Rechtbank Rotterdam, 30-09-2015 / C/10/343226 / HA ZA 09-3432


ECLI:NL:RBROT:2015:7402

Inhoudsindicatie
Vervolg op tussenvonnis rechtbank van 26 februari 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:1447) Vernietiging bindend advies omdat bindend adviseur buiten opdracht is getreden. Team van studenten TUD werkt samen aan diverse projecten mbt het duurzaam wonen op het water. Centrale vraag is wie maker/auteursrechthebbende is mbt de ‘Drijvende bollen’ Onderscheid wordt gemaakt tussen project en architectonisch ontwerp. TUD en teamleider zijn geen (fictieve) makers. Er is evenmin sprake van een gemeenschappelijk auteursrecht. Gelet op het ontwerpproces en aandeel daarin van de betrokkenen kwalificeert architect als (enig) maker/rechthebbende van (o.a.) het Drijvend Paviljoen gepresenteerd te Shanghai. Het Rotterdam Paviljoen is daarvan geen ongeoorloofde verveelvoudiging, de totaalindrukken verschillen daarvoor te zeer.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-09-30
Publicatiedatum
2015-10-19
Zaaknummer
C/10/343226 / HA ZA 09-3432
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel


zaaknummer / rolnummer: C/10/343226 / HA ZA 09-3432



Vonnis van 30 september 2015


in de zaak van



de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DELTASYNC B.V.,

gevestigd te Delft,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. E.K. Ditvoorst,


tegen


1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DELTA ARCHINEERING B.V., tevens handelend onder de naam de waterarchitect Delta Archineering B.V.

gevestigd te Rotterdam,


2. [gedaagde2], tevens handelend onder de naam [gedaagde2] ,

wonende te Rotterdam,


gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. A.W. Boer,


in welk geschil als tussenkomende partij optreedt:


de publiekrechtelijke rechtspersoon TECHNISCHE UNIVERSITEIT DELFT,

gevestigd te Delft,

interveniënte,

advocaat mr. M.P.E. D`haene.


Partijen zullen hierna DeltaSync, DA, [gedaagde2] en TUD genoemd worden. Gezamenlijk zullen de beide gedaagden aangeduid worden als [gedaagden] (enkelvoud).



1De verdere procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - het tussenvonnis van 26 februari 2014, waarbij een comparitie van partijen werd gelast, waarbij [gedaagden] werd toegelaten tot bewijslevering en waarbij, voor zover nodig, een gerechtelijke plaatsopneming werd gelast
  • - de akte uitlating en in het geding brengen aanvullende productie d.d. 9 oktober 2014 van DeltaSync
  • - de akte uitlaten producties d.d. 9 oktober 2014 van [gedaagden]
  • - het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 9 oktober 2014
  • - de comparitie aantekeningen van DeltaSync sub 1 t/m 6
  • - het proces-verbaal van gerechtelijke plaatsopneming, gehouden op 13 oktober 2013, welk proces-verbaal op 27 november 2014 gedeponeerd is op de griffie van deze rechtbank;
  • - het proces-verbaal van voortzetting van comparitie, gehouden op 13 oktober 2014
  • - het proces-verbaal van getuigenverhoor, gehouden op 14 oktober 2014
  • - de akte houdende overlegging van door DeltaSync bij gelegenheid descente getoonde tekening
  • - de akte houdende in het geding brengen productie na descente door DeltaSync (USB stick met twee filmpjes)
  • - de conclusie na comparitie, gerechtelijke plaatsopneming en getuigenverhoor van DeltaSync (met producties)
  • - de akte na comparitie, plaatsopneming en enquête van [gedaagden]

1.2.

Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald.



2De verdere beoordeling in conventie en in reconventie

A. Inleiding
2.1.

Nadat nieuwe processuele perikelen zijn besproken, zal de rechtbank in de paragraaf over het bindend advies bespreken of [gedaagden] geslaagd is in het bewijs. Vervolgens zal behandeld worden wie als auteursrechthebbende heeft te gelden met betrekking tot Drijvende Stad en Drijvend Paviljoen. Daarna wordt beoordeeld of sprake is van inbreuk door DeltaSync d.m.v. afbeeldingen en het Rotterdam Paviljoen. Vervolgens beantwoordt de rechtbank de vraag of DeltaSync auteursrechthebbende is met betrekking tot het Rotterdam paviljoen. Tot slot worden de diverse vorderingen ten aanzien van het Rotterdam Paviljoen en concluderende opmerkingen gemaakt.


2.2.

In dit vonnis worden voor de in het geding zijnde ontwerpen dezelfde aanduidingen gebruikt als in het tussenvonnis van 26 februari 2014 (zie r.o. 4.8 van het tussenvonnis). Ook de aanduidingen van de diverse vorderingen zijn dezelfde als die in het tussenvonnis (zie r.o. 3.1, 3.2 en 3.5).


2.3.

De beoordeling is onderverdeeld in de volgende paragrafen:

A. Inleiding

B. Processuele perikelen

C. Het bindend advies

D. Auteursrecht Drijvende Stad en Drijvend Paviljoen

E. Inbreuk DeltaSync op auteursrecht [gedaagde2] d.m.v. afbeeldingen van Drijvend Paviljoen?

F. Inbreuk DeltaSync op auteursrecht [gedaagde2] met Rotterdam Paviljoen?

G. Auteursrecht Rotterdam Paviljoen

H. Vorderingen m.b.t. Rotterdam Paviljoen

I. Slotsom en proceskosten.



B. Processuele perikelen

Overlegging van producties


2.4.

Tijdens de op 9 oktober 2014 gehouden comparitie van partijen zijn door mr. Roeyen comparitie aantekeningen overgelegd, welke echter door hem slechts ten dele (tot en met randnummer 6) zijn voorgedragen. In het proces-verbaal van die zitting is dan ook opgenomen dat de niet voorgedragen passages (zijnde de passages onder randnummer 7 en verder) niet tot de processtukken behoren.

DeltaSync heeft een kopie van deze comparitie aantekeningen bij conclusie na comparitie, gerechtelijke plaatsopneming en getuigenverhoor alsnog in het geding gebracht.

Volgens [gedaagden] staat de goede procesorde er aan in de weg in dit stadium van de procedure nog nieuwe processtukken in het geding te brengen. Bovendien zijn de aantekeningen niet ondertekend.


2.5.

Naar het oordeel van de rechtbank is het bezwaar van [gedaagden] ongegrond. Het enkele feit dat DeltaSync onder de hierboven geschetste omstandigheden een afschrift van de volledige comparitieaantekeningen alsnog in het - inderdaad al lang lopende - geding heeft gebracht is onvoldoende om strijd met de beginselen van een goede procesorde aan te nemen. [gedaagden] had de gelegenheid om in haar akte na comparitie, plaatsopneming en enquête inhoudelijk op die aantekeningen te reageren. De wet schrijft overigens niet voor dat comparitie aantekeningen ondertekend moeten zijn.


Vorderingen


2.6.

Tijdens de comparitie is namens [gedaagden] meegedeeld dat alleen [gedaagde2] als de eisende partij in reconventie moet worden beschouwd en dat dit geldt voor alle in reconventie ingestelde vorderingen. De rechtbank gaat daar in het vervolg van uit.


2.7.

Tijdens de comparitie is namens DeltaSync meegedeeld dat met “door haar vervaardigde werken” in haar vordering VIII is bedoeld: het Rotterdam Paviljoen (door haar DP3 genoemd). De rechtbank gaat er in het vervolg van uit dat deze vordering is beperkt tot het Rotterdam Paviljoen


Feiten


2.8.

DeltaSync heeft opmerkingen gemaakt naar aanleiding van enkele in het tussenvonnis vastgestelde feiten. De rechtbank ziet in die opmerkingen geen aanleiding om terug te komen op een van de als vaststaand aangenomen feiten. Dat [gedaagde2] aandeelhouder is gebleven, staat tussen partijen ook vast, maar dat hoeft niet tot wijziging van de vastgestelde feiten te leiden.


Beoordeling vordering V vertrekovereenkomst


2.9.

DeltaSync heeft de rechtbank verzocht om terug te komen op haar beoordeling van vordering V van DeltaSync (r.o. 4.37 tussenvonnis). De rechtbank ziet ook daar geen aanleiding toe. Het door partijen over en weer gestelde is onvoldoende om te kunnen concluderen dat [gedaagden] projecten van DeltaSync heeft uitgevoerd of daar acquisitie op heeft gevoerd, zoals hem was verboden op grond van artikel 5 van de vertrek-overeenkomst.



C. Het bindend advies


2.10.

Bij voormeld tussenvonnis heeft de rechtbank [gedaagden] toegelaten te bewijzen, dat tijdens de bespreking van 16 januari 2009 de namens DeltaSync aanwezige twee bestuursleden (Delft Watercities BV, vertegenwoordigd door [persoon1] en [persoon2] , vertegenwoordigd door [persoon2] ) aan de bindend adviseur opdracht hebben gegeven om, naast de geschillen over de naam, ook een oordeel te vellen over het auteurs-recht op de in geschil zijnde ontwerpen.


2.11.

Door [gedaagden] zijn als getuigen voorgebracht de heer [persoon3] (bindend adviseur) en [gedaagde2] (partij-getuige). In contra-enquête zijn als getuigen gehoord [persoon1] en [persoon2] . Artikel 164 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering houdt in dat de verklaring van een partijgetuige omtrent door haar te bewijzen feiten geen bewijs in haar voordeel kan opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs.


2.12.

Bij de waardering van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat partijen het er voorafgaand aan de bespreking van 16 januari 2009 over eens waren dat aan de bindend adviseur slechts was opgedragen om te beslissen over de handelsnaam Delta-Life. Zie in dit verband de feiten genoemd onder 2.14 tot en met 2.21 alsmede de rechtsoverwegingen 4.17 en 4.18 van het tussenvonnis. Dit uitgangspunt is ook door de gehoorde getuigen bevestigd.


2.13.

[persoon3] heeft over de bespreking van 16 januari 2009 o.a. verklaard:


“.. [persoon2] (..) stelde toen de vraag: als je iets aan een werk verandert, hoe zit dat dan? Ik heb toen gezegd dat het auteursrecht bij de maker blijft. Ik zag dat [persoon2] van mijn antwoord schrok, waarna ik voorstelde dat ik ook over het auteursrecht uitspraak zou doen. [persoon2] antwoordde; dat zou wel prettig zijn of woorden van gelijke strekking, dat zei hij op een bedeesde wijze. Daarop heb ik de heer [persoon1] aangekeken, die heeft geknikt of op een andere non-verbale manier laten weten ook in te stemmen. U vraagt mij tegen de achtergrond van de overeenkomst en de verschillende e-mails waarin DeltaSync herhaaldelijk had laten weten dat ik alleen uitspraak zou doen over de naam of ik daarin geen aanleiding zag om expliciet aan de orde te stellen dat DeltaSync nu kennelijk afweek van de eerdere opdracht. Dat heb ik wel gedaan, maar dat is misschien verloren gegaan in de rest van de discussie. Ik kan me herinneren dat de heer [gedaagde2] direct verder over zijn auteursrecht is gaan praten.

Om aan alle onzekerheid een einde te maken, heb ik een of enkele dagen later een gewijzigde opdracht aan DeltaSync gestuurd. Zoals u weet hebben zij deze niet ondertekend.

(..)

Aan mijn verklaring wil ik nog toevoegen, dat ik ook aan [gedaagde2] heb gevraagd of hij instemde met uitbreiding van de opdracht. Ja natuurlijk, zei hij. Hij was heel enthousiast en begon direct te vertellen waarom hij meende auteursrechthebbende op verschillende werken te zijn.”


[gedaagde2] verklaarde, voor zover van belang:


“ [persoon1] was 40 minuten, zo niet langer aan het woord. Waarna [persoon3] (..) de vraag stelde of het dan niet verstandig zou zijn dat hij ook over het auteursrecht uitspraak zou doen. [persoon2] antwoordde als eerste op een neutrale manier dat hij dat inderdaad wel fijn zou vinden. [persoon1] antwoordde binnensmonds ja. Hij leek niet enthousiast. Ik zelf was dat wel en antwoordde als derde: ja natuurlijk. Deze gang van zaken staat diep in mijn hersenen gebrand, omdat ik me al jaren realiseer dat dit een cruciale gebeurtenis was. Ik hoorde [persoon3] net zeggen dat ik direct daarna het woord zou hebben genomen. Dat kan heel goed kloppen. Door [persoon3] zijn ook diverse vragen over het auteursrecht op verschillende werken gesteld. U vraagt of [persoon3] ook een samenvatting heeft gegeven van de gewijzigde opdracht. Ik kan me herinneren dat [persoon3] tijdens de bespreking vaak samenvattingen heeft gegeven om te controleren of hij het goed had begrepen. Op uw vraag of hij ook heeft samengevat dat zijn opdracht was uitgebreid, antwoord ik dat hij dat niet heel letterlijk heeft gedaan, maar uit de grotere context, waarmee ik bedoel dat vervolgens over de verschillende auteursrechtelijke vragen uitgebreid is gesproken, kon er geen misverstand over bestaan dat [persoon3] ook de opdracht had gekregen om zich over het auteursrecht uit te laten.


