Rechtbank Rotterdam, 09-10-2015 / C/10/485051 / KG ZA 15-1040


ECLI:NL:RBROT:2015:7490

Inhoudsindicatie
Er is sprake van juridische misslagen in het vonnis van de kantonrechter.”
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-10-09
Publicatiedatum
2015-10-20
Zaaknummer
C/10/485051 / KG ZA 15-1040
Procedure
Kort geding
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2015/1973
  • AR-Updates.nl 2015-1022
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel



zaaknummer / rolnummer: C/10/485051 / KG ZA 15-1040


Vonnis in kort geding van 9 oktober 2015


in de zaak van


[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. H.B. Dekker,


tegen


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SEACONTRACTORS MARITIME PERSONNEL B.V.,

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

gedaagde,

advocaat mr. J. Blakborn.



Partijen zullen hierna [eiser] en SMP genoemd worden.



1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding d.d. 29 september 2015;
  • - de producties van [eiser] ;
  • - de producties van SMP;
  • - de pleitnota van mr. H.B. Dekker;
  • - de pleitnota van mr. J. Blakborn.

1.2.

Partijen hebben de respectieve standpunten toegelicht ter zitting van 8 oktober 2015. Ten slotte is vonnis bepaald.



2De feiten

2.1.

SMP is een internationaal opererend uitzendbureau voor personeel en schepen.

[eiser] is op 2 januari 2007 in dienst getreden bij SMP en heeft zijn arbeidsovereenkomst met SMP per 1 februari 2014 opgezegd.


2.2.

Op 1 februari 2014 is [eiser] in dienst getreden van CSC Crewing B.V. (hierna: CSC Crewing). CSC is eveneens een internationaal opererend uitzendbureau voor personeel van schepen en een directe concurrent van SMP.


2.3.

Bij vonnis d.d. 2 september 2015 van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland West-Brabant te Middelburg onder zaak/rolnr.: 3481528 / 14-5818 tussen SMP als eisende partij en [betrokkene1] (hierna: [betrokkene1] ), [eiser] en CSC Crewing als gedaagde partij (hierna: het vonnis) is de volgende beslissing gegeven:


beveelt [eiser] om zijn werkzaamheden voor CSC Crewing binnen twee dagen na de

betekening van dit vonnis te beëindigen en beëindigd te houden;


veroordeelt [eiser] om aan SMP een dwangsom te betalen van € 1.000,- voor elke dag

dat hij dit bevel niet zal nakomen;


veroordeelt [eiser] om aan SMP een contractuele boete te betalen van € 10.000,-,

te vermeerderen met € 1.000,- per dag vanaf 1 februari 2014 zolang de overtreding,

bestaande in de werkzaamheden van [eiser] voor CSC Crewing, voortduurt;


verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;


wijst af de vordering tegen [betrokkene1] ertoe strekkende dat [betrokkene1] wordt bevolen

zijn werkzaamheden voor CSC Crewing te beëindigen en beëindigd te houden;


wijst af de vordering tegen [betrokkene1] tot zijn veroordeling tot betaling van contractueel

verschuldigde boeten;


verwijst deze zaak naar de rolzitting van woensdag 28 oktober 2015 te 09.00 uur voor

vonnis;


houdt iedere verdere beslissing aan.”


In het vonnis is, voor zover hier van belang, door de kantonrechter de volgende beoordeling gegeven:

“……

non-concurrentiebeding

……


3.2.

Het is naar het oordeel van de kantonrechter onwaarschijnlijk dat er voor [betrokkene1] en [eiser] geen contract is opgemaakt. Hoe anders zijn belangrijke arbeidsvoorwaarden vastgelegd, zoals het salaris en de duur van de arbeidsovereenkomst?

Beiden zijn bij SMP begonnen op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst. Niet zomaar kan worden aangenomen dat omtrent de arbeidsvoorwaarden van te voren niets schriftelijk is vastgelegd. [betrokkene1] en [eiser] hebben echter niet uitgelegd hoe hun arbeidsvoorwaarden zonder contract zijn vastgelegd. SMP heeft met twee contracten als voorbeeld laten zien dat zij met haar werknemers schriftelijke arbeidscontracten sluit. Het is onwaarschijnlijk dat SMP daarvan heeft afgezien voor [betrokkene1] en [eiser] . Zij stellen beiden dat zij niet hebben willen tekenen vanwege een non-concurrentiebeding in het contract. Indien dat waar zou zijn hadden beide partijen des te meer reden om een schriftelijke arbeidsovereenkomst op te maken teneinde vooraf duidelijkheid te scheppen over deze belangrijke arbeidsvoorwaarde.

