Rechtbank Rotterdam, 06-02-2015 / ROT 14-2906


ECLI:NL:RBROT:2015:761

Inhoudsindicatie
Sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb bij afwijzing partij als netwerkpleegouder
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-02-06
Publicatiedatum
2015-09-10
Zaaknummer
ROT 14-2906
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1


zaaknummer: ROT 14/2906


uitspraak van de meervoudige kamer van 6 februari 2015 in de zaak tussen
[eiseres] , te [plaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. N. Aydogan-Kütük,


en


[verweerster] , verweerster,

gemachtigde: mr. M. Kramer.



Procesverloop


Bij brief van 18 december 2013 heeft verweerster eiseres niet erkend als netwerkpleegouder voor de minderjarigen [minderjarigen] .


Bij besluit van 19 maart 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerster het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.


Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.


Verweerster heeft nadere stukken ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door S. Wahlen.



Overwegingen


1. Tot oktober 2012 woonden [minderjarigen] (de jeugdigen) deels bij hun vader en deels bij hun moeder. In oktober 2012 zijn de jeugdigen uit huis geplaatst en zijn zij gaan wonen bij hun halfbroer [ex-partner] , die samenleefde met eiseres, zijn zoon en twee dochters van eiseres. In de zomer van 2013 heeft eiseres de relatie met [ex-partner] verbroken en in december 2013 is zij met haar twee dochters en de jeugdigen verhuisd naar een andere woning.


2. Op 18 oktober 2013 heeft bureau jeugdzorg verweerster verzocht om een netwerkscreening ten behoeve van eiseres als aspirant-netwerkpleegouder voor de jeugdigen. Eiseres heeft op 30 oktober 2013 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als netwerkpleegouder voor de jeugdigen.


3. Het instroomteam pleegzorg van verweerster verricht netwerkscreeningen van aspirant-netwerkpleegouders. Dit team gebruikt daarbij de “Checklist indicatoren veiligheid kind in (netwerk)pleegzorg” (de veiligheidslijst). In de veiligheidslijst zijn risicofactoren onderverdeeld in categorieën A tot en met C. Onder categorie A vallen risicofactoren voor kindermishandeling bij het pleeggezin en/of omgeving, onder categorie B risicofactoren bij aspirant netwerkpleegouders en onder categorie C risicofactoren in het contact tussen het aspirant-pleeggezin en de biologische ouders. Verweerster hanteert bij de toepassing van de veiligheidslijst als uitgangspunt dat als zich in de situatie van een aspirant-pleegouder drie of meer van de risicofactoren van de categorieën A tot en met C voordoen, het screeningstraject van de aspirant netwerkpleegouder wordt beëindigd.


4.1.

Op 16 december 2013 heeft een screeningsgesprek plaatsgevonden tussen een medewerker van het instroomteam pleegzorg van verweerster en eiseres. Tijdens dat gesprek is gezamenlijk met eiseres de veiligheidslijst ingevuld. Verweerster heeft haar bevindingen neergelegd in een ‘Verslag afwijzing netwerkonderzoek Horizon Pleegzorg’ van 18 december 2013 (het verslag). In het verslag wordt vermeld dat de volgende risicofactoren van toepassing zijn op de situatie van eiseres: echtscheiding (het verbreken van de relatie met [ex-partner] in de zomer van 2013), verhuizing (het intrek nemen in een andere woning in december 2013 als gevolg van het verbreken van de relatie), te kleine of slechte huisvesting (een 4-kamerwoning voor eiseres en haar twee tienerdochters en de jeugdigen), financiële problemen (eiseres heeft een schuld van € 50.000,- als gevolg van het niet voldoen van de huur, gas/water/licht en elektriciteit), werkloosheid, geen vaste inkomsten in de vorm van uitkering of loon, chronische ziekte (een schildklieraandoening), geen vaste personen in de omgeving die steun en opvang kunnen bieden, instabiel en onregelmatig leven als gevolg van de scheiding, verhuizing en schuld, en eiseres is zelf slachtoffer geweest van seksueel geweld.

Verweerster concludeert dat er sprake is van teveel actuele risicofactoren en er onvoldoende sprake is van een stabiele situatie om eiseres als netwerkpleegouder te erkennen. Tegenover de vele risicofactoren staat volgens verweerster slechts één protectieve factor, namelijk dat eiseres structuur, duidelijkheid en regels in de opvoeding van de jeugdigen biedt. Het screeningstraject met eiseres is beëindigd en er heeft geen tweede gesprek of een huisbezoek plaatsgevonden.


4.2.

De afwijzing van de aanvraag van eiseres om als netwerkpleegouder te worden erkend bij brief van 18 december 2013 is gebaseerd op het verslag.