U wijst mij op productie 38 van DeltaSync. Deze verklaring heb ik jaren geleden opgesteld

en enkele weken geleden, heb ik hem voor het laatst, snel gelezen. U vraagt mij of ik er een

verklaring voor heb, waarom ik in deze verklaring geen melding maak van de uitdrukkelijke

uitbreiding van de opdracht, zoals ik daar vandaag over heb verklaard. Nee, ik heb daar geen

verklaring voor en het verbaast mij zelf ook wel een beetje. Waarschijnlijk heb ik het toen als vanzelfsprekend beschouwd. Toen wist ik nog niet dat een mondelinge overeenkomst ook belangrijk is.”


2.14.

Met deze twee getuigenverklaringen heeft [gedaagden] naar het oordeel van de rechtbank het bewijs niet geleverd.

In de eerste plaats worden deze verklaringen weersproken door de getuigen [persoon1] :


“U vraagt of de bindend adviseur tijdens de bespreking de vraag heeft gesteld of hij zich niet ook over het auteursrecht zou uitspreken. Dat heeft hij niet gedaan.”


en [persoon2] :


“Ik herken (..) totaal niet dat ik met die uitbreiding zou hebben ingestemd” en (..)Ik ben er eigenlijk wel zeker van dat hij (..) niet de vraag heeft gesteld of hij zich ook over het auteursrecht zou uitlaten”


Daarnaast zijn de door [persoon3] en [gedaagde2] afgelegde verklaringen – zoals hierna zal worden uitgewerkt - niet consistent met hun eigen eerdere mededelingen en in het geval van [persoon3] is ook zijn getuigenverklaring niet overtuigend. De rechtbank doelt bij dit laatste op zijn verklaring dat het expliciet door hem aan de orde stellen van het afwijken door DeltaSync van de eerdere opdracht “misschien verloren is gegaan in de rest van de discussie” alsmede dat hij een gewijzigde opdracht aan DeltaSync heeft gestuurd “om aan alle onzekerheid een einde te maken”.

Wat betreft het niet consistent zijn van beide getuigen overweegt de rechtbank het volgende. Kennelijk was [persoon3] er na de bijeenkomst van 16 januari 2009 zelf niet zeker van dat zijn opdracht op 16 januari was uitgebreid. In zijn brief van 27 januari 2009 aan DeltaSync (productie 27 van DeltaSync) wordt merkwaardigerwijs niet gesproken over een uitbreiding van zijn opdracht maar over het niet begrijpen door het bestuur van DeltaSync dat de opdracht was uitgebreid.

Ook bij [gedaagde2] is het opmerkelijk dat hij enerzijds als getuige verklaarde dat de gang van zaken “diep in zijn hersenen staat gebrand” maar hij anderzijds in zijn jaren geleden opgestelde verklaring (productie 38 van DeltaSync) waarin hij eveneens uitvoerig beschreef wat er op 16 januari 2009 was gebeurd, géén melding heeft gemaakt van de uitbreiding van de opdracht van de bindend adviseur.


2.15.

In het voetspoor van hetgeen de rechtbank in het tussenvonnis onder 4.21 heeft overwogen, is nu komen vast te staan dat de bindend adviseur buiten zijn opdracht is getreden., hetgeen een dermate ernstig gebrek is dat gebondenheid (voor zover buiten de opdracht) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het gaat hier immers om het ontbreken van wilsovereenstemming over de omvang van het bindend advies als gevolg waarvan het recht op toegang tot de gewone rechter met betrekking tot auteurs-rechten aan DeltaSync werd ontnomen.


2.16.

Het gevolg hiervan is dat de vorderingen II en III (met dwangsom, zoals gevorderd onder XIII) van DeltaSync in conventie zullen worden toegewezen en dat de vordering sub a van [gedaagde2] in reconventie wordt afgewezen. Hetzelfde lot ondergaat vordering h van [gedaagden] omdat de door de bindend adviseur opgelegde dwangsommen geen betrekking hebben op het gebruik van de naam Delta-Life en derhalve vernietigd zijn. Daarnaast zal de rechtbank zich nu zelf uitspreken over de auteursrechtelijke aspecten van deze zaak.



D. Auteursrecht Drijvende Stad en Drijvend Paviljoen


2.17.

Beide partijen hebben een verklaring voor recht gevraagd dat hen het auteursrecht toekomt met betrekking tot de Drijvende Stad en het Drijvend Paviljoen.


2.18.

Onderdeel van de discussie tussen partijen met betrekking tot de Drijvende Stad en het Drijvend paviljoen is allereerst of bij de beoordeling van de vraag aan wie het auteursrecht toekomt onderscheid kan worden gemaakt tussen de projecten als geheel, dat wil zeggen: de ontwikkelingsstrategie voor een duurzame ontwikkeling van deltagebieden onder de naam “Floating City IJmeer” ingezonden en gepubliceerd in het kader van de Royal Haskoning competitie in 2006 en de ontwikkelingsstrategie voor het bouwen in de delta van Shanghai als gepresenteerd in juli 2007 in het kader van de World Expo 2010 enerzijds en anderzijds de daarvan onderdeel uitmakende architectonische ontwerpen voor de uit drijvende bollen bestaande gebouwen. DeltaSync meent dat dit niet mogelijk is. Zo stelt zij met betrekking tot de Drijvende Stad dat de tekst van de paper en de daarbij afgebeelde ontwerpen als geheel een teamprestatie is en tekst en ontwerpen onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, omdat het ontwerp veel functionele en technische elementen bevat die afhankelijk zijn van gegevens zoals locatie, functie en beschikbare technologie. [gedaagden] erkent dat het geheel, dat wil zeggen de paper als totaal, een teamprestatie is, maar stelt daarnaast dat tekst en de (afgebeelde) ontwerpen ook los van elkaar kunnen worden beschouwd. [gedaagden] claimt ook uitsluitend het exclusieve auteursrecht van [gedaagde2] op de architectonische ontwerpen.


2.19.

Van een gemeenschappelijk werk als door DeltaSync bedoeld, waarbij dan uitsluitend sprake kan zijn van (een gemeenschappelijk) auteursrecht op het geheel is volgens de rechtspraak niet reeds sprake wanneer het totale werk als een geheel is te beschouwen. Beslissend is of het werk is ontstaan door een zodanige samenwerking van de auteurs dat ieders afzonderlijke bijdrage niet meer te scheiden is, feitelijk niet meer is vast te stellen wie wat heeft gedaan, en buiten het verband van het geheel ook geen afzonderlijk voorwerp van beoordeling kan zijn (HR 25 maart 1949, NJ 1950, 643, zie ook: Rechtbank Haarlem 25 januari 1983, NJ 1984,121). Naar het oordeel van de rechtbank doet zich een situatie als deze niet voor. Allereerst niet omdat – naar DeltaSync zelf stelt – ieder betrokken teamlid zijn eigen afgebakende zelfstandige verantwoordelijkheid had, hetgeen ook blijkt uit de bij de projecten opgestelde taakverdeling waarbij het architectonische ontwerp (met begeleidende tekst) was toebedeeld aan [gedaagde2] al dan niet samen met een ander (waarover hierna meer). Daarnaast niet omdat het makerschap van een architectonisch ontwerp nu juist voortspruit uit de creatieve keuzes die daarbij worden gemaakt gegeven de feitelijke en technische uitgangspunten, hetgeen zich heel wel leent voor een afzonderlijke beoordeling. Hetzelfde geldt voor het project te Shanghai en het daarvan onderdeel uitmakend ontwerp voor een Drijvend Paviljoen. Partijen hebben zich ter zake daarvan op dit punt minder expliciet uitgelaten.


2.20.

Het voorgaande als uitgangspunt nemend en gegeven het feit dat partijen er niet over twisten dat de projecten als geheel een teamprestatie zijn, gaat het hierna uitsluitend over de vraag aan wie het auteursrecht toekomt op het architectonisch ontwerp van de Drijvende Stad en het Drijvend Paviljoen, kortweg aangeduid als de Drijvende Stad respectievelijk het Drijvend Paviljoen.


De ‘werken’


2.21.

Gelet op de overige stellingen van partijen is tussen partijen niet in geschil – zoals al is overwogen in het tussenvonnis in rechtsoverweging 4.33 - dat de Drijvende Stad en het Drijvend Paviljoen een eigen, oorspronkelijk karakter bezitten en het persoonlijk stempel van de maker dragen en daarom auteursrechtelijk beschermde werken zijn.

Daarbij wordt opgemerkt dat het bij de Drijvende Stad en het Drijvend Paviljoen niet verder is gekomen dan de ontwerpfase. De ontwerpen zijn niet gerealiseerd en uit de overgelegde stukken en filmpjes blijkt dat zij niet tot in alle details zijn uitgewerkt. Het betreft dan ook werken van de categorie “ontwerpen, schetsen en plastische werken, betrekkelijk tot de bouwkunde” als bedoeld in artikel 10 lid 1 sub 8 Aw.


De Drijvende Stad


2.22.

DeltaSync voert aan dat [gedaagden] onvoldoende duidelijk maakt op welk ontwerp precies het auteursrecht wordt geclaimd, met name omdat in de publicatie in het Royal Haskoning Jubileumboek waarnaar [gedaagden] verwijst, verschillende afbeeldingen zijn opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat echter voldoende duidelijk, nu [gedaagde2] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd dat hij degene is geweest die het idee van een Drijvende Stad heeft gehad en dat hij dit heeft vastgelegd in een aantal tekeningen, de eerste daterend van januari 2006 en de afbeeldingen als opgenomen in voormelde publicatie alle het architectonische ontwerp van (onderdelen van) de Drijvende Stad betreffen. De afbeeldingen uit deze publicatie zijn reeds weergegeven onder 2.5. van voormeld tussenvonnis en zijn hierna nogmaals opgenomen.


Blz 25 en 26 van de publicatie “Floating City IJmeer” van Royal Haskoning oktober 2006 (prod. 3 DeltaSync en prod. 6 [gedaagden] ).



Het Drijvend Paviljoen

2.23.

DeltaSync voert ook hier aan dat [gedaagden] onvoldoende duidelijk maakt wat het werk is waarvoor hij auteursrechtelijke bescherming vraagt. Naar het oordeel van de rechtbank is ook dit echter voldoende duidelijk. Weliswaar vordert [gedaagden] een verklaring voor recht zowel ter zake van het Drijvend Paviljoen als het Shanghai Drijvend Paviljoen, maar in de toelichting in de conclusies stelt [gedaagden] steeds heel duidelijk dat het Drijvend Paviljoen of DP5 of zijn afstudeerwerk (zoals hieronder afgebeeld) en het Shanghai Paviljoen exact hetzelfde is en vat hij in zijn conclusies beide onder de noemer Drijvend Paviljoen. De rechtbank volgt [gedaagden] hierin. Het Drijvend Paviljoen wordt door hem in het kort omschreven als 5 geclusterde bollen. Dit ontwerp is op vele afbeeldingen en een maquette gevisualiseerd. Aldus is voldoende duidelijk waarvoor [gedaagden] bescherming claimt.



Afbeelding (prod. 2 [gedaagden] )


Maquette aanwezig en bezichtigd tijdens descente 13 oktober 2014


Wandtableau gepresenteerd in Shanghai 2 juli 2007 (productie 21 [gedaagden] en productie 52 DeltaSync)



‘Maker’ Drijvende Stad


2.24.