……


4.4. (…)

Vast staat dat [eiser] op 2 januari 2007 bij SMP in dienst getreden, dat is ruim zeven jaar voor de e-mail d.d. 23 april 2014 en ruim acht jaar voor de akte van gedaagden d.d. 13 mei 2015. Niet weersproken is en daarom staat vast dat [eiser] op 2 januari 2007 voor bepaalde tijd in dienst is getreden van SMP. Daarom schrijft [eiser] over zijn tijdelijke arbeidsovereenkomst, welke hij ongeveer zeven jaar geleden heeft getekend. Eerst in dit geding, of althans ná 23 mei 2014, heeft [eiser] gesteld dat hij met het woord “contract” heeft gedoeld op een uitzendovereenkomst, die aan zijn dienstverband met SMP is voorafgegaan. Die uitzendovereenkomst moet zoveel meer dan zeven jaren voor de e-mail d.d. 23 april 2014 zijn aangevangen, dat de omschrijving “ongeveer zeven jaar geleden” niet van toepassing is.


4.5.

Gelet op het voorgaande wordt vastgesteld dat [eiser] op 3 januari 2007 schriftelijk een tijdelijke arbeidsovereenkomst met SMP is aangegaan.


5.1.

Uit het voorgaande volgt dat [eiser] zijn mededeling per e-mail d.d. 7 januari 2014 in dit geding heeft verdraaid: het zou gaan om een contract met een uitzendbureau, terwijl hij zelf schrijft over een contract met Seacontractors. [eiser] wil met deze verdraaiing verbergen dat hij wel degelijk een schriftelijke arbeidsovereenkomst met SMP is aangegaan.


5.2.

Uit voormelde e-mailwisseling (zie 4.3.) blijkt voorts dat [eiser] op 7 januari 2014 niet de vragen van SMP wilde beantwoorden, te weten: bij welke werkgever hij per 1 februari in dienst zou treden en in welke functie. SMP had dit gevraagds met het oog op de toepassing van het non-concurrentiebeding in het arbeidscontract van [eiser] . [eiser] wilde dus niet aan SMP meedelen dat hij per 1 februari 2014 in dienst zou treden bij CSC Crewing, een directe concurrent van SMP. Niet aannemelijk is dat met dit feit de privacy van [eiser] is gemoeid. Zijn privacy is slechts een voorwendsel van [eiser] om voor SMP te verbergen dat hij in dienst zou treden bij een directe concurrent van SMP. Geconcludeerd wordt dat [eiser] dit feit heeft willen verbergen om te ontkomen aan de werking van het non-concurrentiebeding dat SMP aan de orde had gesteld. Hierbij is nog van belang dat [eiser] in zijn e-mail aan SMP d.d. 23 december 2013 heeft gesuggereerd dat hij in dienst zou treden bij een buitenlandse werkgever (“een voor mij interessante (buitenlandse) optie”) en die suggestie later niet heeft rechtgezet. CSC Crewing is een Nederlandse werkgever. [eiser] heeft SMP aldus op het verkeerde been willen zetten.


5.3.

Uit het voorgaande wordt afgeleid dat het schriftelijke arbeidscontract van [eiser] bij SMP een non-concurrentiebeding bevat dat [eiser] verbiedt om per 1 februari 2014 in dienst te treden bij CSC Crewing. Daarom zal [eiser] worden bevolen om zijn werkzaamheden voor CSC Crewing te beëindigen, zoals gevorderd. Voorts heeft [eiser] contractuele boeten verbeurd, zoals hierna wordt uitgelegd.


5.4.

De fotokopie van een niet-ondertekend exemplaar van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tussen SMP en [eiser] , aanvangende 2 januari 2007 (produktie 4 bij dagvaarding) bevat in artikel 8 een boetebeding dat is gesteld op (onder meer) de overtreding van het non-concurrentiebeding. Eenzelfde boetebeding is opgenomen in de fotokopieën van twee andere werknemers van SMP (produktie 6 bij dagvaarding) die SMP als voorbeeld heeft overgelegd. Op basis van deze stukken wordt vastgesteld dat op de overtreding van het non-concurrentiebeding door [eiser] contractueel een boete is gesteld van € 10.000,- per overtreding en € 1.000,- voor elke dag dat de overtreding voortduurt. Deze boeten zullen aanstonds worden toegewezen.


6. De vele overige geschilpunten vergen nadere bestudering en overdenking, waaraan de kantonrechter door hoge werkdruk niet is toegekomen. De beslissing daarop wordt daarom acht weken aangehouden.