Bij het bestreden besluit heeft verweerster zich op het standpunt gesteld dat eiseres weliswaar stappen heeft gezet om haar situatie te verbeteren, maar dat de veiligheidsrisico’s te groot blijven om eiseres als netwerkpleegouder te erkennen.


5. Eiseres stelt dat zij wel geschikt is om als pleegouder op te treden. Zij heeft daartoe gronden tegen het bestreden besluit aangevoerd die hieronder, voor zover van belang, zullen worden besproken.


De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.


6.1.

Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.


6.2.

Per 1 januari 2015 is de Wet op de jeugdzorg ingetrokken en is de Jeugdwet in werking getreden. Uit artikel 11.7, tweede lid, van de Jeugdwet volgt dat beoordeling plaatsvindt naar het voor 1 januari 2015 geldende recht.


Op grond artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg wordt - voor zover van belang - onder pleegouder verstaan: degen die een pleegcontract als bedoeld in artikel 28b, eerste lid, met een zorgaanbieder heeft gesloten.

Op grond van datzelfde artikellid wordt onder stichting verstaan: een stichting die een bureau jeugdzorg in stand houdt, en wordt onder zorgaanbieder verstaan: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die jeugdzorg verleent, waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat.

Op grond van artikel 3, eerste lid, hebben cliënten aanspraak op jeugdzorg.

Op grond van het derde lid heeft een cliënt slechts aanspraak op jeugdzorg ingevolge deze wet als de stichting die werkzaam is in de provincie waar de jeugdige duurzaam verblijft, een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat die cliënt op die zorg is aangewezen.

Op grond van het zesde lid kan een cliënt zijn aanspraak op jeugdzorg ingevolge deze wet uitsluitend tot gelding brengen bij een zorgaanbieder die tot dat doel van de provincie subsidie ontvangt.


Op grond van artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de Jeugdzorg omvat

de aanspraak op jeugdzorg: jeugdhulp, verblijf en observatiediagnostiek.

Op grond van artikel 4, eerste lid, omvat verblijf het aan een jeugdige gedurende het etmaal of een deel daarvan bieden van verblijf met een passend pedagogisch klimaat bij een pleegouder of in een accommodatie van een zorgaanbieder.

Op grond van artikel 19, eerste lid, geeft de stichting, indien zij vaststelt dat een jeugdige is aangewezen op verblijf, in het indicatiebesluit aan of de jeugdige is aangewezen op verblijf bij een pleegouder, dan wel op verblijf in een accommodatie van een zorgaanbieder.


6.3.

Op grond van artikel 28a, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg, zoals dat artikel per 1 juli 2013 luidt als gevolg van de Wijziging van de Wet op de jeugdzorg en Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, de Algemene Kinderbijslagwet en de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen alsmede enige andere wetten in verband met de verbetering van de positie van pleegouders (verbetering positie pleegouders), voldoet de pleegouder onder meer aan de volgende voorwaarde: “d. de pleegouder heeft met goed gevolg een door de zorgaanbieder die pleegzorg biedt aangeboden voorbereidings- en selectietraject afgerond.”

Op grond van het tweede lid stelt de zorgaanbieder die pleegzorg biedt vast of aan de voorwaarden, genoemd in het eerste lid, is voldaan.

Op grond van het derde lid beoordeelt de zorgaanbieder die pleegzorg biedt voorafgaand aan de plaatsing van een jeugdige in het gezin van de pleegouder of de jeugdige in het gezin van de pleegouder kan worden geplaatst, gelet op de leeftijd en de problemen van de jeugdige, de samenstelling van het gezin van de pleegouder en de verwachte duur van de plaatsing van de jeugdige in het gezin van de pleegouder.

Op grond van het vierde lid kan degene die een jeugdige reeds verzorgt en opvoedt op het moment dat bij een zorgaanbieder die pleegzorg biedt de aanspraak van die jeugdige op verblijf bij een pleegouder tot gelding worden gebracht, in afwijking van het eerste lid, onder c, en het derde lid, aan de in die artikelonderdelen bedoelde voorwaarden voldoen binnen dertien weken nadat de aanspraak tot gelding wordt gebracht, mits de betrokken zorgaanbieder heeft vastgesteld dat de verzorging en opvoeding van de jeugdige door diegene niet schadelijk is voor de ontwikkeling van de jeugdige.


Op grond van artikel 28b, eerste lid, zoals dat artikel per 1 juli 2013 luidt, sluiten een zorgaanbieder die pleegzorg biedt en een pleegouder een pleegcontract voor de verzorging en opvoeding van een jeugdige.

Op grond van artikel 28c, zoals dat artikel per 1 juli 2013 luidt, verstrekt - voor zover van belang - een zorgaanbieder die pleegzorg biedt aan een pleegouder waarmee hij een pleegcontract heeft gesloten een subsidie voor de verzorging en opvoeding van de in het gezin van de pleegouder geplaatste jeugdige.


7.1.

