Rechtbank Rotterdam, 17-09-2015 / C/10/482664 / KG ZA 15-887


ECLI:NL:RBROT:2015:7705

Inhoudsindicatie
Vordering tot afgifte van goederen en verbod tot het vernietigen van goederen. In geschil is wie eigenaar is. Aannemelijk is dat een eigendomsvoorbehoud is overeengekomen. Voorwaarde voor eigendomsoverdracht was betaling. Die betaling heeft door een faillissement niet plaatsgevonden.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-09-17
Publicatiedatum
2015-11-02
Zaaknummer
C/10/482664 / KG ZA 15-887
Procedure
Kort geding
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel


zaaknummer / rolnummer: C/10/482664 / KG ZA 15-887


Vonnis in kort geding van 17 september 2015


in de zaak van


1de rechtspersoon naar vreemd recht BOSCH REXROTH SPOL S.R.O.,

gevestigd te Tsjechië,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BOSCH REXROTH B.V.,

gevestigd te Boxtel,

eiseressen,

advocaat mr. L.P. Schuttelaar,


tegen


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MATERIAAL METINGEN TESTGROEP B.V.,

gevestigd te Ridderkerk,

gedaagde,

advocaat mr. E.J. Heijnen.



Partijen zullen BR c.s. (voor eisers gezamenlijk), BR Tsjechië (voor eiseres sub 1.), BR Boxtel (voor eiseres sub 2) en MM (voor gedaagde) genoemd worden.



1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding
  • - de producties zijdens BR c.s.
  • - de producties zijdens MM
  • - de mondelinge behandeling
  • - de pleitnota van BR
  • - de pleitnota van MM.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.



2De feiten

2.1.

BR Boxtel heeft in 2013 een contract afgesloten met de vennootschap naar Belgisch recht Société d’exploitation du Pieter Schelte N.V., ook genoemd Allseas.

Het contract (hierna ook: contract Allseas) hield – kort gezegd – in dat BR Boxtel zorg zou dragen voor de engineering, productie en installatie van het aandrijf- en besturingssysteem ten behoeve van het hefsysteem aan boord van het mammoetschip “Pioneering Spirit” (hierna: het schip), dat thans wordt afgebouwd in Rotterdam.


2.2.

BR Boxtel heeft onder meer BR Tsjechië als onderaannemer ingeschakeld.


2.3.

Voor de bouw van 16 oliereservoirs heeft BR Tsjechië op 11 juli 2014 een koopovereenkomst gesloten met Kin Machinebouw Rijen B.V. (hierna: KMR)

Op 13 november 2014 is een tweede overeenkomst gesloten met nadere afspraken.


2.4.

Volgens de ASME Code en Lloyds regelgeving is ten aanzien van (de gelaste delen van) de 16 oliereservoirs vereist dat testresultaten beschikbaar zijn na uitgevoerd NDO-onderzoek. De testresultaten moeten minstens 10 jaar moeten worden bewaard.


2.5.

MM heeft NDO/NDT-testwerkzaamheden uitgevoerd aan de oliereservoirs en heeft

X-Ray films (röntgenfoto’s), bijbehorende RT- en PT-rapportages (hierna: de goederen) opgeleverd aan KMR.


2.6.

KMR heeft de goederen aan BR c.s. verstrekt.


2.7.

KMR is op 4 december 2014 in staat van faillissement verklaard.


2.8.

MM heeft BR c.s. verzocht de goederen aan haar te retourneren.

Omstreeks 25 februari 2015 heeft BR c.s. dit gedaan.



3Het geschil


3.1.

BR c.s. vordert - verkort weergegeven - :

Primair:

MM te veroordelen tot afgifte van de goederen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

Subsidiair:

MM te gebieden de goederen tot tenminste 10 jaar na oplevering van de oliereservoirs te bewaren en niet te vernietigen of te vervreemden, alsmede MM te gebieden indien noodzakelijk op grond van de Lloyds Rules en/of ASME code tot inzage en tijdelijke terbeschikkingstelling van de goederen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

Meer subsidiair:

MM te gebieden de goederen in afwachting van een vonnis in een bodemprocedure te bewaren en niet te vernietigen of te vervreemden, alsmede MM te gebieden tot inzage en tijdelijke terbeschikkingstelling van de goederen indien noodzakelijk op grond van de Lloyds Rules en/of ASME code, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

Zowel primair, subsidiair als meer subsidiair

MM te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de rente daarover vanaf de 15e dag na het vonnis.


