier van 9 juli 2015, met bijlage.


1.2.

Uit het verweerschrift volgt dat de griffier geen belang ziet bij het plannen van een zitting. Bij brief van 6 juli 2015 heeft Wierenga aangegeven geen behoefte te hebben aan een mondelinge behandeling. Het verzet zal derhalve zonder mondelinge behandeling worden afgedaan.






2De inhoud van het verzet


2.1.

Wierenga komt in verzet tegen de beslissing van de griffier tot heffing van het griffierecht van driemaal een bedrag van € 613,00 voor het door hem namens zijn cliënte bij de rechtbank ingediende verzoekschrift dat is gericht tegen de maatschap Recuper alsmede haar beide maten. Wierenga verzoekt de tegen de beide maten gerichte faillissementsaanvragen [Extrapolant B.V. (15-276) en Olivebranch B.V. (15-277)] als niet ingediend te beschouwen en over te gaan tot het crediteren van tweemaal een bedrag van

€ 613,00.


2.2.

Wierenga voert daartoe het volgende aan. De rechtbank had voor het verzoekschrift slechts éénmaal een bedrag van € 613,00 aan griffierecht dienen te heffen. Het is niet juist om ook de faillissementsverzoeken van beide maten als ingediend te beschouwen, nu in het verzoekschrift niet nadrukkelijk om het faillissement van de afzonderlijke maten is verzocht en artikel 4 lid 3 Faillissementswet vereist dat de maten in het rekest worden genoemd. De rechtbank had daar niet zonder meer vanuit mogen gaan, gezien de plotselinge wijziging van haar beleid en diende, alvorens tot heffing van het griffierecht over te gaan, verzoeker tenminste in de gelegenheid te stellen zich op dit punt expliciet uit te laten. De griffier heeft de cliënte van Wierenga daarnaast niet gewezen op de mogelijkheid van verzet. De heffing van driemaal griffierecht is niet gerechtvaardigd noch redelijk, mede gelet op het feit dat er niet drie afzonderlijke mondelinge behandelingen hebben plaatsgevonden. Het is in de praktijk ook onvoorstelbaar, dat de rechtbank een verzoek achtereenvolgens tijdens meerdere behandelingen zal behandelen. Tevens is er geen sprake van landelijk uniform beleid over dit onderwerp. Artikel 2 van de Wgbz bepaalt dat geen griffierecht wordt geheven ingeval een verzoekschrift in de loop van een aanhangig geding wordt ingediend en op dit geding betrekking heeft. De rechtbank had een gedeelte van het griffierecht dienen te crediteren, nu een gedeelte ten onrechte is geheven. Het arrest van de Hoge Raad van

6 februari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:251) is gezien als uitkomst om meer griffierechten te kunnen genereren. Verzoeker lijkt tevens in een achterstandspositie te zijn gesteld, nu de heffing van het griffierecht via automatische incasso is geschied en hij derhalve niet de mogelijkheid had het griffierecht ten aanzien van de maten onbetaald te laten.


3De beoordeling

3.1.

De rechtbank zal het verzoek afwijzen, nu de griffier voor het faillissementsverzoekschrift van de cliënte van Wierenga terecht driemaal griffierecht in rekening heeft gebracht.


3.2.

De rechtbank overweegt dat een verzoeker het griffierecht is verschuldigd vanaf de indiening van het verzoekschrift. Het griffierecht voor niet-natuurlijke personen bij de rechtbank voor andere zaken dan kantonzaken voor een verzoek van onbepaalde waarde

bedraagt € 613,00, zoals vermeld in de bijlage behorend bij de Wgbz.

3.3.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 6 februari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:251) bepaald dat een schuldeiser, indien hij niet alleen het faillissement van een vof maar ook dat van de vennoten wil bewerkstelligen, in zijn verzoekschrift ten aanzien van ieder van hen afzonderlijk het faillissement dient te verzoeken, en de rechter dient te onderzoeken of ook ten aanzien van de vennoten afzonderlijk aan de voorwaarden voor faillietverklaring is voldaan. De Hoge Raad komt hiermee terug van zijn vaste rechtspraak. Zo kan een vennoot, in tegenstelling tot de vof zelf, voldoende (privé)vermogen hebben om zowel de schuldeisers van de vof als zijn privéschuldeisers te voldoen; ook als hij bepaalde vorderingen niet voldoet, brengt dat nog niet noodzakelijkerwijs mee dat hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. Voorts is van belang dat, in verband met het feit dat de vof een afgescheiden vermogen heeft, de vorderingen op de vof en op de vennoten als afzonderlijke (samenlopende) vorderingen moeten worden beschouwd, die onafhankelijk van elkaar kunnen worden ingesteld en verhaald. In verband daarmee is het mogelijk dat een vennoot een hem persoonlijk toekomend verweermiddel (bijvoorbeeld een tegenvordering) kan aanvoeren tegen de vordering van de aanvrager van het faillissement of van andere schuldeisers. Ook de invoering van de schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen heeft tot gevolg dat toepassing van de voorheen vaste rechtspraak niet langer op zijn plaats is. Verder overweegt de Hoge Raad dat in het arrest van het Hof van Justitie van 15 december 2011 (ECLI:EU:C:2011:838) besloten ligt dat de rechter ten aanzien van elke schuldenaar afzonderlijk dient te bepalen of hem op grond van artikel 3 lid 1 dan wel artikel 3 lid 2 Insolventieverordening internationale bevoegdheid toekomt om een insolventieprocedure te openen. De vaste rechtspraak van de Hoge Raad is daarmee niet te verenigen. Voorts overweegt de Hoge Raad dat het op gespannen voet staat met de aan artikel 6 EVRM ten grondslag liggende beginselen om een vennoot in privé failliet te verklaren, zonder dat dit ook ten aanzien van hem afzonderlijk is verzocht en zonder dat is onderzocht of hij ook in privé verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen. De rechtbank dient de vennoten de gelegenheid te bieden tot het voeren van afzonderlijk verweer. In dat verband heeft de rechter de mogelijkheid om niet tegelijkertijd op de onderscheiden faillissementsverzoeken te beslissen, bijvoorbeeld in het geval dat een vennoot in reactie op het faillissementsverzoek een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft gedaan (in welk geval de behandeling van dat verzoek tot faillietverklaring wordt geschorst). Het voorgaande kan meebrengen dat de vof failliet wordt verklaard en (een van) de vennoten niet. Gezien de door de Hoge Raad gebezigde vijf argumenten, moet worden aangenomen dat de nieuwe regel die de Hoge Raad voor de vof heeft geformuleerd, ook voor de commanditaire vennootschap en de maatschap geldt.


