Rechtbank Rotterdam, 15-09-2015 / C/10/478048 / FT EA 15/1452 en C/10/478050 / FT EA 15/1453


ECLI:NL:RBROT:2015:7578

Inhoudsindicatie
Dwangakkoord toegewezen. Geen hogere afloscapaciteit in de toekomst nu verzoeker volledig arbeidsongeschikt is. Beschermingsbewind aanwezig
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-09-15
Publicatiedatum
2015-10-26
Zaaknummer
C/10/478048 / FT EA 15/1452 en C/10/478050 / FT EA 15/1453
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Insolventie


rekestnummers: [nummer]

[nummer]

uitspraakdatum: 15 september 2015


in de zaak van:


[naam 1],

wonende te [adres]

[woonplaats] ,

verzoeker.


1De procedure


Verzoeker heeft op 10 juni 2015, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een tweetal schuldeisers, te weten:

  • - ENO Zorgverzekeraar, vertegenwoordigd door gerechtsdeurwaarderspraktijk Van den Bos & Jansen B.V., hierna te noemen: ENO;
  • - UPC Nederland B.V., vertegenwoordigd door Aedizon Gerechtsdeurwaarders, hierna te noemen: UPC;

die weigeren mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.


Ter zitting van zijn verschenen en gehoord:

  • - [naam 1] , verzoeker;
  • - de heer [naam 2] , werkzaam bij Modus Vivendi B.V. (hierna te noemen schuldhulpverlening).

De schuldeisers zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.


De uitspraak is bepaald op heden.


2Het verzoek


Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift zeven concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 12.892,79 van verzoeker te vorderen. Verzoeker heeft bij brief van 9 maart 2015 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 13,40% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.


Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond.

De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn WIA-uitkering. Verzoeker is voor 100% arbeidsongeschikt verklaard. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen.

Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn beschermingsbewindvoerder voldaan.


Omdat een vordering van Ziggo (voorheen UPC) dubbel op de crediteurenlijst stond, is deze vordering komen te vervallen. Daarmee zijn er in totaal nog zes concurrente schuldeisers over voor een totaalbedrag van € 12.357,86.


Vier schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. ENO en UPC stemmen hier niet mee in. Zij hebben een vordering van respectievelijk € 730,44 (ENO) en € 426,35 (UPC) op verzoeker, welke 9,36% van de totale schuldenlast beloopt.


3Het verweer


In de contacten met schuldhulpverlening heeft ENO te kennen gegeven het aangeboden bedrag te laag te vinden. Daarnaast is er een nieuwe schuld ontstaan van € 203,50.


In haar contacten met schuldhulpverlening heeft UPC geen reden gegeven voor haar weigering.


Hoewel behoorlijk opgeroepen hebben de weigerende schuldeisers geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid hun standpunten ter zitting toe te lichten.


4De beoordeling


Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van ENO en UPC bij hun weigering vast.


De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of ENO en UPC in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.


De rechtbank stelt allereerst vast dat de vorderingen van ENO en UPC slechts een klein aandeel vormen in de totale schuldenlast (te weten 9,36% daarvan). Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk vier van de zes schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.


De rechtbank stelt vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Modus Vivendi B.V. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd. Voldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht.


Door schuldhulpverlening is ter zitting verklaard dat er is voldaan aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoeker het maximale ten behoeve van zijn schuldeisers zal afdragen. Verzoeker staat onder beschermingsbewind. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede. Ontstane nieuwe schulden worden betaald.


Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoeker van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht.

Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker niet beschikt over betaald werk. Verzoeker is op 11 december 2003 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt verklaard. Voldoende duidelijk is geworden dat, gelet op de gezondheidsklachten van verzoeker, niet te verwachten valt dat hij in de komende jaren met werk een inkomen kan verwerven dat hoger is dan zijn huidige inkomen. Het voorstel is dan ook te beschouwen als het maximaal haalbare.

Bovendien zou toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling aanzienlijke kosten met zich meebrengen, bestaande in salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, welke in mindering komen op hetgeen verzoeker zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.


Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoeker die vanuit een stabiele situatie zijn schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van ENO en UPC, die geweigerd hebben in te stemmen.


Het verzoek om ENO en UPC te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.


ENO en UPC zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoeker niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.


De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, welke in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoeker zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en dat hij niet verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dient te worden afgewezen.


5De beslissing


De rechtbank:


- beveelt ENO Zorgverzekeraar en UPC Nederland B.V. om in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling;


- veroordeelt ENO Zorgverzekeraar en UPC Nederland B.V. in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op nihil;


- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;


- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;


- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van Spengen, rechter en in aanwezigheid van

mr. D.H.H. Peters, griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 september 2015.





1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.