……”


2.4.

Bij deurwaardersexploot d.d. 11 september 2015 is het vonnis aan [eiser] betekend en is hem aangezegd binnen 2 dagen verbeurde boetes ad € 598.076,55 aan SMP te betalen.


2.5.

Op verzoek van SMP is executoriaal (derden)beslag gelegd onder CSC Crewing, de Rabobank Walcheren/Noord-Beveland U.A. en ING Bank N.V. voor het onder 2.4. genoemde bedrag.



3Het geschil


3.1.

[eiser] vordert dat het de voorzieningenrechter moge behagen, bij vonnis, voor

zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Primair:

te gelasten dat het SMP wordt geboden de executie van het vonnis van 2 september 2015 met rolnummer 3481528 / 14-5818 per direct te staken en gestaakt te houden;

de reeds genomen executoriale maatregelen ongedaan te maken en gelegde executoriale op te heffen (waaronder in ieder geval het gelegde loonbeslag bij CSC Crewing B.V. en het beslag op de banktegoeden van [eiser] bij de Rabobank Vlissingen), althans de opheffing daarvan te bevelen, althans de schorsing van de tenuitvoerlegging te gebieden;

dit alles op straffe van een door SMP aan [eiser] te verbeuren dwangsom van € 20.000,00 voor elke handeling of nalatigheid zijdens SMP die op enigerlei wijze in strijd is met het te wijzen vonnis, met tevens een dwangsom van € 2.000,00 per dag (of gedeelte daarvan) gedurende welke SMP een dergelijke handeling of nalatigheid laat voortduren of niet herstelt, alles in de meest ruime zin des woords,

Subsidiair:

Een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeend te behoren.

II. SMP te veroordelen in de kosten van het geding.


3.2.

SMP voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.



4De beoordeling

4.1.

Met de stelling van [eiser] dat hij in een financiële noodsituatie is komen te verkeren, omdat hij na het wijzen van het vonnis zijn werkzaamheden voor CSC Crewing heeft moeten staken, waardoor hij geen loon meer betaald krijgt, is het spoedeisend belang bij de vordering gegeven.

4.2.

In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.


4.3.

[eiser] stelt, en SMP betwist, dat het te executeren vonnis op juridische dan wel feitelijke misslagen berust. De kantonrechter heeft geen dan wel onvoldoende waarde gehecht aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:653 BW, en heeft het gespecificeerde bewijsaanbod van [eiser] , om de heer [betrokkene2] , de voormalig directeur van SMP, als getuige te horen terzijde gelegd. Ten slotte heeft de kantonrechter [eiser] verboden ook na 1 februari 2015 elders werkzaamheden te verrichten wat, gelet op de duur (of looptijd) van het beding, als dat al van toepassing zou zijn, niet mogelijk is.


4.4.

Vooropgesteld wordt dat uit het vonnis blijkt dat de kantonrechter zijn beslissingen heeft gegrond op overtreding van een tussen SMP en [eiser] overeengekomen non-concurrentiebeding. Hoe dat beding luidt blijkt niet volledig uit het vonnis. Uit overweging 5.4. volgt dat vastgesteld is dat op overtreding van het beding een boete van € 10.000,00 is gesteld te vermeerderen met € 1.000,00 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt. De duur van het beding blijkt echter niet uit het vonnis. Ter gelegenheid van de behandeling van dit kort geding heeft [eiser] gesteld dat de tekst van het beding, zoals dat is/was opgenomen in arbeidsovereenkomsten van andere werknemers– [eiser] betwist een dergelijk beding te zijn overeengekomen –, van welke tekst de kantonrechter is uitgegaan, een looptijd van één jaar had. SMP heeft dat niet betwist. De voorzieningenrechter gaat er daarom van uit dat het beding, voor zover overeengekomen, gold in de periode van 1 februari 2014 tot 1 februari 2015.


4.5.

