Rechtbank Rotterdam, 30-09-2015 / C/10/483875 / KG ZA 15-966


ECLI:NL:RBROT:2015:7706

Inhoudsindicatie
Dagvaarding niet door B.V. maar natuurlijk persoon uitgebracht. Niet-ontvankelijkheidsverweer verworpen. Het betreft een louter formele (mogelijke) fout, terwijl voor alle partijen voldoende duidelijk was wie hun wederpartij was. Vordering tot benoeming bij gebrek aan grondslag afgewezen.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-09-30
Publicatiedatum
2015-11-02
Zaaknummer
C/10/483875 / KG ZA 15-966
Procedure
Kort geding
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2015/2083
  • OR-Updates.nl 2015-0375
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

team handel


zaaknummer / rolnummer: C/10/483875 / KG ZA 15-966


Vonnis in kort geding van 30 september 2015


in de zaak van


[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. I.W. van Osch,


tegen


1 [gedaagde1] ,

wonende te [woonplaats2] ,

2. [gedaagde2],

wonende te Rhoon,

gedaagden,

advocaat mr. M. Annink.



Partijen zullen hierna [eiser] (voor eiser) en [gedaagde1] en [gedaagde2] (voor gedaagden) genoemd worden.



1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaardingen
  • - de producties van [eiser]
  • - de producties van [gedaagde1] en [gedaagde2]
  • - de akte vermeerdering eis van [eiser]
  • - de incidentele niet-ontvankelijkheidsvordering van [gedaagde1] en [gedaagde2] , met (voorwaardelijke) vordering in reconventie
  • - de mondelinge behandeling
  • - de pleitnota van [eiser]
  • - de pleitnota van [gedaagde1] en [gedaagde2] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2De feiten

2.1.

Partijen zijn huisartsen en maten in de maatschap Centrum Huisartsen Schiedam (CHS). De maatschapsovereenkomst is gesloten op 1 januari 2009. Volgens de tekst van de maatschapsovereenkomst waren er in totaal vier maten (allen huisarts). Naast de drie partijen in onderhavige procedure was [persoon1] de vierde maat. [persoon1] is per 1 november 2014 uit de maatschap getreden.


2.2.

In de maatschapsovereenkomst staat onder meer, kort gezegd:

- dat de schriftelijke toestemming van ieder der maten is vereist voor het aannemen van personeel (artikel 11 lid 4);

-dat de winst wordt verdeeld naar rato van patiëntenaantal op naam van een maat (artikel 14 lid 1);

- dat geschillen tussen de maten, zo mediation niet mocht slagen, zullen worden beslecht door drie arbiters, van wie de voorzitter een jurist dient te zijn die op verzoek van de meest gerede partij door de voorzitter van de Landelijke Huisartsenvereniging dient te worden benoemd, dan wel, bij bezwaar of ontstentenis van deze, door de president van de bevoegde rechtbank (artikel 23).


2.3.

[eiser] heeft een arbitrale procedure aangespannen tegen [gedaagde1] en [gedaagde2] alsmede tegen [persoon1] . De vordering van [eiser] hield, kort gezegd, een afwijking in van de afgesproken winstverdeling tussen de maten over de jaren 2011 tot en met 2014, waarbij aan [eiser] € 35.000 extra winst zou toekomen. Grondslag van de vordering was dat [eiser] meer tijd stak in de maatschapswerkzaamheden dan de overige maten en dat [eiser] een aantal innovatieve projecten had opgezet en enkele subsidieprojecten had binnengehaald die tot extra winst hadden geleid.


2.4.

De drie arbiters hebben bij arbitraal vonnis van 8 mei 2015, recht sprekend als goede mannen naar billijkheid, de vordering van [eiser] afgewezen. Volgens het arbitrale vonnis (samengevat):

- volgt uit de maatschapsovereenkomst (artikel 14) dat de inkomsten in beginsel tussen de maten worden verdeeld naar rato van het aantal patiënten dat iedere partij op 1 oktober van een jaar op zijn naam heeft staan,

- bestaat slechts dan aanleiding om tot een andere verdeling over te gaan indien er sprake is van bijzondere omstandigheden, maar dat zodanige omstandigheden zich niet hebben voorgedaan,

- moet een onderscheid worden gemaakt tussen reguliere maatschapswerkzaamheden en andere werkzaamheden en zijn de door [eiser] genoemde werkzaamheden ten behoeve van innovatieve projecten en het binnenhalen van subsidies niet inherent aan het werken in maatschapsverband,

- was niet aannemelijk gemaakt dat [eiser] onevenredig veel meer tijd kwijt was aan de maatschapswerkzaamheden dan de overige maten, maar ook als dit wel aannemelijk zou zijn, kon dat [eiser] nog niet baten omdat hij dan eerst overleg had moeten voeren met de overige maten om tot een andere verdeling te komen, pas daarna zou sprake zijn geweest van bijzondere omstandigheden,

- was wel aannemelijk dat [eiser] extra winst heeft gerealiseerd met innovatieve projecten en subsidieprojecten, maar kennelijk had [eiser] een en ander op eigen initiatief ontplooid, zonder overleg met de overige maten, zodat [eiser] van tevoren al wist dat de eventuele extra winst overeenkomstig de maatschapsovereenkomst mede ten goede zou komen aan de overige maten.