3.2.

BR c.s. legt aan haar primaire vordering een eigendomsrecht en aan haar subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen onrechtmatig handelen ten grondslag. Zij stelt hiertoe het volgende.

BR c.s. heeft de goederen van KMR geleverd gekregen. Daarmee heeft zij het eigendomsrecht verkregen. Voor zover KMR niet beschikkingsbevoegd was, was BR c.s. te goeder trouw, zodat het door MM gepretendeerde eigendomsvoorbehoud haar niet kan worden tegengeworpen.

MM gebruikt het bezit van de goederen als dwangmiddel. Zij dreigt de goederen te vernietigen, wanneer BR c.s. niet bereid is tot betaling van een vordering van MM op KMR van € 118.041,93. Tussen BR c.s. en MM bestaat echter geen contractuele relatie. MM had een overeenkomst met KMR, die failliet is gegaan; tussen BR en MM bestaat geen verbintenis op grond waarvan BR gehouden is MM te betalen.

De onrechtmatigheid vloeit daarnaast met name voort uit de belangenafweging en de omstandigheden van het geval. MM wist dat zij werkzaamheden uitvoerde voor het zogeheten project Allseas. Zij weet ook dat de goederen 10 jaar bewaard moeten worden. Nu MM weet van de mogelijke grote (financiële) gevolgen van vernietiging van de goederen voor BR c.s., moet zij rekening houden met de gerechtvaardigde belangen van BR c.s. en zal zij niet tot vernietiging over mogen gaan.


3.3.

MM heeft meerdere verweren gevoerd.


3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


4De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stellingen van BR c.s.


4.2.

Nu BR Tsjechië een in het buitenland gevestigde rechtspersoon is en de vordering uit dien hoofde een internationaal karakter draagt, dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen. De Nederlandse rechter is op grond van art. 4 van de in deze zaak toepasselijke Verordening (EU) nr. 1215/2012 (EEX-Vo 2012) bevoegd van het onderhavige geschil kennis te nemen, nu de gedaagde partij MM gevestigd is in Nederland.


4.3.

Naar voorlopig oordeel is op grond van artikel 4 Verordening (EG) nr. 864/2007 (Rome II) Nederlands recht van toepassing, nu BR c.s. (onder meer) onrechtmatig handelen ten aanzien van bij MM te Rotterdam aanwezige goederen aan haar vordering ten grondslag legt. Voorshands wordt gelet hierop aangenomen dat het land waar de schade zich voordoet Nederland is (als bedoeld in lid 1), althans dat sprake is van een kennelijk nauwere band met Nederland ex lid 4 van voornoemd artikel.


4.4.

Een vordering in kort geding, waar slechts het treffen van een voorlopige voorziening aan de orde is, is alleen toewijsbaar indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter, later oordelend, tot het oordeel zal komen dat de vordering dient te worden toegewezen.


4.5.

Tussen partijen is in geschil wie eigenaar is van de goederen waarvan thans afgifte wordt gevorderd. BR Tsjechië stelt eigenaar te zijn geworden van de goederen als gevolg van de levering van de goederen door KMR aan haar. MM betwist dat en beroept zich op een door haar jegens KMR contractueel bedongen eigendomsvoorbehoud, dat is opgenomen in artikel 9.6 van haar algemene voorwaarden.


4.6.

De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat MM de eigendom van de goederen onder de opschortende voorwaarde van voldoening van betaling aan KMR heeft overgedragen.

MM heeft een offerte overgelegd die, naar zij stelt, KMR mondeling heeft geaccepteerd, zodat een overeenkomst tussen MM en KMR tot stand is gekomen. Nu in de offerte wordt verwezen naar de toepasselijkheid van algemene voorwaarden is daarbij een eigendomsvoorbehoud overeengekomen.

Dat het in de sector waarin MM werkzaam is, en waarbinnen NDO-onderzoek wordt uitgevoerd, gebruikelijk is dat een eigendomsvoorbehoud wordt bedongen, is de voorzieningenrechter genoegzaam gebleken uit de meerdere door MM overgelegde algemene voorwaarden van andere instanties die ook NDO-onderzoek uitvoeren.

De rechtsfiguur van het eigendomsvoorbehoud is een gebruikelijke mogelijkheid voor een opdrachtnemer die zich tegen insolventie van de opdrachtgever wil beveiligen.