DeltaSync stelt zich op het standpunt dat [persoon1] als maker kwalificeert van de Drijvende Stad, omdat dit ontwerp gezamenlijk door de leden van het team DeltSync04 is ontworpen onder zijn leiding en toezicht en dat dit ook duidelijk is aangegeven bij de inzending van de ontwikkelingsstrategie en het ontwerp van “Floating City IJmeer” voor de wedstrijd uitgeschreven door het ingenieursbureau Royal HasKoning en de eerste publicatie daarvan in oktober 2006. DeltaSync beroept zich daarbij op de artikelen 4, 5 en 6 Aw. [gedaagden] heeft dit betwist en daartegenover gesteld dat [persoon1] weliswaar teamleider was, maar dat geen sprake is geweest van het ontwerpen onder zijn leiding en toezicht. [gedaagde2] was met het ontwerp belast en hij heeft dat zelfstandig gemaakt.


2.25.

De rechtbank stelt voorop dat de vraag of kan worden aangenomen dat het auteursrecht uitsluitend toekomt aan degene die de leiding en toezicht heeft gehad bij de totstandkoming van een werk, zoals DeltaSync voorstaat, moet worden beoordeeld binnen het kader van artikel 6 Aw. Uitgangspunt is dat het intellectueel makerschap bepalend is voor de aanwijzing van de auteur en dat dit gaat vóór de arbeid verricht aan de uitwerking daarvan. Dit betekent niet dat de hulppersonen iedere creativiteit moet kunnen worden ontzegd; ook indien daarvan nog wel sprake is kan het auteursrecht toekomen aan de ‘leider’. Wel is vereist dat deze centrale persoon degene is die daadwerkelijk bepaalt hoe het werk er uit moet gaan zien. Het hebben van de eindverantwoordelijkheid, het verdelen van taken en het stellen van randvoorwaarden en/of het geven van instructies is daartoe niet voldoende (zie o.a.: Hof Den Haag, 10 december 2013, ECLI:NL:GHDH: 2013:5335).


2.26.

Uit de stukken kan niet worden opgemaakt dat de taak van [persoon1] als teamleider verder is gegaan dan het verdelen van de taken en het stellen van de randvoorwaarden, integendeel. Zo omschrijft [persoon4] , die het voorstel voor deelname aan de wedstrijd bij e-mail 13 januari 2006 aan de potentiele deelnemers heeft gedaan, in zijn door DeltaSync in het geding gebrachte verklaring (productie 40 DeltaSync) als taak van de teamleider “om bijeenkomsten te plannen; te communiceren met mij en andere teams; en de planning van het hele proces in de gaten te houden (deadlines van presentaties, conceptexten en deelonderzoeken)”. Dit wordt bevestigd door de e-mail van [persoon1] van 22 februari 2006 (productie 15 [gedaagden] ) aan zijn team na de eerste grote brainstorm sessie op 17 februari 2006, waarin hij met een taakverdeling komt en waarin het ontwerp van de Drijvende Stad (“Floating City”) is toebedeeld aan [gedaagde2] en [persoon5] , waaraan later – zo blijkt uit de door DeltaSync overgelegde producties (zie met name productie 47 DeltaSync) [persoon6] is toegevoegd. De rol van de afzonderlijke teamleden, die allen bij naam staan vermeld in de publicatie was – naar DeltaSync zelf stelt – volstrekt gelijkwaardig in die zin dat zij ieder hun eigen taak en verantwoordelijkheid hadden.


2.27.

Een en ander leidt er toe dat het auteursrecht op het hier centraal staande ontwerp van de Drijvende Stad niet op grond van artikel 6 Aw toekomt aan [persoon1] , zodat deze ook niet bevoegd was tot de door DeltaSync vervolgens gestelde overdracht van rechten bij de oprichting van DeltaSync.

2.28.

Voor zover DeltaSync heeft willen betogen dat ex artikel 4 Aw moet worden aangenomen dat het team DeltaSync04 de maker is, omdat de afbeelding van de Drijvende Stad als zodanig voor het eerst onder deze naam is gepubliceerd, dient ook deze stelling te worden verworpen, reeds omdat het team DeltaSync04 geen rechtspersoon is en dus als zodanig geen rechthebbende kan zijn. Bovendien zijn – zoals hiervoor reeds is overwogen – ook de namen van de feitelijke makers vermeld.


2.29.

De vraag die vervolgens voorligt, is of [gedaagde2] dit ontwerp zelfstandig heeft gemaakt - zoals hij stelt - dan wel hij dit ontwerp tezamen met anderen heeft vervaardigd, zoals DeltaSync subsidiair heeft aangevoerd.


2.30.

DeltaSync heeft ten bewijze van haar stellingen dat de Drijvende Stad, zoals afgebeeld in het Royal Haskoning Jubileumboek in oktober 2006, door de gezamenlijke teamleden is ontworpen, althans is gebaseerd op een autocadtekening gemaakt door het teamlid [persoon6] (hierna kortweg: [persoon6] ), een aantal e-mails in het geding gebracht en daarbij aangegeven hoe volgens haar het ontwerpproces is verlopen (producties 45, 46 en 47). Uit deze producties van DeltaSync kan inderdaad worden opgemaakt dat in ieder geval eerst in juni 2006 tekeningen van de plattegronden en doorsnedes van de afzonderlijke bollen in autocad zijn gemaakt door [persoon6] , en dat de 3D versies daarvan vervolgens zijn vervaardigd door [persoon6] met behulp van [persoon5] . Dat de twee hiervoor genoemde personen hebben meegewerkt aan de uiteindelijke totstandkoming van het ontwerp zoals gepubliceerd, wordt door [gedaagden] niet betwist. Wel omschrijft [gedaagde2] in deze e-mails de rol van [persoon5] – anders dan bij de taakverdeling vermeld – als van ondergeschikt belang, althans voornamelijk ter uitwerking van wat technische details. Dit komt overeen met hetgeen deze daar zelf bij e-mail van 15 juni 2006 (productie 16 [gedaagden] ) over meldt, te weten: dat hij als niet volwaardig teamlid heeft gefunctioneerd. De rol van [persoon6] is daarentegen duidelijk van meer importantie geweest, zoals ook [gedaagden] erkent en daarover heeft, zo lijkt het, ook nooit onduidelijkheid bestaan. Zo meldt [gedaagde2] in zijn e-mail van 31 mei 2006 aan de andere teamleden dat [persoon6] en hij bezig zijn “het ontwerp voor een gebouw en de stad uit te werken” (productie 17 [gedaagden] ).

Dat hieruit reeds de conclusie kan worden getrokken dat het architectonisch ontwerp van de Drijvende Stad van gezamenlijke hand is, zoals DeltaSync voorstaat, volgt de rechtbank niet.


2.31.

Naar [gedaagden] stelt, heeft [gedaagde2] voor de concretisering van het idee voor het ontwerp van de Drijvende Stad gebruik gemaakt van een eerder ontwerp van zijn hand van een drijvende bol met 12 woningen vervaardigd in december 2005 en gevisualiseerd in januari 2006 en daarop een variant van 65 woningen gemaakt. Ten bewijze daarvan heeft hij een screenshot van deze eerste ontwerpschets in het geding gebracht (productie 7) met daarbij gevoegd de zogenoemde ‘properties’, waaruit kan worden opgemaakt dat deze schets is gemaakt op 6 december 2005 en gewijzigd op 14 januari 2006. Hij heeft voorts verwezen naar zijn eerste afstudeerverslag, waarin deze schets (met begeleidende tekst) is opgenomen als afbeelding 16 (productie 34). DeltaSync twijfelt aan de authenticiteit van het overgelegde verslag, maar concretiseert dit onvoldoende. De rechtbank ziet geen reden voor twijfel, te minder nu dit verslag is afgedrukt op papier van [gedaagde2] en is voorzien van handgeschreven opmerkingen van zijn docenten, die het stuk blijkens het in het geding gebrachte ‘contract afstudeerproject 2005/’06 architecture’ op 26 januari 2006 hebben goedgekeurd (zie productie 41 [gedaagden] ). Het is deze eerste schets die is opgenomen als afbeelding van het ontwerp voor een afzonderlijke bol ofwel ‘cluster’ in de publicatie van Royal Haskoning op blz. 26 linksonder (hiervoor weergegeven onder 2.22. linksonder). Nu het team als samengesteld voor de Royal Haskoning Deltacompetitie, blijkens de door DeltaSync in het geding gebrachte e-mails, eerst op 17 februari 2006 haar eerste brainstormsessie heeft gehad, moet de conclusie zijn dat in ieder geval de eerste concretisering van het ontwerp van de afzonderlijke bollen van Drijvende Stad van de hand is van [gedaagde2] . Dat deze eerste schets pas nader is uitgewerkt in de periode mei en juni 2006 door middel van tekeningen in autocad van plattegronden en dwarsdoorsnedes en ook eerst toen daarvan 3D afbeeldingen zijn gemaakt door anderen (middelste foto onder 2.22), maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat deze anderen vanwege die bijdrage – hoe arbeidsintensief die ook moge zijn geweest en hoezeer daartoe vakkundigheid is vereist – medemaker zijn geworden, aangezien het daarbij met name gaat om de verdere technische uitwerking.


2.32.

Met betrekking tot het ontwerp en impressie van de Drijvende Stad als geheel, de verzameling van drijvende gebouwen en een weg, als afgebeeld op blz. 25 van Royal Haskoning publicatie (hiervoor afgebeeld als eerste foto onder 2.22.) wordt overwogen als volgt. De eerste getekende impressie van een verzameling bollen in het water is reeds te vinden in het eerste afstudeerverslag van [gedaagde2] als ingeleverd in januari 2006, waar de drijvende bollen als een woonwijk fungeren in de Maas tussen Dordrecht en Zwijndrecht. Het latere ontwerp als afgebeeld in voormelde publicatie is, naar [gedaagden] stelt, ook door [gedaagde2] gemaakt en wel op 15 juni 2006 (zie productie 46 [gedaagden] ). Daarmee wordt kennelijk gedoeld op de eerste preview tekening van de hele stad die [gedaagde2] bij e-mail van deze datum aan zijn mede teamleden heeft gestuurd tezamen met een tekstuele onderbouwing. In de e-mail meldt hij te wachten op het autocadmodel dat hij dan vervolgens zal “in” fotoshoppen, hetwelk hij vervolgens (na ontvangst van de door [persoon6] vervaardigde 3D autocadmodellen bij mail van 19 en 23 juni 2006) ook doet, hetgeen resulteert in de afbeelding als bijgesloten bij zijn mail van 26 juni 2006 (ook productie 46 [gedaagden] ). Ook hier komt naar het oordeel van de rechtbank de creatieve inbreng voor het ontwerp van [gedaagde2] . Het geheel is immers een combinatie van (de nadere uitwerkingen van) het eerste ontwerp van de afzonderlijke drijvende bol met woningen en de eerste preview van de gemodelleerde verzameling met een weg.


2.33.

Het ontwerpproces overziend, moet de conclusie zijn dat [gedaagde2] maker is van (het architectonische ontwerp van) de Drijvende Stad.


‘Maker’ Drijvend Paviljoen


2.34.

Naar beide partijen hebben gesteld, leidde het succes dat het team met de ontwikkelingsstrategie en het ontwerp voor de Drijvende Stad bij de Royal Haskoning competitie had behaald, eind 2006/begin 2007 tot het plan met het concept verder te gaan en mee te doen aan de World Expo in Shanghai in 2010. Aan het 5 leden tellende team ‘Deltasync04’ waarmee aan de Royal Haskoning competitie was meegedaan, werd op enig moment een zesde lid toegevoegd, te weten [persoon2] (hierna: [persoon2] ). Voorts blijkt uit het over en weer gestelde en de in het geding gebrachte e-mails uit december 2006 en het eerste half jaar van 2007 dat de teamleden daartoe op verschillende fronten inspanningen hebben verricht voor het project als zodanig, waaronder ‘lobby werk’ om mee te mogen doen aan deze World Expo, het uitdenken en uitdragen van een visie over het bouwen van een drijvende stad in Shanghai, alsmede en als eerste stap daar naar toe: het ontwerpen van een concreet te realiseren congresgebouw, een Drijvend Paviljoen.


2.35.

Zoals vooropgesteld onder 2.19. moet ook hier – net als bij de Drijvende Stad – het project als geheel los gezien worden van het architectonisch ontwerp. De vraag die hier aan de orde is betreft uitsluitend de vraag aan wie het auteursrecht toekomt op het ontwerp van het Drijvend Paviljoen.

2.36.

Beide partijen claimen het auteursrecht ter zake.