In reconventie hebben de arbiters een vordering van de overige maten dat [eiser] inzicht moest geven in zijn commerciële nevenactiviteiten, afgewezen.


2.5.

Het arbitrale vonnis is op 19 mei 2015 gedeponeerd ter griffie van de rechtbank Gelderland.



3Het geschil


3.1.

[eiser] vordert, na vermeerdering van eis, samengevat:

I) veroordeling van [gedaagde1] en [gedaagde2] om medewerking te verlenen aan de benoeming van een deskundige, aan te wijzen door de vereniging VvAA, ten behoeve van de aanpassing van de op 1 januari 2009 gesloten maatschapsovereenkomst van partijen, in het bijzonder ter zake van de winstverdeling, op straffe van verbeurte van dwangsom,

II) een gebod aan [gedaagde1] en [gedaagde2] om de kosten van [persoon2] (hierna: [persoon2] ), te voldoen uit hun winstaandeel in de maatschap, op straffe van verbeurte van dwangsom,

III) hoofdelijke veroordeling van [gedaagde1] en [gedaagde2] tot voldoening van een bedrag van € 1.632,- aan buitengerechtelijke kosten, althans een bedrag in goede justitie te bepalen,

IV) hoofdelijke veroordeling van [gedaagde1] en [gedaagde2] in de proceskosten, waaronder nakosten en wettelijke rente.

V) [gedaagde1] en [gedaagde2] te verbieden om de maatschapsovereenkomst met [eiser] op te zeggen totdat daarover door het Scheidsgerecht voor de Gezondheidszorg een onherroepelijke uitspraak is gewezen, op straffe van verbeurte van een dwangsom.


[eiser] stelt daartoe het volgende


3.2.

Na oprichting in 2009 is CHS doorgegroeid, van alleen een huisartspraktijk tot een meer commercieel bedrijf met vele activiteiten op het gebied van gezondheidszorg met thans 32 werknemers. Thans is aanpassing van de maatschapsovereenkomst geboden ten aanzien van de winstverdeling en de werkverdeling. [eiser] draagt structureel veel meer bij aan de winst en ook in de arbeidsinzet, onder meer in het kader van de waarneming van de Akerboompraktijk in verband met langdurige ziekte. Ten onrechte wordt daarmee in de maatschapsovereenkomst geen rekening gehouden. De omzet van [eiser] op zijn patiënten is structureel hoger dan die van de andere maten als gevolg van zijn arbeidsinzet en efficiency. Ten onrechte weigeren [gedaagde1] en [gedaagde2] in te stemmen met benoeming van een externe deskundige of mediator, dit terwijl ook het scheidsgerecht de uitdrukkelijke aanbeveling heeft gedaan om met elkaar in overleg te treden. De continuïteit van de maatschap komt op deze wijze in het geding. Van [eiser] kan in redelijkheid niet gevergd worden dat hij de uitkomst van een nieuwe arbitrageprocedure afwacht. Het arbitragereglement voorziet niet in een spoedvoorziening.


3.3.

[gedaagde1] en [gedaagde2] hebben per 1 februari 2015 [persoon2] zonder instemming van [eiser] aangenomen als “huisarts in dienst van een huisarts” (Hidha). Volgens de maatschapsovereenkomst (artikel 11 lid 4) was daarvoor toestemming van alle maten nodig, dus ook van [eiser] . [eiser] stemde niet in met het aannemen van deze Hidha, onder meer omdat er niet voldoende werk beschikbaar was voor de Hidha zodat de maatschap met onnodige kosten werd opgezadeld. [eiser] heeft om die reden ook niet deelgenomen aan de sollicitatieprocedure. Vanwege de indiensttreding van de Hidha is het conflict met [gedaagde1] en [gedaagde2] verder geëscaleerd en is thans nauwelijks nog sprake van communicatie tussen partijen.


3.4.

Partijen verkeren in een impasse. [eiser] wenst die impasse te doorbreken met behulp van de inzet van een deskundige. Dat is slechts mogelijk zolang [gedaagde1] en [gedaagde2] de maatschapsovereenkomst met [eiser] niet opzeggen, zodat [eiser] belang heeft bij het gevorderde verbod (vordering V).


3.5.