Het bestaan van de overeenkomst tussen MM en KMR is op zichzelf niet in geschil. BR heeft thans bij gebrek aan wetenschap betwist dat een eigendomsvoorbehoud is gemaakt, maar gelet op het hiervoor overwogene is in de situatie dat geen sprake is van enig aanknopingspunt voor de juistheid van die betwisting van BR c.s., niet voldoende aannemelijk dat géén eigendomsvoorbehoud tussen MM en KMR werd overeengekomen.


4.7.

Het voorgaande brengt met zich dat voorshands moet worden aangenomen dat nu de goederen zijn overgedragen aan KMR onder eigendomsvoorbehoud, KMR houder werd voor MM totdat de tegenprestatie – betaling – en daarmee de overgang van de eigendom zou plaatsvinden. Nu KMR in staat van faillissement is geraakt en betaling is uitgebleven, staat voorshands vast dat de eigendom steeds bij de oorspronkelijk rechthebbende, MM, is gebleven. Daarbij moet wel het volgende voorbehoud worden gemaakt.


4.8.

Vaststaat dat BR Tsjechië feitelijk op enig moment de goederen, waarvan MM naar voorlopig oordeel de eigenaar was, heeft verkregen. Gelet op het eigendomsvoorbehoud was KMR op dat moment onbevoegd de goederen aan BR Tsjechië te vervreemden, zodat in beginsel geen overdracht van de goederen plaatsvond. Het staat BR Tsjechië als derde-verkrijger echter vrij zich erop te beroepen dat de eigendom ondanks de (beschikkings)onbevoegdheid van KMR op haar is overgegaan.


4.9.

Artikel 3:86 Burgerlijk Wetboek maakt een uitzondering op het voor overdracht geldende vereiste van beschikkingsbevoegdheid. Ingevolge de in lid 1 opgenomen hoofdregel wordt degene, die te goeder trouw krachtens een geldige levering anders dan om niet een roerende zaak heeft verkregen van een beschikkingsonbevoegde, eigenaar.


4.10.

MM heeft gelet op de vereisten van artikel 3:86 aangevoerd dat ten aanzien van de verkrijging door BR Tsjechië van de goederen geen sprake is geweest van een geldige titel en levering. Of al dan niet sprake is geweest van een geldige titel, kan echter in het midden blijven, nu het volgende verweer van MM, dat BR Tsjechië niet te goeder trouw was, slaagt. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe als volgt.


4.11.

MM heeft betoogd dat BR Tsjechië niet te goeder trouw was gelet op het faillissement van KMR. De goede trouw van de verkrijger moet bestaan op het tijdstip van bezitsverkrijging. BR Tsjechië stelt de goederen te hebben verkregen in de periode waarin zij in het kader van de op 13 november 2014 gesloten nadere overeenkomst is gaan samenwerken met KMR, omdat voorzien werd dat KMR de op 11 juli 2014 afgesproken werkzaamheden niet volledig, niet tijdig althans niet conform de in juli 2014 gemaakte afspraken zou kunnen afronden.


4.12.

In het geval BR Tsjechië de goederen ná het moment van de bekendmaking van het faillissement van KMR zou hebben ontvangen, zou reeds om die reden geen sprake meer kunnen zijn van goede trouw. BR Tsjechië zou in dat geval op grond van artikel 35 lid 3 Faillissementswet geacht worden bekend te zijn met de onbevoegdheid van KMR. Nu sprake is van een ontvangstmoment gelegen in november 2014, derhalve voordat op 4 december 2014 het faillissement werd bekendgemaakt, kan niet zonder meer worden geoordeeld dat gelet op het faillissement geen sprake was van goede trouw.


4.13.

Onder de bewoordingen “te goeder trouw” in artikel 3:86 BW moet worden verstaan hetgeen in artikel 3:11 BW is bepaald. In dat artikel is neergelegd dat goede trouw van een persoon, vereist voor enig rechtsgevolg, niet alleen ontbreekt, indien hij de feiten of het recht, waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben, kende, maar ook indien hij ze in de gegeven omstandigheden behoorde te kennen. Op de persoon die zich op goede trouw beroept kan een onderzoeksplicht rusten. De aard en omvang van de onderzoeksplicht hangt af van de omstandigheden van het geval.


4.14.