DeltSync stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat aan haar het auteursrecht toekomt op het Drijvend Paviljoen zoals dat is geopenbaard in juli 2007 te Shanghai onder meer op het tableau (hiervoor afgebeeld onder 2.23. afbeelding met tekst) op grond van artikel 4 juncto artikel 1 Aw, omdat DeltaSync bij de presentatie van dit ontwerp en in het persbericht daarover telkenmale als ontwerper is aangeduid en dit de eerste openbaarmaking van het Drijvend Paviljoen betreft. De presentatie in Shanghai was, naar zij stelt, van eerdere datum dan het door [gedaagde2] in het kader van zijn afstudeerproject ingebrachte ontwerp voor ‘een drijvend congrescentrum’ als gepresenteerd bij zijn afstuderen in augustus 2007. Het Drijvend Paviljoen is een concept dat door DeltaSync als team is ontworpen en uitgewerkt.

[gedaagden] heeft daartegenover gesteld dat [gedaagde2] ook dit ontwerp geheel zelfstandig heeft gemaakt ten behoeve van zijn afstuderen, waarvan al een eerste schets is te vinden in zijn tweede afstudeerverslag van augustus 2006; dit afstudeerontwerp heeft hij vervolgens ingebracht voor de presentatie van het ontwerp door het team in Shanghai. De rol van de anderen is volgens [gedaagden] beperkt gebleven tot het maken van visualisaties van het ontwerp en de promotie.


2.37.

De rechtbank overweegt als volgt. Wat er zij van de volgorde der dingen, waarover hieronder meer, brengt het enkele feit dat in het persbericht en bij de presentatie in Shanghai steeds de naam DeltaSync is genoemd, waarmee DeltaSync ook hier doelt op het team “Deltasync04”, nog niet mee dat het team als zodanig als maker zou moeten worden aangemerkt. Allereerst geldt dat de enkele vermelding van de naam nog niet kwalificeert als een aanduiding als maker als bedoeld in artikel 4 Aw, te minder nu op de sheets van de powerpoint presentatie rechtsonder ook de logo’s van de TU Delft en de Gemeente Rotterdam staan vermeld. Bovendien geldt ook hier hetgeen hiervoor onder 2.28. reeds is overwogen. Deltasync04 is geen rechtspersoon en kan als zodanig dus geen rechthebbende zijn, zodat de verwijzing slechts kan zien op de som der individuele teamleden. Deze teamleden worden overigens alle bij naam genoemd rechtsonder op het wandtableau als in Shanghai gepresenteerd, waarmee aan het publiek duidelijk is gemaakt welke (natuurlijke) personen tot dit team behoren. Ook de nog door DeltaSync genoemde omstandigheid dat de totale visie én het ontwerp van het Drijvend Paviljoen in Shanghai ook door [gedaagde2] zelf steeds is gepresenteerd als het werk van het DeltaSync-team, kan niet leiden tot een ander oordeel. Wat er zij van de reden daarvan voor [gedaagde2] – naar hij stelt was dit louter om promotionele redenen, hetgeen DeltaSync betwist – betekent dit immers nog niet dat deze daarmee zijn gepretendeerd auteursrecht op het ontwerp heeft prijsgegeven.


2.38.

Bij de beoordeling van de vraag wie als maker moet worden beschouwd van het architectonisch ontwerp van het Drijvend Paviljoen komt het derhalve, net als bij de Drijvende Stad, aan of op de vraag of [gedaagde2] dit ontwerp zelfstandig heeft gemaakt dan wel of hij dit samen met andere teamleden heeft vervaardigd.


2.39.

Naar [gedaagden] stelt, is ook het idee voor een congrescentrum al ontstaan ten tijde van het eerste afstudeerverslag van januari 2006 (productie 34 [gedaagden] ). In dit verslag waarin – zoals hiervoor reeds is vermeld – ook de eerste ontwerpschets van een afzonderlijke bol is opgenomen en een eerste schets van een verzameling bollen in de Maas tussen Dordrecht en Zwijndrecht, wordt inderdaad reeds het idee besproken om ook de uitgaansfuncties, waaronder een groot theater dat overdag tevens als congrescentrum zou kunnen fungeren, te laten drijven op het water. Het tweede afstudeerverslag dateert blijkens de inleiding van augustus 2006 (productie 35Van [gedaagden] ). Ook met betrekking tot dit verslag ziet de rechtbank – anders dan DeltaSync – geen reden te twijfelen aan datering en/of authenticiteit. Ook in dit tweede verslag staan weer handgeschreven opmerkingen van de docenten die, blijkens het contractafstudeerproject 2005-’06 in augustus 2006 hun akkoord hebben gegeven. In dit verslag is het idee voor de bouw van het drijvende theater/ congrescentrum nader uitgewerkt in de tekst en geconcretiseerd in schetsen voor een ontwerp van een clustering van 5 bollen met verschillende afmetingen, zoals is te zien op de hierna opgenomen schetsen uit dit tweede afstudeerverslag (blz. 64 resp. 74).

Met [gedaagden] is de rechtbank van oordeel dat dit ontwerp gezien moet worden als de eerste concretisering van het idee voor een drijvend congrescentrum met vijf bollen van de hand van [gedaagde2] . DeltaSync heeft een en ander betwist, maar heeft dit naar het oordeel van de rechtbank - gelet op hetgeen [gedaagden] naar voren heeft gebracht onder overlegging van stukken - onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd.


2.40.

De nadere uitwerking van dit eerste ontwerp heeft grotendeels in dezelfde periode plaats gevonden als die waarin het team het plan heeft opgevat voor het project te Shanghai (eind 2006) en de voorbereidingen die daarvoor moesten worden getroffen, uiteindelijk leidend tot de presentatie van de ontwikkelingsstrategie voor het bouwen in de delta van Shanghai en het ontwerp voor het Drijvend Paviljoen in juli 2007. Daaraan is door alle teamleden – zoveel wordt wel duidelijk uit de stukken – bijzonder hard gewerkt. Echter uit de door DeltaSync in het geding gebrachte e-mails uit de periode december 2006 (productie 51 DeltaSync) kan worden opgemaakt dat het in eerste instantie vooral [gedaagde2] is geweest die aan de verdere uitwerking van het ontwerp en een eerste opzet voor een ‘poster’, het uiteindelijke wandtableau, heeft gewerkt. Dit strookt met de stellingen dienaangaande van [gedaagden] en de ten bewijze daarvan nog in het geding gebrachte afbeeldingen van tekeningen van het ontwerp in Autocad die op 13 december 2006 zouden zijn opgestuurd naar de TUD met plattegrond en gevelstructuur en foto’s van (het werken aan) de maquette met de trap tussen buiten- en binnenbol, blijkens de bijgesloten ‘properties’ gemaakt op 26 december 2006 (producties 49 en 50 [gedaagden] ). Aan de zo kenmerkende elementen van het Drijvend Paviljoen, de specifieke clustering van vijf bollen met verschillende afmetingen, een binnen- en buitenbol met daartussen een trap en de gevelstructuur was dus toen reeds door [gedaagde2] vorm gegeven.

De rechtbank ziet – anders dan DeltaSync – geen reden tot twijfel aan de authenticiteit en/ of datering van deze afbeeldingen. Zo valt bijvoorbeeld niet in te zien waarom de foto van de maquette met de trap tussen binnen- en buitenbol niet met kerst zou zijn gemaakt. Bovendien is ook reeds eerder, in het tweede afstudeerverslag (zie boven) een schets van de vijf bollen opgenomen. Wel kan met DeltaSync worden geconcludeerd dat vervolgens ook anderen een bijdrage hebben geleverd aan de op het wandtableau gepresenteerde afbeeldingen van het ontwerp, de nadere uitwerking van de bouwtechnische details en de presentatie als zodanig. Zo blijkt uit de stukken onder meer van een bijdrage van [persoon7] - werkzaam bij ‘De facto architectuur & stedenbouw’ en destijds vriendin van [gedaagde2] - die op zijn verzoek in januari 2007 een paar, door [gedaagde2] als ‘sexy’ aangeduide, tekeningen heeft gemaakt van het Drijvend Paviljoen. Naar zij heeft verklaard heeft zij deze tekeningen gemaakt op basis van een door [gedaagde2] aangeleverd cadmodel met daarbij als omschrijving van hem “een buitenkoepel van ETFE, een binnenkoepel met groen en een trappenhuis ertussen in” voor eenmalig gebruik ter beschikking gesteld voor de presentatie in Shanghai (zie producties 53, 54 DeltaSync). Het betreft een op zichzelf creatieve impressie van onderdelen van het Drijvend Paviljoen. Deze creatieve schets kan echter niet afdoen aan het makerschap van het daarop afgebeelde architectonisch ontwerp van het Paviljoen als zodanig. Nillesen pretendeert blijkens haar verklaring ook geen (mede) makerschap met betrekking tot het architectonisch ontwerp.

Voorts blijkt uit de stukken dat met name [persoon2] bij de verdere uitwerking van het ontwerp voor de presentatie een belangrijke rol heeft gespeeld. Ook voor zover daarbij nog verdere creatieve en/of bouwtechnische keuzes zijn gemaakt voor het ontwerp – zoals DeltaSync stelt, maar niet met stukken onderbouwt, en [gedaagden] betwist – moet dit naar het oordeel van de rechtbank worden beschouwd als nadere uitwerking dan wel als verricht onder leiding en toezicht van [gedaagde2] , zodat ook dit niet af kan doen aan het makerschap van [gedaagde2] .

2.41.

Gelet op dit ontwikkelingsproces in de tijd en het feit dat het Drijvend Paviljoen gelijk is aan het ontwerp als door [gedaagde2] ingeleverd en gepresenteerd als zijn afstudeerproject in augustus 2007, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde2] de maker is van het Drijvend Paviljoen. Bij dit oordeel weegt mee dat (o.a.) Professor [persoon8] , de mentor van [gedaagde2] bij zijn afstudeerproject, schriftelijk heeft verklaard dat hij bij de aan hem toebedeelde begeleiding in zowel architectonisch als bouwtechnische aspecten van het door [gedaagde2] te vervaardigen ontwerp van een afzonderlijk drijvend gebouw bestaande uit vijf geclusterde bollen op basis van gevoerde ontwerpbesprekingen, formele peilmomenten, tekeningen, maquettes en verslagen heeft vastgesteld dat [gedaagde2] dit ontwerpproces zelfstandig heeft doorlopen (productie. 11 [gedaagden] ).


2.42.

De conclusie moet zijn dat [gedaagde2] als maker van het Drijvend Paviljoen kwalificeert.


Komt DeltaSync auteursrechtelijke aanspraken toe op grond van contracten?


2.43.

Ten slotte ligt voor de vraag of [gedaagde2] zijn auteursrechten op de architectonische ontwerpen van de Drijvende Stad en het Drijvend Paviljoen aan DeltaSync (de later opgerichte B.V.) heeft overgedragen dan wel de exploitatierechten ter zake aan DeltaSync heeft gegund. De rechtbank is van oordeel dat hier geen sprake van is en overweegt daartoe als volgt.


2.44.

Dat geen sprake is van een overdracht bij een daartoe krachtens artikel 2 Aw vereiste akte heeft DeltaSync tijdens de comparitie van partijen gehouden op 9 oktober 2014 erkend, zodat daarvan in rechte moet worden uitgegaan.


2.45.

Er is evenmin sprake van het toekennen van exploitatiebevoegdheden aan DeltaSync met betrekking tot deze ontwerpen. Daartoe is vooral van belang wat partijen hebben afgesproken toen zij uiteengingen. Zij hebben hun afspraken vastgelegd in de vertrekovereenkomst d.d. 2 oktober 2008. Beide partijen hebben opgemerkt dat zij destijds niet juridisch werden bijgestaan en dat zij geen kennis van het auteursrecht hadden en dat hun afspraken daarom mogelijk gebrekkig zijn geformuleerd.


Artikel 5 van de vertrekovereenkomst luidt, voor zover van belang:


“Lopende projecten

Volgens artikel 5 van de oprichtingsakte mogen Delta Archineering en [gedaagde2] geen projecten van DeltaSync uitvoeren of hier acquisitie op voeren, noch zelfstandig noch voor derden tot een jaar na vertrek. Momenteel zijn dit: -

(…)Gemeentewerken Rotterdam

(…)”


In de voor-, management- en aandeelhoudersovereenkomst zijn bedingen opgenomen die vergelijkbaar zijn met artikel 5 van de oprichtingsakte, waaraan wordt gerefereerd in de hierboven geciteerde bepaling uit de vertrekovereenkomst.