[gedaagde1] en [gedaagde2] hebben verweer gevoerd, waaronder een verweer strekkende tot de niet-ontvankelijkheid van [eiser] . Zij stellen daartoe het volgende.

Blijkens de aanhef van de overeenkomst is niet [eiser] maat van de maatschap, maar [bedrijf1] Achter de naam [eiser] is met pen geschreven [bedrijf1] De handgeschreven wijziging is door alle partijen bij de overeenkomst ter goedkeuring geparafeerd, zodat er vanuit moet worden gegaan niet [eiser] in persoon, maar [bedrijf1] de dagvaarding had moeten doen uitgaan.


3.6.

De bij brief van 16 september 2015 aangekondigde (voorwaardelijke) reconventie is ter zitting ingetrokken respectievelijk niet ingediend.


3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.



4De beoordeling

ontvankelijkheid 4.1.

[gedaagde1] en [gedaagde2] hebben aangevoerd dat [eiser] niet ontvankelijk is in zijn vorderingen, omdat de maatschapsovereenkomst niet op naam van [eiser] in persoon stond, maar op naam van zijn B.V.: de besloten vennootschap [bedrijf1] De voorzieningenrechter heeft dit verweer ter zitting verworpen op grond van het volgende.


4.2.

De Hoge Raad heeft op 13 december 2013 in een zaak (HR 13 december 2013, NJ 2015/307), waarin sprake was van een andere situatie dan hier aan de orde, geoordeeld dat ondanks dat de cassatiedagvaarding was uitgebracht uit naam van een door fusie verdwenen vennootschap, eiseres ontvankelijk kon worden geacht. Dat arrest betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor dit geding het volgende.


4.3.

Tussen partijen is in geschil of de vorderingen door [eiser] in privé of door [bedrijf1] konden worden ingesteld. [gedaagde1] en [gedaagde2] stellen dat moet worden uitgegaan van de handgeschreven wijziging in de aanhef van de overeenkomst, maar nu partijen op dit punt lijnrecht tegenover elkaar staan en dit kort geding zich niet leent voor bewijsvoering, kan van de juistheid van die stelling niet zonder meer worden uitgegaan.

Indien er echter in dit kort geding vanuit moet worden gegaan dat [eiser] formeel niet de juiste partij was om de dagvaarding uit te brengen, omdat [bedrijf1] dat was, dan past het gelet op de door de Hoge Raad ingezette tendens van deformalisering naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet om [eiser] thans niet-ontvankelijk te achten.

Grond voor die beslissing is mede dat feitelijk alle betrokken partijen ter zitting zijn verschenen. Dat [gedaagde1] en [gedaagde2] in hun belangen zouden zijn geschaad is door hen niet gesteld en acht de voorzieningenrechter gelet op hun verschijning en gelet op hetgeen hierna nog wordt overwogen niet aannemelijk. Het betreft een louter formele (mogelijke) fout, terwijl voor alle partijen voldoende duidelijk was wie hun wederpartij was. In deze situatie is de voorzieningenrechter tot het oordeel gekomen dat [eiser] (in persoon) ontvankelijk is in zijn vorderingen. In dit oordeel is meegewogen dat de opzegging van de maatschapsovereenkomst door [gedaagde1] en [gedaagde2] bij brief van 10 september 2015 ook aan [eiser] in persoon, en dus niet aan [bedrijf1] , was gericht. Gelet daarop neemt de voorzieningenrechter aan dat [gedaagde1] en [gedaagde2] er steeds vanuit zijn gegaan dat [eiser] hun wederpartij was, althans dat het voor hen geen verschil maakte of ze met [eiser] in persoon of met de B.V. van doen hadden.


Vordering I

4.4.

Een vordering in kort geding, waar slechts het treffen van een voorlopige voorziening aan de orde is, is alleen toewijsbaar indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter, later oordelend, tot het oordeel zal komen dat de vordering dient te worden toegewezen.


4.5.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat tussen partijen vaststaat dat de uitspraak van 8 mei 2015 van het scheidsgerecht kracht van gewijsde heeft. [gedaagde1] en [gedaagde2] doen daar een beroep op, zodat die uitspraak in het onderhavige kort geding gezag van gewijsde heeft.


4.6.

Dat de uitspraak van 8 mei 2015 gezag van gewijsde heeft brengt met zich dat de vordering zoals geformuleerd onder I. voor zover deze ziet op de periode waarover het scheidsgerecht heeft geoordeeld reeds hierop strandt. Voor zover de vordering ziet op de periode na het de uitspraak is deze ook niet voor toewijzing vatbaar gelet op het volgende.


4.7.