Verweerster voert aan dat deze rechtbank niet bevoegd is om over dit geschil te oordelen en wijst op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 februari 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ1291) waarin is geoordeeld dat het niet verlengen van een pleegcontract als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg (oud) niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt. Naar haar mening kan de brief van 18 december 2013, waarin eiseres niet is erkend als netwerkpleegouder, dan evenmin worden aangemerkt als een zodanig besluit.


7.2.

Vanaf 1 juli 2013 zijn in artikel 28a van de Wet op de Jeugdzorg als gevolg van de hiervoor vermelde wetswijziging de voorwaarden opgenomen waaraan een pleegouder moet voldoen om een jeugdige op te voeden en te verzorgen. Uit de memorie van toelichting (Tweede Kamerstukken 2010-2011, 32 529, nr. 3) blijkt dat de voorwaarden in deze bepaling de basis vormen op grond waarvan de geschiktheid van pleegouders wordt beoordeeld. Voorheen waren deze voorwaarden in de Regeling pleegzorg neergelegd. Gezien de aard van de voorschriften en de vaststelling door de zorgaanbieder dat de pleegouder in staat moet worden geacht de verzorging en opvoeding van een bepaald pleegkind op zich te nemen acht de wetgever opname in de wet meer aangewezen. In de memorie van toelichting (blz. 21) is vermeld: “De uiteindelijke beslissing omtrent de geschiktheid van aspirant-pleegouders is een besluit waartegen bezwaar en beroep openstaat.” De brief van 18 december 2013 is als een dergelijke beslissing aan te merken. Nu verweerster haar bevoegdheid tot het nemen van een dergelijke beslissing aan de Wet op de jeugdzorg ontleent en het rechtsgevolg van de beslissing is dat eiseres niet als pleegouder wordt erkend en dus ook geen aanspraak kan maken op subsidie, is sprake van een publiekrechtelijke rechtshandeling als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en dus van een voor bezwaar vatbaar besluit. Verweerster heeft het bezwaar van eiseres terecht ontvankelijk geacht.


7.3.

Eiseres betoogt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat verweerster pas op de hoorzitting in bezwaar de heroverweging door het instroomteam pleegzorg aan haar heeft overhandigd waardoor zij zich niet behoorlijk heeft kunnen verweren. Dit betoog slaagt niet. Eiseres heeft in beroep, na kennisneming van de heroverweging van verweerster, de gelegenheid gehad, en heeft deze ook benut, om tegen verweersters heroverweging in bezwaar gronden aan te voeren. Daarnaast is niet gebleken dat eiseres is benadeeld doordat verweerster pas op de hoorzitting in bezwaar de heroverweging van het instroomteam van pleegzorg aan haar heeft overhandigd.


7.4.

Eiseres betoogt verder dat verweerster ten onrechte heeft geconcludeerd dat zij niet geschikt is voor erkenning als netwerkpleegouder. Zij meent dat er meer protectieve factoren dan risicofactoren zijn dan wel dat de protectieve factoren zwaarder moeten wegen. Zij benadrukt dat zij de jeugdigen regels en structuur biedt en aandacht en liefde geeft.


7.5.

Blijkens het verslag zijn in ieder geval de volgende risicofactoren aan de orde: echtscheiding, verhuizing, te kleine of slechte huisvesting, financiële problemen, chronische ziekte en het ontbreken van vaste personen in de omgeving die steun en opvang kunnen bieden. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd is geen grond gelegen om te oordelen dat verweersters onderzoek dat tot het verslag heeft geleid onzorgvuldig is geweest, of dat verweerster zich geen goed beeld heeft gevormd van de situatie waarin eiseres en haar gezin verkeerde. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de risicofactoren niet aanwezig zijn of dat verweerster deze factoren te zwaar heeft laten wegen. Weliswaar kan worden erkend, zoals verweerster heeft gedaan, dat eiseres ook over goede opvoedingskwaliteiten beschikt, maar dat kan de risicofactoren niet wegnemen. Waar op grond van artikel 28a van de Wet op de jeugdzorg de zorgaanbieder, dat is in dit geval verweerster, vaststelt of aan de voorwaarden wordt voldaan, moet worden aangenomen dat verweerster daarbij over een zekere beoordelingsruimte beschikt. Daarvan uitgaande kan niet worden gezegd dat verweerster niet tot de afweging heeft kunnen komen om de risicofactoren zwaarder te laten wegen dan de protectieve factoren.


7.6.

Het bovenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerster op goede gronden heeft beslist om eiseres niet als netwerkpleegouder voor de jeugdigen te erkennen.


8. Het beroep is ongegrond.


9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.























Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, voorzitter, en mr. J.H. de Wildt en

mr. C.F.J. de Jongh, leden, in aanwezigheid van mr. H.C. de Wit-Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2015.






griffier voorzitter




Afschrift verzonden aan partijen op:





Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.