Van de zijde van DeltaSync is artikel 5 van de vertrekovereenkomst uitgelegd als een verbod aan [gedaagden] om gedurende een jaar de klanten te benaderen en/of zich in te laten met lopende projecten van DeltaSync. Met andere woorden: het lopende project gemeentewerken Rotterdam was gedurende een jaar voorbehouden aan DeltaSync en [gedaagden] mocht dat project gedurende dat jaar niet uitvoeren. Dit is iets heel anders dan een regeling omtrent auteursrechten. Uit de tekst van artikel 5 vertrekovereenkomst en de uitleg die DeltaSync daar aan geeft, kan wel een verbod worden afgeleid aan het adres van [gedaagden] om een jaar het lopende project van de gemeente te gaan uitvoeren, maar niet dat [gedaagde2] exploitatiebevoegdheden ten aanzien van het Drijvend Paviljoen (of Drijvende Stad) aan DeltaSync heeft verleend.

Een dergelijke bevoegdheidsverlening staat niet in de overeenkomst (noch in een van de voorgaande overeenkomsten) en vloeit niet voort uit de eigen uitleg van DeltaSync. Hoewel de gemeente volgens partijen wel interesse heeft getoond in het Drijvend Paviljoen, heeft

DeltaSync juist nadrukkelijk naar voren gebracht dat de gemeente Rotterdam haar géén opdracht heeft gegeven om het Drijvend Paviljoen uit te werken of te realiseren. Het lopende project van de gemeente betrof dus niet de uitvoering van het Drijvend Paviljoen. [persoon1] heeft weliswaar tijdens de comparitie nog opgemerkt dat het de bedoeling was dat men bij vertrek geen ontwerpen mocht meenemen. Die opmerking staat echter geheel op zichzelf en is in het licht van het voorgaande onvoldoende om in artikel 5 een auteursrechtelijke bevoegdheidsverlening ten aanzien van het Drijvend Paviljoen te lezen.






Slotsom auteursrechten Drijvende Stad en Drijvend Paviljoen

2.46.

De slotsom is dat [gedaagde2] als maker én als enig auteursrechthebbende met betrekking tot zowel (het architectonisch ontwerp van) de Drijvende Stad als het Drijvend Paviljoen moet worden aangemerkt.

Dit betekent dat de door DeltaSync in conventie gevraagde verklaring voor recht onder VI voor zover betrekking hebbende op de Drijvende Stad en het Drijvend Paviljoen dient te worden afgewezen.

De door [gedaagden] gevorderde verklaring voor recht sub b (als verduidelijkt ter comparitie, zie 2.5.) dat hij auteursrechthebbende is op de ontwerpen van de Drijvende Stad en het Drijvend Paviljoen, ligt voor toewijzing gereed.


E. Inbreuk DeltaSync op auteursrecht [gedaagde2] d.m.v. afbeeldingen van Drijvend Paviljoen?


2.47.

DeltaSync heeft aangevoerd dat het instellen van inbreukvorderingen door [gedaagden] een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de gesloten overeenkomsten oplevert. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat dit verweer niet slaagt.

[gedaagden] stelt dat DeltaSync inbreuk heeft gemaakt op zijn auteursrecht op Drijvend Paviljoen door middel van de publicatie van afbeeldingen. Hij wijst daartoe op zijn producties 31 t/m 33. Hij stelt dat dit ook in strijd is met zijn persoonlijkheidsrecht en artikel 10 van de Vertrekovereenkomst.


2.48.

De vordering die [gedaagden] in dit verband heeft ingesteld onder c en d is een verklaring voor recht inhoudende dat DeltaSync inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van [gedaagde2] op het Drijvend Paviljoen en daardoor tevens onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld “door plagiaat en/of openbaarmaking zonder bronvermelding en/of wijzigingen zonder consent”. [gedaagden] heeft niet toegelicht waarom de publicatie van afbeeldingen van het Drijvend Paviljoen moet worden gezien als het in de vordering opgenomen “plagiaat” en/of “wijzigingen zonder consent”. Nu dat ook niet voor de hand ligt, zijn de vorderingen wat deze onderdelen betreft niet toewijsbaar. Wat overblijft is de vraag of het resterende onderdeel van de vordering, namelijk openbaar maken zonder bronvermelding, toewijsbaar is. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend, gezien het navolgende.


2.49.

Nu [gedaagde2] als rechthebbende is aangemerkt van het Drijvend Paviljoen is op grond van het bepaalde in artikel 2 Aw in beginsel steeds zijn toestemming vereist voor het openbaarmaken dan wel het verveelvoudigen van dit werk, zoals bijvoorbeeld het afbeelden daarvan. Ook dient op grond van artikel 25 Aw steeds zijn naam als ontwerper te worden vermeld. In artikel 10 Vertrekovereenkomst “Copyright beeldmateriaal” staat bovendien onder meer “Materiaal geproduceerd voor 1-9-2007: Dit zijn de projecten Floating City IJmeer en Shanghai Floating Pavilion (…) Shanghhai Floating Pavilion. Eigendom [gedaagde2] . Beide partijen mogen dit gebruiken onder de bronvermelding van [gedaagde2] .”


2.50.

Productie 31 betreft aanbestedingsdocumenten uit 2009. Daarin komen afbeeldingen voor van het Drijvend Paviljoen, zonder vermelding van de naam van [gedaagde2] . Volgens DeltaSync mocht zij dit doen. Zij voert daartoe aan dat de afbeeldingen afkomstig zijn uit de Lokatiescan van 14 oktober 2008, die volgens haar met medewerking en goedkeuring van [gedaagde2] aan de gemeente Rotterdam is verstrekt. Zelfs als dit juist zou zijn – [gedaagden] heeft het betwist – wil dat op zichzelf echter niet zeggen dat zij zonder meer op een later moment weer van toestemming van [gedaagde2] uit kon gaan. Productie 32 zijn sheets van presentaties van Gemeentewerken Rotterdam uit 2008 en 2009, waarin afbeeldingen van het Drijvend Paviljoen zonder naamsvermelding zijn opgenomen. [gedaagden] stelt dat de afbeeldingen alleen verkregen kunnen zijn van DeltaSync, die dat niet heeft betwist. Productie 33 zijn afdrukken van de website van DeltaSync van eind 2008 en 2009. Ook daarop komt het Drijvend paviljoen voor zonder naamsvermelding. Door afbeeldingen van het Drijvend Paviljoen op de hier beschreven wijze zonder naamsvermelding openbaar te maken, heeft DeltaSync in strijd met het auteursrecht van [gedaagde2] en in strijd met de Vertrekovereenkomst gehandeld.


2.51.

Dit betekent dat de door [gedaagde2] gevorderde verklaringen voor recht ter zake (sub c en d) alsmede het gevraagde verbod tot verwijdering daarvan van de website (sub i) voor toewijzing gereed liggen voor zover het gaat om “openbaarmaking zonder bronvermelding”. Het gebod tot verwijdering van de website (sub i) wordt verder beperkt tot het Drijvend Paviljoen, nu gesteld noch gebleken is dat tevens sprake is van publicatie op de website van de in de vordering ook genoemde Drijvende Stad en water-woonbrug. Aan de vordering tot verwijdering van de website zonder bronvermelding wordt een dwangsom verbonden, waarvoor een termijn in het dictum wordt bepaald.


2.52.

Dat [gedaagde2] door de publicatie van afbeeldingen van het Drijvend Paviljoen zonder vermelding van zijn naam enige schade heeft geleden, acht de rechtbank voldoende aannemelijk. Over de omvang daarvan kan op basis van de stukken geen enkele inschatting worden gemaakt. Gelet hierop zal op dit punt de zaak, zoals gevorderd, worden verwezen naar de schadestaatprocedure. De vordering tot het betalen van een voorschot op de schadevergoeding zal worden afgewezen, nu ook voor het berekenen daarvan concrete aanknopingspunten ontbreken


F. Inbreuk DeltaSync op auteursrecht [gedaagde2] met Rotterdam Paviljoen?


2.53.

[gedaagden] stelt dat DeltaSync inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht op het Drijvend Paviljoen door de realisatie van het Rotterdam Paviljoen. Hieronder wordt beoordeeld of dit het geval is.


Inspiratiebron

2.54.

De rechtbank stelt voorop dat het Drijvend Paviljoen ongetwijfeld een belangrijke, zo niet de belangrijkste inspiratiebron is geweest bij het ontwikkelen van het Rotterdam Paviljoen in de Rijnhaven. Dat het een inspiratiebron was, is aannemelijk omdat partijen met elkaar hebben samengewerkt tijdens de ontwikkeling van het Drijvend Paviljoen en DeltaSync dat ontwerp dus zeer goed kende. Dat het de belangrijkste inspiratiebron was ligt voor de hand omdat het tot aan het einde van de samenwerking de gezamenlijke bedoeling van partijen was dat het Drijvend Paviljoen in meer of mindere mate zou worden uitgevoerd, het Drijvend Paviljoen op het voorblad prijkte van de (in opdracht van de gemeente Rotterdam in de voorbereidingsfase gemaakte) Locatiescan/Ontwerpbijlage, en de gemeente Rotterdam interesse in het Drijvend Paviljoen had, zoals namens beide partijen tijdens de comparitie naar voren is gebracht. De inspiratie is ook zichtbaar, omdat de paviljoens gelijkenissen vertonen en in het Rotterdam Paviljoen op een wand het voortraject is beschreven waarbij is vermeld “Oorspronkelijk ontworpen voor World Expo 2010 in Shanghai”, zoals tijdens de descente is geconstateerd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft DeltaSync dan ook zonder meer – zoals [gedaagden] stelt – voortgebouwd op het Drijvend Paviljoen.


2.55.

Dit alles is evenwel niet voldoende om te kunnen concluderen dat DeltaSync inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van [gedaagde2] . Voor de vraag of dat het geval is moet worden getoetst aan de hieronder omschreven maatstaf.


Criterium verveelvoudiging


2.56.

De rechtbank moet beoordelen of het Rotterdam Paviljoen, zoals dat is gerealiseerd, een ongeoorloofde verveelvoudiging, een gehele of gedeeltelijke bewerking in gewijzigde vorm, is van het Drijvend Paviljoen, welke niet als een nieuw oorspronkelijk werk kan worden aangemerkt (artikel 13 Aw). Van een ongeoorloofde verveelvoudiging is sprake indien dat werk in zodanige mate de auteursrechtelijke beschermde trekken van het eerdere werk vertoont dat de totaalindrukken die de beide werken maken te weinig verschillen voor het oordeel dat het eerstbedoelde werk als een zelfstandig werk kan worden aangemerkt (HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8456 (Una Voca Particolare). Dit criterium is door de Hoge Raad nader ingevuld in de Stokke-arresten. Voor zover van belang voor de onderhavige zaak luidt die nadere invulling: “Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van inbreuk op een auteursrecht op een gebruiksvoorwerp dient beoordeeld te worden in welke mate de totaalindrukken van het beweerdelijk inbreuk makende werk en het beweerdelijk bewerkte of nagebootste werk overeenstemmen. De auteursrechtelijk beschermde trekken of elementen van laatstbedoeld werk zijn daarbij bepalend, met dien verstande dat ook een verzameling of bepaalde selectie van op zichzelf niet beschermde elementen, een (oorspronkelijk) werk kan zijn in de zin van de Auteurswet, mits die selectie het persoonlijk stempel van de maker draagt. Bij de vergelijking van de totaalindrukken dienen dus ook onbeschermde elementen in aanmerking te worden genomen, voor zover de combinatie van al deze elementen in het beweerdelijk nagebootste werk aan de "werktoets" beantwoordt” (HR 23 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1529, herhaald in de arresten van 12 april 2013, LJN BY1532 en LJN BY1533 (Stokke-arresten)).


2.57.

De rechtbank vindt in de Stokke-arresten geen aanleiding om aan te nemen dat de ‘totaalindruk-toets’ moet worden gereserveerd voor gebruiksvoorwerpen, en dat het niet zou (moeten) gelden voor een architectonisch ontwerp als het onderhavige (vgl. Hof Arnhem 23 juli 2013 ECLI:NL:GHARL:2013:5404).


2.58.

Hieronder zal eerst worden in gegaan op de vraag wat de auteursrechtelijk beschermde trekken van het Drijvend Paviljoen zijn en vervolgens op de vraag of/in hoeverre sprake is van verveelvoudiging in het Rotterdam Paviljoen.


Auteursrechtelijk beschermde trekken


2.59.

[gedaagde2] noemt in zijn scriptie onder meer Buckminster Fuller en het Eden Project als belangrijke referenties voor de totstandkoming van het Drijvend Paviljoen. Deltasync verwijst daar ook naar (producties 86 en 87). De bollen van het Eden Project zijn bekleed met bolvormige ETFE kussens, partijen zijn het daarover eens.