De voorzieningenrechter constateert dat de kantonrechter zich niet uitlaat over de duur van (de werking van) het non-concurrentiebeding maar vervolgens wel een beslissing voor onbepaalde tijd neemt. Waar die beslissing op gegrond is, blijkt niet uit het vonnis. Het vonnis lijdt aldus aan een motiveringsgebrek. De beslissing valt niet te rijmen met de looptijd van het beding die 1 jaar bedraagt. Ook als wordt uitgegaan van het bestaan van een non-concurrentiebeding, dat wordt immers betwist, dan kan dat geen ruimere en langduriger werking hebben dan overeengekomen. De consequenties van een dergelijk beding moeten immers niet alleen door de werknemer goed overwogen, maar voor hem ook volstrekt helder, zijn. Dat betekent dat, nu de kantonrechter blijkens zijn beslissing uitgaat van een beding met eeuwigdurende werking, terwijl de looptijd van dat beding op het moment van het wijzen van het vonnis al zeven maanden verstreken was, sprake is van een juridische misslag, voor zover [eiser] wordt geboden om zijn werkzaamheden voor CSC Crewing te staken en gestaakt te houden. Dat betekent dat de executie van het in het vonnis aan [eiser] gegeven bevel moet worden geschorst totdat in het nog in te stellen hoger beroep eindarrest is gewezen, een en ander op de wijze en onder de voorwaarde zoals in het dictum zal worden bepaald. Vanwege het onlosmakelijke verband daarmee geldt hetzelfde voor de aan dat gebod verbonden dwangsom.

Geheel ten overvloede zij hier nog aan toegevoegd dat de (ter zitting in tweede termijn ingenomen) stelling van SMP dat de kantonrechter, vanwege het schaamteloos benaderen van klanten van SMP door [eiser] , blijkbaar aanleiding heeft gezien om uit te gaan van een looptijd van langer dan een jaar, wordt gepasseerd. Nog afgezien van de omstandigheid dat de kantonrechter zijn beslissing heeft gebaseerd op het non-concurrentiebeding en niet op de subsidiaire grondslag van onrechtmatige daad, blijkt nergens uit het vonnis dat de kantonrechter een dergelijke afweging heeft gemaakt.


4.6.

Ook op een ander punt is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een kennelijk juridische misslag. Het bestaan van een non-concurrentiebeding dient, blijkens vaste rechtspraak, te worden aangetoond door de werkgever. Uit het vonnis kan niet anders dan worden afgeleid dan dat de kantonrechter de bewijslast van het niet bestaan van dat beding bij [eiser] heeft gelegd. Op zichzelf genomen is dat al voldoende om een misslag aan te nemen. Maar zelfs als in de gegeven omstandigheden [eiser] terecht met het bewijs belast zou zijn, wat voorshands ernstig betwijfeld moet worden mede omdat ten aanzien van de collega van [eiser] , die net als hij gesteld heeft een arbeidsoverkomst nooit te hebben getekend omdat hij met een dergelijk beding niet akkoord kon gaan, wel is aangenomen dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst die voldoet aan de eisen van artikel 7:653 BW, dan geldt nog dat de kantonrechter blijkbaar, zonder daar enig woord aan te wijden, voorbij gegaan is aan een gespecificeerd en ter zake doende bewijsaanbod van [eiser] te weten het aanbod om de heer [betrokkene2] als getuige te doen horen. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat SMP niet heeft betwist dat [eiser] een dergelijk bewijsaanbod gedaan heeft. Anders dan SMP heeft betoogd is hier geen sprake van een verkapt appel.


4.7.

Het voorgaande brengt met zich dat SMP ook de executie van de overige onderdelen van het vonnis moet staken, een en ander totdat in hoger beroep een eindbeslissing is gewezen op de wijze zoals hierna in het dictum wordt bepaald. De voorzieningenrechter ziet in het vorenstaande, in combinatie met de omstandigheid dat SMP er tot op heden niet in geslaagd is schriftelijk bewijs in het geding te brengen waaruit volgt (of summierlijk kan worden afgelegd) dat [eiser] zich op enigerlei wijze in een schriftelijke overeenkomst aan een non-concurrentiebeding heeft verbonden, aanleiding om de executoriale beslagen op te heffen. Daaraan wordt geen dwangsom verbonden nu de voorzieningenrechter deze beslagen zelf opheft.


4.8.

SMP zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 99,99

- griffierecht 285,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.200,99



5De beslissing

De voorzieningenrechter


5.1.

gebiedt SMP de executie van het vonnis d.d. 2 september 2015 van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland West-Brabant te Middelburg onder zaak/rolnr.: 3481528 / 14-5818 ten aanzien van [eiser] te staken en gestaakt te houden totdat op het door [eiser] daartegen in te stellen hoger beroep bij eindarrest is beslist, onder de voorwaarde dat [eiser] dat hoger beroep uiterlijk op 16 oktober 2015 instelt;


5.2.

heft op de door SMP ten laste van [eiser] gelegde (derden)beslagen onder CSC Crewing, de Rabobank Walcheren/Noord-Beveland U.A. en ING Bank N.V.;


5.3.

veroordeelt SMP in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.200,99;


5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,


5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2015.


1862/2009