In het onderhavige geval acht de voorzieningenrechter van belang dat vaststaat dat sprake was van een in liquiditeitsproblemen verkerende vennootschap. Dat BR Tsjechië van de liquiditeitsproblemen op de hoogte was staat vast. Dat de liquiditeitsproblemen zouden kunnen leiden tot een faillissement kan bij haar ook bekend worden geacht, nu zij blijkens haar stellingen ter zitting geen andere keus had dan op 13 november 2014 nadere (samenwerkings)afspraken te maken, omdat het vorderen van strikte nakoming van de eerder gemaakte afspraken of het aanspreken van KMR op die eerder gemaakte afspraken vermoedelijk het faillissement van KMR als gevolg zou hebben en daarmee zou BR Tsjechië ook niet geholpen zijn. Van belang hierbij is dat uit die nadere overeenkomst van 13 november 2014 blijkt dat de liquiditeitsproblemen bij KMR zodanig groot waren dat zij niet in staat was de laatste drie oliereservoirs zelf af te bouwen en dat BR Tsjechië daarom die reservoirs in eigen beheer heeft laten afbouwen. Kennelijk was de situatie zodanig urgent dat de reservoirs reeds op 12 november 2014 feitelijk aan BR Tsjechië ter beschikking waren gesteld.


4.15.

Voorts acht de voorzieningenrechter van belang dat het regelmatig voorkomt dat bij het sluiten van overeenkomsten voor het uitvoeren van NDO-onderzoek een eigendomsvoorbehoud wordt bedongen. Dit is evenwel door BR c.s. ter gelegenheid van de mondelinge behandeling betwist, maar die betwisting is niet onderbouwd, zodat de voorzieningenrechter uitgaat van de gebruikelijkheid van een dergelijk beding in overeenkomsten als hier aan de orde.


4.16.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat gelet op de in 4.14 en 4.15 genoemde omstandigheden van BR Tsjechië mocht worden verlangd nader onderzoek te doen naar de beschikkingsbevoegdheid van KMR. Dit betekent dat artikel 3:86 BW naar voorlopig oordeel geen bescherming biedt aan BR Tsjechië, zodat in dit kort geding voorshands vaststaat dat MM eigenaar is van de goederen waarvan thans afgifte wordt gevorderd.


4.17.

Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven wat de titel was van de overhandiging van de goederen door BR c.s. aan MM op 13 maart 2015.


4.18.

Nu de goederen geacht worden eigendom te zijn van MM, levert de primaire grondslag van BR c.s. – dat zij eigenaar was van de goederen – geen grond op voor toewijzing van de vorderingen. Nu de primaire vordering volgens mededeling van BR louter is gestoeld op het door haar gepretendeerde eigendomsrecht zal deze worden afgewezen. Thans zal worden beoordeeld of de overige vorderingen toewijsbaar zijn op grond van het daaraan ten grondslag gelegde onrechtmatige handelen.


4.19.

BR c.s. heeft aangevoerd dat MM onrechtmatig handelt door te dreigen met vernietiging van de goederen gelet op de ernstige gevolgen van vernietiging voor BR c.s.


4.20.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat voorshands vaststaat dat het eigendom van de goederen bij MM ligt.

Als eigenaar van de goederen mag MM in beginsel doen met de goederen wat zij wenst, met dien verstande dat diverse wettelijke bepalingen, waaronder artikel 6:162 e.v. BW, de bevoegdheden beperken die een eigenaar aan zijn eigendomsrecht kan ontlenen.


4.21.

In het onderhavige geval is de voorzieningenrechter van oordeel dat indien MM zou overgaan tot vernietiging van de goederen zij in strijd zou handelen met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijke verkeer betaamt. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe als volgt.


4.22.

BR c.s. heeft aannemelijk gemaakt dat de vernietiging van de goederen door MM voor haar desastreuze gevolgen heeft.

MM heeft NDO/NDT-testwerkzaamheden uitgevoerd aan de oliereservoirs aan boord van het schip. De testwerkzaamheden hebben vele maanden in beslag genomen. De goederen die onderwerp zijn van het geschil zijn de X-Ray films (röntgenfoto’s) en bijbehorende RT- en PT-rapportages die MM als resultaat van die vele maanden werk heeft kunnen opleveren.

Reeds de omvang van de door MM uitgevoerde werkzaamheden maakt duidelijk dat BR c.s. een zwaarwegend belang heeft bij de door MM opgestelde rapporten en films.