Buckminster Fuller US pavillion Expo 1967, Montreal (plaatje in productie 71 Deltasync).



Eden Project te Cornwall, Grimshaw and Partners, UK 2001 (plaatje in producties 71, 86 en 87 DeltaSync).


2.60.

Voorop staat dat het architectonisch gebruik van een transparante bolvorm op zichzelf niet oorspronkelijk is. Een cluster bolvormen met verschillende diameter, bekleed met transparante bolvormige ETFE kussens met een honingraat-achtig lijnenspel, is evenmin oorspronkelijk. Uit deze afbeeldingen valt tevens op te maken dat de bolvormen van het Eden Project halverwege, althans ongeveer halverwege, en dus op de grootste diameter zijn doorsneden. Deze elementen (cluster bolvormen, halverwege doorsneden, transparante gevel, bolvormige ETFE kussens, honingraat) behoren ieder voor zich en ook als combinatie, daarom niet tot de auteursrechtelijk beschermde elementen van het Drijvend Paviljoen.


2.61.

Het feit dat het ontwerp drijft is op zichzelf ook geen auteursrechtelijk beschermd element, zoals [gedaagden] zelf ook erkent. Hetzelfde geldt voor het feit dat de transparante bollen op een cirkelvormig grondvlak staan. De combinatie van deze elementen is naar het oordeel van de rechtbank ook niet voldoende om op zichzelf – zonder concrete uitwerking erbij te betrekken - te kunnen worden betiteld als auteursrechtelijk beschermd element. Het gaat veeleer om een idee, een concept.


2.62.

Het oorspronkelijk karakter van het Drijvend Paviljoen zit hem met name in de volgende elementen.


1. Cluster van deze vijf bollen


2.63.

Het gaat om vijf bollen met een specifieke groepering en schakeling, zoals hieronder afgebeeld met de daaruit blijkende verhouding in maatvoering van de bollen onderling: één zeer grote en vier kleine.



2.64.

DeltaSync voert aan dat clustering functioneel is bepaald (om teveel hoogte te voorkomen en een efficiënte indeling te creëren). Echter het enkele feit dat een vorm een functie kan dienen, betekent op zichzelf niet dat de vormgeving niet oorspronkelijk is. Dit feit laat immers onverlet dat de ontwerpmarges zodanig kunnen zijn dat voldoende ruimte bestaat voor creatieve keuzes van de maker. Die ruimte was er in dit geval en is door [gedaagde2] benut door de keuze voor vijf bollen met de gekozen specifieke clustering en maatverhoudingen.


2. Maatvoering en schaal


2.65.

Volgens onbetwiste opgave van [gedaagden] is de straal van de bollen 9, 12, 9, 12 en 22 meter. De diameter van de grote bol is dus 44 meter en de hoogte daarvan is 22 meter. Dat is vergelijkbaar met de hoogte van een gebouw met zeven verdiepingen. De hieronder opgenomen afbeelding geeft een impressie van de enorme omvang van het ontwerp.


Plaatje uit productie 9 [gedaagden]



3, Trap langs belijning gevel


2.66.

In het Drijvend Paviljoen is een trap opgenomen in de grote bol. De trap loopt op spectaculaire wijze tussen de transparante buitenzijde en de begroeide binnenbol en volgt de belijning van de gevel, zie afbeelding hierboven en hieronder. Deze trap is een sterk oorspronkelijk element. De omvang van het gebouw in combinatie met de trap geven het geheel een indrukwekkend en spectaculair karakter.

[gedaagden] lijkt te stellen dat die trap in alle bollen voorkomt, maar dat blijkt uit geen van de door hem overgelegde afbeeldingen of filmpjes. Daarop komt de trap alleen in de grote bol voor. De rechtbank gaat daarvan uit.


Afbeeldingen uit prod. 70 en 71 DeltaSync (scriptie en afstudeerpresentatie van [gedaagde2] )


4. Twee gesloten binnenbollen


2.67.

In twee van de bollen van het Drijvend Paviljoen staat een iets kleinere gesloten binnenbol. DeltaSync heeft dat niet betwist. De binnenbol in de grote bol is begroeid met planten, hetgeen DeltaSync ook niet betwist. Uit de afbeeldingen blijkt dat verspreid over deze bol deuren zijn aangebracht die toegang geven naar balkons in de theaterzaal erachter (zie afbeelding hierboven). Op verschillende afbeeldingen, de tijdens de descente bekeken maquette en in het filmpje is soms een bar (de skyloungebar) bovenop de groene bol gesitueerd. Partijen hebben echter nauwelijks aandacht besteed aan die bar en zij hebben die niet betrokken in hun discussie over het auteursrecht. De rechtbank laat de bar daarom ook buiten beschouwing.


2.68.

DeltaSync voert aan dat binnenbollen functioneel zijn (voor isolatie en verduistering). Naar het oordeel van de rechtbank laat dat functionele aspect ruim mogelijkheden voor creatieve keuzes, die [gedaagde2] heeft benut, bijvoorbeeld door zijn keuze voor een bolvorm die losstaat van de buitengevel, door de bekleding en de maatvoering.


5. Het gevelpatroon


2.69.

Het lijnenspel op de gevel is sterk beeldbepalend. [gedaagden] wijst daar zelf ook op. Er zijn voor het Drijvend Paviljoen verschillende varianten van gevelpatronen gebruikt. Productie 2 van [gedaagden] toont de ene variant, de maquette de andere.


2.70.

Grote bol

De grote bol heeft steevast een zeshoekige vlakverdeling, waarbij de vlakken naar boven toe veranderen van plat naar langwerpig. [gedaagde2] schrijft daarover in zijn scriptie onder meer:


Een beslissing was de verticale hoogte continu houden. Op deze manier blijft de doorloophoogte gelijk. De originele zeshoek op de evenaar wordt dan met de ronding naar boven toe steeds langer en smaller. Het gevelpatroon veranderd wat een mooi effect geeft. Op de evenaar zijn de periodes het langst.” (scriptie p. 77)


2.71.

Overige bollen

De gevels van de andere bollen hebben op productie 2 [gedaagden] (en vele andere overgelegde afbeeldingen en in het eerste filmpje) een vlakverdeling met driehoeken, vierkanten en vijfhoeken. Deze vlakken veranderen niet naar boven toe. [gedaagde2] schrijft daarover in zijn scriptie onder meer:


“In contrast met de grote bol is hier gekozen voor een repeterende typologie. Gekozen is voor een afgeknotte icosaeder en een afgeknotte kubosaeder. Deze hebben een mooie vlakverdeling en de afmetingen van de vlakken zijn vergelijkbaar met de vlakken van de grote bol. Mogelijk wordt er later nog besloten voor een andere typologie.” (scriptie p. 82 en 83) De icosaeder bestaat uit vijfhoeken en zeshoeken, de kubosaeder uit drie-, vier- en vijfhoeken.


2.72.

Op de maquette en in het tweede filmpje (d.d. 1 juli 2007) is voor alle bollen hetzelfde gevelpatroon gebruikt als dat van de grote bol.


2.73.

Naar het oordeel van de rechtbank is het gevelpatroon een sterk oorspronkelijk element waarmee het Drijvend Paviljoen zich onderscheidt van bijvoorbeeld het Eden Project. Dat betreft zowel de gekozen patronen, als het feit dat de patronen van de bollen in een aantal gevallen onderling verschillend zijn.





Overige elementen


2.74.

De overige elementen die [gedaagden] noemt behoren afzonderlijk, noch in combinatie tot de auteursrechtelijk beschermde elementen. Het gaat hoofdzakelijk om concepten/ideeën. Concepten/ideeën, die niet zijn uitgewerkt in concrete vormgeving komen niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking. Het gaat om de volgende elementen:


- [gedaagden] stelt dat het Drijvend Paviljoen los van de kade ligt en daarmee is verbonden door een loopbrug. Daargelaten de vraag of dit niet noodzakelijk is (wegens waterpeil variatie), zoals DeltaSync aanvoert, blijkt niet dat en/of hoe dit in het ontwerp concreet is vormgegeven. In het ontwerp is de verbinding met de kade en een eventueel voorplein nauwelijks uitgewerkt. Daarom kan dat (bij gebreke van concrete vormgeving) niet meetellen als auteursrechtelijk element;


- het Drijvend Paviljoen zou een modulair systeem van koppelbare bollen zijn en over het water verplaatsbaar. Ook dit betreft veeleer een idee dan concrete vormgeving;


- voor het drijflichaam is gebruik gemaakt van een piepschuim-betonfundering. Daargelaten dat niet blijkt dat de keuze hiervoor is gemaakt om andere redenen dan technische, blijkt uit het ontwerp niet dat en/of hoe dit concreet is vorm gegeven;


- de gebruiksfuncties van het gebouw, waarin zalen, een foyer en ontvangstruimte zijn opgenomen. Het enkele feit dat deze functies er zijn, is, zonder concrete vormgeving daarvan, geen auteursrechtelijk beschermd element;


- [gedaagden] stelt dat de bollen in open verbinding met elkaar staan, zonder scheidingswand en dat de geclusterde bollen aan de binnenzijde niet alsnog een cirkel worden door de binnenmuur. DeltaSync voert terecht aan dat niet duidelijk is wat [gedaagden] precies bedoelt. Uit de plattegrond die [gedaagden] zelf in zijn conclusie van repliek heeft opgenomen op p. 4 kan niet worden afgeleid dat scheidingswanden ontbreken, terwijl de grote bol daarop aan de binnenzijde juist wel als een cirkel doorloopt. Daarom kan dit niet meetellen als auteursrechtelijk beschermd element;


- draagconstructie uit rechte buizen met een ronde doorsnede en de kozijnen los van de draagconstructie. DeltaSync heeft erop gewezen dat ook in het Eden Project gebruik is gemaakt van ronde buizen van fabrikant Vector Foiltec (die DeltaSync vervolgens zelf ook heeft gebruikt). Het gebruik daarvan voor een transparante bolconstructie is op zichzelf dan ook niet oorspronkelijk. [gedaagden] heeft niet nader toegelicht waarom de in het Drijvend Paviljoen gebruikte ronde buizen en/of kozijnen wel getuigen van oorspronkelijkheid.


Verveelvoudiging?


2.75.

Naar het oordeel van de rechtbank is het Rotterdam Paviljoen geen verveelvoudiging van het Drijvend paviljoen. Dit oordeel wordt hieronder toegelicht.


Afbeeldingen van het Rotterdam Paviljoen uit conclusie van dupliek in conventie [gedaagden] p. 7 (links), en uit productie 94 DeltaSync (rechts)


2.76.

Voor zowel het Drijvend paviljoen als het Rotterdam Paviljoen geldt dat de totaalindruk in hoge mate wordt bepaald door het feit van de geclusterde bolvormen, halverwege doorsneden, de transparante gevel, en het bolvormige ETFE. Dat zijn echter afzonderlijk, noch in combinatie auteursrechtelijk beschermde trekken (vgl. vooral het Eden Project). Wat dit betreft is wel sprake van overeenstemming, maar die is niet veroorzaakt door overname van auteursrechtelijk relevante elementen.

2.77.

Tussen de twee ontwerpen is een aantal opmerkelijke verschillen. Zo kent het Rotterdam Paviljoen geen vijf maar drie bollen en heeft het niet de enorme omvang van het Drijvend Paviljoen. Ook de spectaculaire trap langs de gevel ontbreekt. [gedaagden] stelt weliswaar dat in het Rotterdam Paviljoen een trap voorkomt die het gevelpatroon volgt, maar dat is betwist en zo’n trap is tijdens de descente niet gezien. Het Rotterdam Paviljoen heeft niet het indrukwekkende en spectaculaire karakter van het Drijvend Paviljoen.

2.78.

[gedaagden] stelt dat DeltaSync drie bollen van het Drijvend Paviljoen letterlijk heeft gekopieerd. Van exacte overname is echter geen sprake. In plaats van 9, 12 en 9 meter hebben de bollen van het Rotterdam Paviljoen volgens onbetwiste opgave van DeltaSync tijdens de descente een straal van 11,75, 10 en 8,75 meter. Voorts wijst DeltaSync erop dat haar bollen in een andere hoek zijn geclusterd en bijna op een rechte lijn liggen. Daarvoor valt steun te vinden in de overgelegde afbeeldingen. De afbeelding hieronder links is overgelegd door [gedaagden] . De afbeelding rechts is een door DeltaSync overgelegde plattegrond waarop met de hand is geschreven “definitief ontwerp plattegrond Rotterdam” (prod. 90 DeltaSync).