3.4.

De rechtbank oordeelt dat vast is komen te staan dat de cliënte van Wierenga in het petitum van het verzoekschrift het faillissement van ‘gerekestreerden’ heeft verzocht, hetgeen terugslaat op de maatschap alsmede beide maten, zoals vermeld in de kop van het verzoekschrift. Op grond hiervan heeft de griffier de gerechtvaardigde conclusie getrokken dat de cliënte van Wierenga met het faillissementsverzoek van ‘gerekestreerden’, het faillissement van de maatschap en tevens dat van haar maten beoogde. Het door de Hoge Raad overwogene impliceert dat in onderhavig geval sprake is van drie afzonderlijke verzoeken die de rechtbank ook afzonderlijk van elkaar dient te beoordelen. De rechtbank dient derhalve voor de maatschap alsmede haar maten afzonderlijk te beoordelen of summierlijk is gebleken dat zij in de toestand verkeren dat zij hebben opgehouden te betalen. Derhalve is ook geen sprake van gelijkluidende verzoekschriften, zoals vermeld in artikel 15 Wgbz. Dat deze verzoeken op één mondelinge behandeling kunnen worden behandeld, maakt dit niet anders. Het is immers tevens mogelijk dat de verzoeken afzonderlijk worden behandeld, indien de feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven, zoals een door een van de maten ingediend verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, hetgeen niet zelden voorkomt. Dat in dit geval geen sprake is van natuurlijk personen maar van besloten vennootschappen maakt dit niet naders.



3.5.

De griffier mocht van een professionele partij, zoals een advocaat, verwachten dat deze op de hoogte is van recente rechtsontwikkelingen alsmede de in te stellen rechtsmiddelen. Het had op de weg van de cliënte van Wierenga gelegen om ingeval van twijfel voorafgaand aan de indiening van het rekest bij de griffier te informeren wat de consequenties van voornoemde uitspraak van de Hoge Raad op het griffierecht zouden zijn. De rechtbank leest de verwijzing van de cliënte van Wierenga naar artikel 2 Wgbz, die een verschrijving lijkt te zijn, als verwijzing naar artikel 4, tweede lid, onder f Wgbz. Wierenga gaat er ten onrechte vanuit dat er geen griffierecht zou worden geheven, indien na een verzoek tot faillissement van de maatschap nog een verzoek tot faillissement van de maten zou worden ingediend. De Hoge Raad heeft immers geoordeeld dat sprake is van afzonderlijke verzoeken, zodat de griffier ook in dat geval griffierecht voor elk van de afzonderlijke verzoeken zou dienen te heffen. Wieringa heeft zijn standpunt dat hij andere ervaringen heeft bij andere rechtbanken, zoals bij de rechtbank Midden-Nederland die een andere beleid zou hanteren, niet nader onderbouwd. Zelfs indien een andere rechtbank op een andere wijze griffierecht zou heffen, is dit op zichzelf onvoldoende redengevend om thans anders te beslissen. Tevens heeft Wierenga zijn standpunt dat de rechtbank voornoemd arrest van de Hoge Raad als uitkomst heeft gezien om meer inkomsten aan griffierechten te kunnen generen, niet nader onderbouwd. De griffier gaat slechts over tot creditering, indien is komen vast te staan dat ten onrechte griffierecht is geheven. Dit is in onderhavig geval echter niet aan de orde.

3.6.

Artikel 29 Wgbz biedt geen mogelijkheid om de tegen de beide maten gerichte faillissementsaanvragen als niet ingediend te beschouwen, zoals verzocht. De rechtbank ziet op grond van het vorenstaande geen aanleiding om over te gaan tot verlaging van het in rekening gebrachte griffierecht. De rechtbank zal de beslissing van de griffier in stand laten en het verzochte afwijzen.



4De beslissing

De rechtbank


wijst het verzoek af.




Deze beschikking is gegeven door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op

22 september 2015.


1774 / 2009