MM heeft ter zitting gesteld dat het denkbaar is dat BR c.s. testwerkzaamheden opnieuw laat uitvoeren om alsnog op een andere manier de door haar benodigde testresultaten te verkrijgen. MM heeft echter reeds zelf erkend dat dit met name een theoretische, want enorm kostbare en extreem bewerkelijke, mogelijkheid is, omdat inmiddels het grootste deel van het laswerk aan de oliereservoirs al is uitgevoerd terwijl een deel van het onderzoek alleen tijdens de bouw kan worden uitgevoerd. De voorzieningenrechter acht dit derhalve geen reële of acceptabele mogelijkheid, temeer nu de reservoirs daartoe eerst weer zouden moeten worden uitgebouwd uit de Pioneering Spirit.

Daar staat tegenover het belang van MM dat erin is gelegen dat zij de goederen wenst te gebruiken als zekerheidstelling voor de betaling van de openstaande facturen voor door haar uitgevoerde werkzaamheden. Buiten de functie van zekerheidsstelling hebben de goederen voor MM geen waarde. Daarnaast heeft MM desgevraagd aangegeven dat het in bewaring houden van de goederen nauwelijks kosten met zich brengt.

In deze situatie is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van BR c.s. bij het voorkomen van vernietiging van de goederen zwaarder dient te wegen dan het belang van MM om als eigenaar bevoegd te zijn de goederen desgewenst te vernietigen.


4.23.

Het voorgaande leidt ertoe dat de voorzieningenrechter MM zal gebieden de goederen op te slaan en MM zal verbieden de goederen te vernietigen, een en ander zoals subsidiair door BR c.s. is gevorderd. Daarbij zij overwogen dat MM geen verweer heeft gevoerd tegen het gevorderde verbod de goederen te mogen vervreemden, zodat de veroordeling zich ook zal uitstrekken tot het beperken van die bevoegdheid nu na een eventuele vervreemding vernietiging in beginsel weer mogelijk wordt.

Ten aanzien van het ‘veilig’ bewaren heeft MM het verweer gevoerd dat daarmee teveel verantwoordelijkheid op MM rust. Nu BR c.s. niet heeft onderbouwd wat zij verstaat onder ‘veilig’ bewaren zal de term veilig niet in het dictum worden opgenomen. De voorzieningenrechter gaat er wel van uit dat MM de goederen conform de norm van artikel 7:602 BW zal bewaren.


4.24.

De gevorderde dwangsommen zullen worden opgelegd als volgt.


4.25.

Voor toewijzing van het eveneens subsidiair gevorderde gebod tot inzage in de goederen en tijdelijke terbeschikkingstelling van de goederen acht de voorzieningenrechter onvoldoende grond aanwezig. De onder 4.22 weergeven grote belangen aan de zijde van BR bij bewaring spelen hier (thans) niet, nu gesteld noch gebleken is dat de goederen op voorzienbare termijn vereist zullen zijn voor het in exploitatie kunnen nemen van de Pioneering Spirit. Gesteld is immers dat de goederen bewaard moeten blijven om in geval van een calamiteit waarbij de oliereservoirs betrokken zijn te kunnen worden geraadpleegd. Eerst indien een zodanige calamiteit zich voordoet zal een nieuwe afweging van de wederzijdse belangen gemaakt kunnen en moeten worden.

Terzijde overweegt de voorzieningenrechter dat, zou de primaire vordering ook moeten worden beoordeeld in het licht van een beweerdelijke onrechtmatige daad van de zijde van MM, toewijzing hiervan op het gelijke grond als hiervoor weergegeven zou afstuiten.


4.26.

Nu beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de proceskosten te compenseren op de hierna te vermelden wijze.



5De beslissing

De voorzieningenrechter


5.1.

gebiedt MM de goederen zoals vermeld op de door MM op 13 maart 2015 getekende ontvangstbevestiging tot ten minste tien jaar na oplevering van de hiermee corresponderende oliereservoirs aan Allseas op te slaan en te bewaren;


5.2.

verbiedt MM de goederen zoals vermeld op de door MM op 13 maart 2015 getekende ontvangstbevestiging tot ten minste tien jaar na oplevering van de hiermee corresponderende oliereservoirs aan Allseas te vernietigen of te vervreemden;



5.3.

bepaalt dat MM een dwangsom verbeurt ten hoogte van € 1.000.000,00 voor iedere keer dat zij nalaat zich aan het gebod in 5.1 en het verbod in 5.2 te houden;


5.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;


5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;


5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.



Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. van den Hurk en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2015.

1 1634/427