2.79.

In de drie bollen van het Rotterdam Paviljoen keren de auteursrechtelijk beschermde elementen van het Drijvend Paviljoen ook verder onvoldoende terug om van een gedeeltelijke verveelvoudiging te kunnen spreken.


2.80.

In de eerste plaats kent het Rotterdam Paviljoen niet het kenmerkende gevelpatroon van het Drijvend Paviljoen. De vlakken lopen naar boven toe niet van plat naar langwerpig uit, maar zijn ogenschijnlijk alle even groot (wat wordt bereikt door de toepassing van zeshoeken en enkele vijfhoeken). Veeleer lijkt het Rotterdam Paviljoen daarmee terug te grijpen naar een gevelpatroon als dat van het Eden Project. In de tweede plaats is in het Rotterdam Paviljoen weliswaar een gesloten bol aanwezig, maar dit heeft niet de vorm en maatverhouding van de binnenbollen van het Drijvend Paviljoen. Voor het Rotterdam Paviljoen zijn nog enkele andere keuzes gemaakt. Zo zijn de bollen van het Rotterdam Paviljoen gedeeltelijk (de bol met presentatiezaal bijna geheel) bekleed met niet transparante ETFE kussens. Tevens zijn in het Rotterdam Paviljoen onderin grote louvre-ramen aangebracht en in het dak grote dakvensters. Tenslotte is de entree een brede lage vierhoek, terwijl de entree van het Drijvend Paviljoen, voor zover zichtbaar, een bolle vorm heeft.


Links entree, rechts binnenbol en niet transparant ETFE (foto 2 en 3 descente)

2.81.

De conclusie is dat de auteursrechtelijk beschermde trekken van het Drijvend Paviljoen niet in die mate voorkomen in het Rotterdam Paviljoen dat van een (hele of gedeeltelijke) verveelvoudiging kan worden gesproken. Voor zover sprake is van een overeenstemmende totaalindruk berust die hoofdzakelijk op juist niet beschermde elementen. Wat de wel beschermde elementen betreft heeft DeltaSync voldoende een eigen weg gekozen. [gedaagden] schrijft de afwijkingen toe aan budgettaire en/of technische overwegingen. Wat de overwegingen van DeltaSync waren om een eigen weg te kiezen doet echter niet ter zake voor de vraag of sprake is van een verveelvoudiging.De rechtbank komt dus tot een andere conclusie dan de door [gedaagden] geraadpleegde docenten en architecten.

2.82.

De rechtbank is op dezelfde gronden van oordeel dat geen sprake is van een nabootsing. Alleen al daarom strandt ook het beroep van [gedaagden] op slaafse nabootsing. Voorts heeft DeltaSync door de publicatie van afbeeldingen van het Rotterdam Paviljoen – anders dan [gedaagden] onder verwijzing naar zijn productie 30 stelt – geen inbreuk gemaakt op enig auteursrecht van [gedaagde2] .


2.83.

Het gevolg is, dat de vorderingen van [gedaagden] c t/m e en g ook (namelijk naast hetgeen daarover reeds is overwogen in 2.48) worden afgewezen voor zover die betrekking hebben op het Rotterdam Paviljoen. Dat betreft in c het onderdeel “plagiaat” en “wijzigingen zonder consent”. Vorderingen f, j, k en l hebben alle betrekking op de stelling van [gedaagden] dat DeltaSync met het Rotterdam Paviljoen inbreuk maakt op zijn auteursrecht. Nu die stelling is verworpen, worden deze vorderingen afgewezen.


G. Auteursrecht Rotterdam Paviljoen


Auteursrecht


2.84.

DeltaSync vordert onder meer een verklaring voor recht dat het auteursrecht met betrekking tot het Rotterdam Paviljoen aan haar toekomt (vordering VI). Zij stelt dat zij de auteursrechthebbende is. Het is aan haar om de feiten en omstandigheden te stellen, die nodig zijn om die conclusie te rechtvaardigen.


2.85.

Bij brief van 28 januari 2009 heeft de gemeente Rotterdam aan DeltaSync de opdracht voor het leveren van ontwerpdiensten bevestigd. Tussen partijen staat vast dat het Rotterdam Paviljoen pas daarna is ontworpen. Beide partijen hebben immers tijdens de comparitie meegedeeld dat het Rotterdam Paviljoen er begin 2009 (toen de bindend adviseur zijn bindend advies afleverde) nog niet was en dat het toen nog ontworpen moest worden. DeltaSync had toen rechtspersoonlijkheid (besloten vennootschap opgericht op 8 oktober 2008 ). DeltaSync wordt aangemerkt als maker van de werken die door haar werknemers in dienstverband zijn gemaakt (artikel 7 Aw).

2.86.

De rechtbank begrijpt uit de stellingen van DeltaSync dat het Rotterdam Paviljoen in bouwteamverband is gemaakt. Zij stelt immers dat er een bouwteam is gevormd en dat dit heeft geleid tot het door haar in bouwteamverband gecreëerde werk. Naar de rechtbank begrijpt maakte het architectenbureau Public Domain Architecten ook deel uit van het bouwteam. Tijdens de comparitie is namens DeltaSync immers opgemerkt dat dit bureau heeft meegewerkt aan het ontwerp. DeltaSync heeft een pakket ontwerp/bouwtekeningen van het Rotterdam Paviljoen overgelegd (prod. 113). Zij stelt dat dit in het kader van het ontwerpproces gecreëerde tekeningen zijn. Op de tekeningen staan onderaan steeds zowel de gegevens van DeltaSync B.V. als die van Public Domain Architecten vermeld.[gedaagden] heeft hier niets tegenin gebracht, behalve het hierboven reeds verworpen standpunt dat DeltaSync het Drijvend Paviljoen heeft verveelvoudigd.

2.87.

Artikel 8 Aw bepaalt, kort gezegd, dat een rechtspersoon als maker van een werk wordt aangemerkt als zij dat als van haar afkomstig heeft openbaar gemaakt (bij de eerste openbaarmaking). De vermelding van Deltasync B.V. op de tekeningen moet worden gekwalificeerd als een (eerste) openbaarmaking als van haar afkomstig. Mogelijk kan dit ook worden beschouwd als openbaarmaking als van Public Domain Architecten afkomstig (maar de rechtbank hoeft dat niet te beoordelen) in welk geval sprake is van een gemeenschappelijk auteursrecht. Public Domain Architecten gedraagt zich kennelijk ook als (mede)rechthebbende. DeltaSync heeft immers meegedeeld dat geen schikking met [gedaagde2] kon worden bereikt reeds omdat Public Domain Architecten zich daartegen verzet. Gezien deze feitelijke gang van zaken moet in deze procedure met de mogelijkheid rekening worden gehouden dat DeltaSync niet als enig auteursrechthebbende kan worden beschouwd, maar dat sprake is van een gemeenschappelijk auteursrecht. In geval van een gemeenschappelijk auteursrecht kan de handhaving van het recht wel door iedere rechthebbende geschieden (artikel 26 Aw). Het instellen van vordering VI is een daad van handhaving.


2.88.

De vordering is echter niet toewijsbaar als DeltaSync haar auteursrecht aan een ander heeft overgedragen. Dat het auteursrecht is overgedragen aan de gemeente Rotterdam, is aanvankelijk door DeltaSync zelf gesteld. Zij stelde “Overigens wijst DeltaSync er voor de goede orde op dat zij deze auteursrechten heeft moeten overdragen aan de gemeente Rotterdam” (CvA reconventie 153). Tijdens de comparitie is besproken dat hierover duidelijkheid moest worden verkregen. Vervolgens heeft DeltaSync het standpunt ingenomen dat zij, gezien de toepasselijke algemene voorwaarden, geen rechten heeft overgedragen, terwijl [gedaagden] het tegenovergestelde standpunt innam.

2.89.

Artikel 2 van de Auteurswet bepaalt dat het auteursrecht vatbaar is voor overdracht en dat de levering geschiedt door een daartoe bestemde akte. Een akte is een door de overdrager ondertekend stuk, gericht op overdracht. Zo’n akte is een ontstaansvereiste, wat wil zeggen dat bij het ontbreken van een akte geen sprake is van overdracht. Die akte ontbreekt in dit geval. De gemeente heeft met haar brief van 28 januari 2009 de opdracht aan DeltaSync bevestigd en in dezelfde brief de Algemene Voorwaarden van toepassing verklaard (prod. 85 DeltaSync). Artikel 30 van deze algemene voorwaarden bepaalt dat de intellectuele eigendomsrechten worden overgedragen. De brief van de gemeente is echter niet ondertekend door DeltaSync. Dat betekent dat de brief met algemene voorwaarden zelf niet als akte van overdracht kan worden beschouwd. DeltaSync heeft tijdens de comparitie meegedeeld dat zij evenmin een akte heeft ondertekend. Artikel 30 bevat weliswaar een onherroepelijke volmacht van DeltaSync aan de gemeente om een akte op te maken en namens Deltasync te ondertekenen, maar dat dit is gebeurd is niet gesteld.

Dit betekent dat er in deze procedure tussen deze partijen niet van kan worden uit gegaan dat DeltaSync haar recht heeft overgedragen aan de gemeente.

2.90.

Vordering VI kan dus worden toegewezen voor zover betrekking hebbende op het Rotterdam Paviljoen, met dien verstande dat niet voor recht kan worden verklaard dat het auteursrecht aan DeltaSync toekomt, wel dat het auteursrecht aan haar of mede aan haar toekomt.


H. Vorderingen m.b.t. Rotterdam Paviljoen


Afficheren als auteursrechthebbende


2.91.

DeltaSync vordert een verklaring voor recht inhoudende dat [gedaagden] zich ten onrechte afficheert als auteursrechthebbende met betrekking tot (o.a.) Rotterdam Paviljoen (vordering VII) en een rectificatie die mede daarop is gericht (vordering XI).


2.92.

Deze vorderingen worden afgewezen. Van een zich afficheren als auteursrechthebbende ten aanzien van het Rotterdam Paviljoen is niet gebleken. [gedaagden] stelt zich op het standpunt dat het Rotterdam Paviljoen een verveelvoudiging is en een verminking van het Drijvend Paviljoen en dat DeltaSync inbreuk maakt op het auteursrecht dat hem toekomt met betrekking tot het Drijvend Paviljoen. Dat is iets anders dan zich voordoen als rechthebbende met betrekking tot het Rotterdam Paviljoen.De rechtbank heeft zich uitgesproken over het standpunt van [gedaagden] en hem in het ongelijk gesteld. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat [gedaagden] dit vonnis niet zal respecteren door zich naderhand alsnog als auteursrechthebbende te gaan afficheren. Van een (dreigend) onrechtmatig handelen is geen sprake. Een verbod is dan ook niet gerechtvaardigd.

Wanprestatie


2.93.

DeltaSync vordert een verklaring voor recht inhoudende dat [gedaagden] wanprestatie heeft gepleegd door haar niet te erkennen als auteursrechthebbende en/of exclusief gerechtigde tot de exploitatie van het Rotterdam Paviljoen (vordering VIII). Zij stelt daartoe dat [gedaagden] de voor-, management-, aandeelhouders- en vertrekovereenkomst niet is nagekomen.

2.94.

Hierboven is al overwogen dat uit de tekst van artikel 5 vertrekovereenkomst en de uitleg die DeltaSync daar aan geeft, wel een verbod kan worden afgeleid aan het adres van [gedaagden] om een jaar het project van de gemeente te gaan uitvoeren, maar niet een regeling omtrent de auteursrechten. Daarin kan ook geen verplichting aan [gedaagden] worden gelezen om DeltaSync als auteursrechthebbende te erkennen van het gebouw dat het eindproduct van het project zou worden. De vertrekovereenkomst is gesloten op 2 oktober 2008. Op dat moment was het Rotterdam Paviljoen nog helemaal niet ontworpen.


2.95.

Het feit dat [gedaagden] het standpunt in neemt dat het Rotterdam Paviljoen een verveelvoudiging is van het Drijvend Paviljoen kan dan ook niet worden beschouwd als wanprestatie. Vordering VIII wordt afgewezen.


Inbreuk auteursrecht door afbeeldingen


2.96.

DeltaSync maakt bezwaar tegen het gebruik door [gedaagden] op hun website van bepaalde afbeeldingen van het Rotterdam Paviljoen, waarbij zij verwijst naar haar productie 100. Naar de rechtbank begrijpt bedoelt zij te stellen dat [gedaagden] daarmee inbreuk maakt op haar auteursrecht en heeft zij in verband daarmee een verbod gevorderd (vordering IX). Zij heeft niet nader toegelicht waarom sprake is van schending van het auteursrecht. [gedaagden] betwist dat zij inbreuk maakt, zij heeft dat ook niet nader toegelicht.


2.97.

Het gaat om foto’s van het Rotterdam Paviljoen zoals dat aan de openbare weg staat. Gebruik van dergelijke afbeeldingen wordt op grond van artikel 18 Auteurswet niet als inbreuk beschouwd. Gezien deze wettelijke bepaling lag het op de weg van DeltaSync om toe te lichten waarom niettemin sprake is van auteursrechtinbreuk. Dat heeft zij niet gedaan. Vordering IX wordt afgewezen.


2.98.

Gezien al het voorgaande moeten vorderingen X t/m XIV (opgaven, rectificatie, dwangsom en schadevergoeding) eveneens worden afgewezen.


I. Slotsom en proceskosten


2.99.

Al het voorafgaande en hetgeen reeds in het tussenvonnis van 26 februari 2014 is overwogen samenvattend is de slotsom als volgt.


Bindend Advies


2.100. In voormeld tussenvonnis (r.o. 4.12) is reeds overwogen dat het besluit tot het sluiten van de bindend adviesovereenkomst rechtsgeldig is gesloten en derhalve van nietigheid geen sprake is, zodat de door DeltaSync onder sub I gevorderde verklaring voor recht ter zake dient te worden afgewezen. Nu is komen vast te staan dat de bindend adviseur buiten zijn opdracht is getreden, dient het bindend advies te worden vernietigd voor zover het betrekking heeft op de beslissing over andere geschilpunten dan het ter beslechting voorgelegde geschil over het gebruik van de naam Delta-Life. Het gevolg hiervan is dat de vorderingen II en III van DeltaSync zullen worden toegewezen, de vordering sub III onder verbeurte van een dwangsom als hierna bepaald. De vordering sub a van [gedaagde2] in reconventie zal worden afgewezen.


Drijvende Stad en Drijvend Paviljoen


2.101. [gedaagde2] kwalificeert naar het oordeel van de rechtbank als (enig) maker van zowel de Drijvende Stad als het Drijvend Paviljoen.


2.102. TUD kan geen auteursrecht op deze werken claimen, noch op grond van de wet (artikelen 5, 6, 7 en 8 Aw) noch op grond van de CAO en/of de voorovereenkomst van 30 december 2007, zo is reeds overwogen in voormeld tussenvonnis. De gevraagde verklaring voor recht alsook de tegen [gedaagden] gerichte vorderingen 2 t/m 9 strekkende tot een verbod worden daarom afwezen. Bij toewijzing van vordering 1 die zij heeft ingesteld als aan de zijde van DeltaSync gevoegde partij en strekkende tot toewijzing van de vorderingen van DeltaSync heeft zij geen belang. Deze vordering wordt eveneens afgewezen.


2.103. [gedaagde2] heeft zijn auteursrechten niet overgedragen aan DeltaSync, zodat [gedaagde2] enig auteursrechthebbende is gebleven.

Het gevolg is dat niet voor recht kan worden verklaard dat DeltaSync rechthebbende is zodat vordering VI wordt afgewezen, voor zover betrekking hebbende op de Drijvende Stad en het Drijvend Paviljoen. De door [gedaagden] gevorderde verklaring voor recht (sub b, als verduidelijkt ter comparitie, zie 2.5.) dat [gedaagde2] auteursrechthebbende is op de ontwerpen van de Drijvende Stad en het Drijvend Paviljoen, ligt voor toewijzing gereed.

2.104. DeltaSync heeft inbreuk gemaakt op het auteursrecht van [gedaagde2] op het Drijvend Paviljoen en in strijd gehandeld met de vertrekovereenkomst door afbeeldingen van het Drijvend Paviljoen openbaar te maken. Zoals hiervoor onder 2.53 is overwogen zijn de gevorderde verklaringen voor recht onder sub c en d slechts toewijsbaar voor zover betrekking hebbende op “openbaarmaking zonder bronvermelding”. Het gebod tot verwijdering van de ontwerpen sub i van de website wordt beperkt toegewezen, dat wil zeggen voor zover het gaat om het Drijvend Paviljoen, nu gesteld noch gebleken is dat tevens sprake is van publicatie op de website van de in de vordering ook genoemde Drijvende Stad en water-woonbrug.







Rotterdam Paviljoen


2.105. Met het Rotterdam Paviljoen wordt naar het oordeel van de rechtbank geen inbreuk gemaakt op de auteursrechten van [gedaagde2] . De totaalindruk van het Rotterdam Paviljoen verschilt te zeer om van een (hele of gedeeltelijke) verveelvoudiging te kunnen spreken. Er is evenmin sprake van slaafse nabootsing.

Dit leidt er toe dat de door [gedaagden] onder c (m.b.t. “plagiaat” en /of “wijzigingen zonder consent”) d en e gevraagde verklaringen voor recht alsmede de vordering onder g strekkende tot betaling van (een voorschot op) de gestelde schade moeten worden afgewezen voor zover die betrekking hebben op het Rotterdam Paviljoen, alsmede de vorderingen f, j, k en l die alle uitsluitend betrekking hebben op de stelling van [gedaagden] dat DeltaSync met het Rotterdam Paviljoen inbreuk maakt op zijn auteursrecht.


2.106. Het Rotterdam Paviljoen is een nieuw oorspronkelijk werk. De rechtbank heeft vastgesteld dat DeltaSync geldt als mederechthebbende op dat werk. De door DeltaSync onder VI van haar vordering gevraagde verklaring voor recht kan dus worden toegewezen voor zover betrekking hebbende op dit paviljoen en met dien verstande dat niet voor recht kan worden verklaard dat het auteursrecht aan DeltaSync toekomt, wel dat het auteursrecht aan haar of mede aan haar toekomt.


2.107. [gedaagden] heeft geen inbreuk gemaakt op het aan DeltaSync toekomende auteursrecht op het Rotterdam Paviljoen. Voorts is geoordeeld dat [gedaagde2] zich evenmin schuldig heeft gemaakt aan niet nakoming van de voorovereenkomst, de managementovereenkomst, de aandeelhoudersovereenkomst of de vertrekovereenkomst. Ook heeft hij niet anderszins onrechtmatig gehandeld. Hij heeft zich niet als auteursrechthebbende van het Rotterdam paviljoen geafficheerd.

Dit betekent dat de door DeltaSync onder sub VII t/m XII en XIV ingestelde vorderingen worden afgewezen.


Vordering [gedaagden] tot vergoeding schade


2.108. Gelet op het hiervoor overwogene onder 2.104 en 2.105 zijn de vorderingen van [gedaagden] die zien op de door hem gestelde schade slechts toewijsbaar voor zover zij zien op de hiervoor vermelde inbreuk op het auteursrecht ter zake het Drijvend Paviljoen door het gebruik van afbeeldingen. Dat [gedaagden] hierdoor enige schade heeft geleden, acht de rechtbank voldoende aannemelijk. Over de omvang daarvan kan op basis van de stukken geen enkele inschatting worden gemaakt. Gelet hierop zal op dit punt de zaak, zoals gevorderd, worden verwezen naar de schadestaatprocedure. De vordering tot het betalen van een voorschot op de schadevergoeding zal worden afgewezen, nu ook voor het berekenen daarvan concrete aanknopingspunten ontbreken.


2.109. De rechtbank merkt nog op dat [gedaagden] in zijn laatste akte na comparitie, plaatsopneming en enquête van 25 maart 2015 (onder 27) heeft opgemerkt dat hij schade heeft geleden doordat DeltaSync hem ten onrechte niet bij de uitvoering van de opdracht van gemeente Rotterdam heeft betrokken, maar dat behoorde niet tot de aan de rechtbank voorgelegde vragen en was evenmin onderwerp van het partijdebat, dat geheel toegespitst is geweest op het auteursrecht. Ter zake is ook geen vordering ingesteld. Evenmin is bij voormelde akte om vermeerdering/verandering van grondslag van de vordering gevraagd. Deze vraag is daarom onbeantwoord gebleven.


Overige nog door DeltaSync ingestelde vorderingen


2.110. Bij voormeld tussenvonnis is reeds overwogen (4.35 t/m 4.39) dat de door DeltaSync ingestelde vorderingen onder sub IV en V tot nakoming van de vertrekovereenkomst dienen te worden afgewezen.


Proceskosten


2.111. Zowel in conventie als in reconventie zijn DeltaSync en [gedaagden] over en weer op enkele punten in het ongelijk gesteld. De rechtbank ziet hier aanleiding in om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.


2.112. Aangezien de vorderingen van TUD als tussenkomende partij worden afgewezen, zal zij als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van DeltaSync en [gedaagden] veroordeeld worden. Alle drie hebben zij gevraagd om vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten in de zin van artikel 1019h Rv. Door DeltaSync en [gedaagden] zijn specificaties van de door hen gemaakte kosten overgelegd. In deze specificaties wordt echter geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen de kosten verbonden aan de procedure tussen DeltaSync en [gedaagden] enerzijds en de kosten die ten opzichte van TUD zijn gemaakt anderzijds. De rechtbank ziet hierin aanleiding de kosten overeenkomstig het liquidatietarief vast te stellen op € 902,- voor DeltaSync en € 902,- voor [gedaagden] (telkens 2 punten x tarief II).



3De beslissing in conventie


De rechtbank


3.1.

vernietigt het bindend advies op grond van artikel 7:904 Burgerlijk Wetboek voor zover het betrekking heeft op de beslissing over andere geschilpunten dan het ter beslechting voorgelegde geschil over het gebruik van de naam Delta-Life;


3.2.

verbiedt DA en [gedaagde2] , ieder voor zich en voor zoveel mogelijk gezamenlijk, zich na betekening van dit vonnis te beroepen op het bindend advies voor zover dit het bestek van het geschil over de naam Delta-Life te buiten gaat;


3.3.

veroordeelt DA en [gedaagde2] , ieder voor zich en voor zover mogelijk gezamenlijk, tot betaling van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 5.000,- voor iedere gehele of gedeeltelijke overtreding van verbod 3.2.


3.4.

verklaart voor recht dat het auteursrecht op het Rotterdam Paviljoen aan DeltaSync of mede aan DeltaSync toekomt;


3.5.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt;


3.6.

verklaart dit vonnis met betrekking tot het onder 3.2. gegeven verbod uitvoerbaar bij voorraad;


3.7.

wijst af het meer of anders gevorderde.



4De beslissing in reconventie


De rechtbank


4.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde2] auteursrechthebbende is op de Drijvende Stad en het Drijvend Paviljoen;


4.2.

verklaart voor recht dat DeltaSync door openbaarmaking zonder bronvermelding inbreuk op het auteursrecht van [gedaagde2] op het Drijvend Paviljoen heeft gepleegd en tevens onrechtmatig jegens [gedaagde2] heeft gehandeld;


4.3.

verklaart voor recht dat DeltaSync de schade die [gedaagde2] heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van de in 4.2 bedoelde door DeltaSync gepleegde inbreuken op zijn auteursrecht tevens inhoudende een onrechtmatige daad, definitief en nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, aan [gedaagde2] moet voldoen;


4.4.

gebiedt dat DeltaSync het ontwerp van [gedaagde2] van het Drijvend Paviljoen, voor zover DeltaSync dat zonder naamsvermelding heeft gepubliceerd van haar website verwijdert en verwijderd houdt, onder oplegging van een dwangsom groot € 2.500,- per dag dat DeltaSync hiermee vanaf twee weken na betekening van dit vonnis in gebreke blijft, met een maximum van € 100.000,-;


4.5.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt;


4.6.

verklaart dit vonnis met betrekking tot het onder 4.4. opgelegde gebod uitvoerbaar bij voorraad;


4.7.

wijst af het meer of anders gevorderde.



5De beslissing in de tussenkomst


De rechtbank


5.1.

wijst af de vorderingen van TUD;


5.2.

veroordeelt TUD in de proceskosten, tot op heden begroot op € 902,- aan de zijde van DeltaSync en eveneens € 902,- aan de zijde van [gedaagden] ;


5.3.

verklaart dit vonnis met betrekking tot de onder 5.2. uitgesproken veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.



Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema, mr. G.J. Heevel en mr. W.J.M. Diekman en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2015.

32/1515/2502