[eiser] heeft aan zijn vordering de stelling ten grondslag gelegd dat hij recht heeft op een groter aandeel in de winst dan [gedaagde1] en [gedaagde2] en heeft dit aangevoerd als grond voor zijn vordering als geformuleerd onder I, kort gezegd: het gebod om mee te werken aan de benoeming van een deskundige. In feite meent [eiser] , zo begrijpt de voorzieningenrechter, dat [gedaagde1] en [gedaagde2] op grond van de redelijkheid en billijkheid gehouden kunnen worden tot aanpassing van de maatschapsovereenkomst, waarbij de benodigde aanpassing – wegens de impasse die tussen partijen is ontstaan – zal moeten bepaald door de nog te benoemen deskundige.


4.8.

Naar voorlopig oordeel is, zoals de arbiters ook reeds oordeelden, sprake van een duidelijke overeenkomst, die op het punt van de winstverdeling niet voor meerderlei uitleg vatbaar is. Het staat partijen vrij voor de toekomst nadere afspraken te maken, zoals de arbiters in hun uitspraak adviseerden, maar daartoe waren zij in beginsel niet gehouden en nadere afspraken zijn ook niet gemaakt.


4.9.

Door [gedaagde1] en [gedaagde2] wordt betwist dat partijen de mogelijkheid zijn overeengekomen van het door tussenkomst van een deskundige komen tot aanpassing van de maatschapsovereenkomst in het geval dat partijen verschillen van mening. Voor een dergelijke vooraf tussen partijen gemaakte afspraak zijn geen aanknopingspunten te vinden en [eiser] stelt ook niet dat sprake is van een verbintenis waaruit de verplichting om mee te werken aan het benoemen van een deskundige kan worden afgeleid. Kennelijk stelt [eiser] zich op het standpunt dat deze plicht is af te leiden uit de situatie die is ontstaan, en waarin sprake is van een verschil in arbeidsinzet. De voorzieningenrechter acht echter niet aannemelijk dat de bodemrechter, later oordelend, zal komen tot het oordeel dat [eiser] ten aanzien hiervan in het gelijk moet worden gesteld. Naar voorlopig oordeel vloeit in de gegeven situatie ook uit de redelijkheid en billijkheid of de maatschappelijke betamelijkheid geen civielrechtelijke plicht voort tot het maken van nadere afspraken, danwel tot het meewerken aan het in dat kader benoemen van een deskundige.


4.10.

Dat het voorgaande wellicht anders zou zijn wanneer sprake zou zijn van een leemte in de overeenkomst is denkbaar, maar dat sprake is van een leemte wordt door [eiser] niet gesteld en daarvan is, zoals hiervoor reeds werd overwogen, ook niet gebleken.


4.11.

Concluderend kan in de gegeven omstandigheden in dit kort geding niet worden aangenomen dat op [gedaagde1] en [gedaagde2] een plicht rust om mee te werken aan de benoeming van een deskundige die een knoop zou moeten doorhakken, daar waar partijen een ander inzicht hebben.


4.12.

Overigens zou de vordering ook niet toewijsbaar zijn, wanneer wel een verbintenis als hiervoor bedoeld kon worden aangewezen, omdat de vordering naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende bepaald is. Van [eiser] mocht worden verwacht dat hij duidelijker zou aangeven over welke specialistische kennis de deskundige diende te beschikken. Daarnaast geldt dat het bij de benoeming van een deskundige in beginsel aan de deskundige is om te bepalen op welke wijze hij zijn onderzoek uitvoert en inricht, maar dat het aan de opdrachtgever is om vooraf instructies te geven. Gelet daarop dient de partij die de benoeming van een deskundige wenst ook in te gaan op de door hem of haar gewenste instructies aan de deskundige. Dat feitelijk de benoeming volgens het standpunt van [eiser] plaats zou vinden door de VvAA maakt dit niet anders.


Vordering II

4.13.

Tussen partijen is niet in geschil dat in beginsel toestemming van alle maten was vereist voor het aannemen van [persoon2] als Hidha. [eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd de stelling dat [persoon2] zonder zijn goedkeuring is aangenomen. Gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde1] en [gedaagde2] acht de voorzieningenrechter dit onvoldoende vaststaan. [gedaagde1] en [gedaagde2] hebben betwist dat [eiser] niet van tevoren op de hoogte was van het voornemen om [persoon2] aan te stellen. Volgens hen was sprake van een impliciete instemming en zij verwijzen in dat kader onder meer naar, ook aan [eiser] toegezonden, notulen van 25 augustus 2014, waarin het besluit tot werving van een Hidha is opgenomen. Dat [eiser] die notulen heeft ontvangen, is door hem niet voldoende gemotiveerd betwist. Nu voorts de stukken waarmee [eiser] zijn vordering heeft onderbouwd slechts stukken betreffen gedateerd van na de datum waarop [persoon2] in dienst is getreden, kan voorshands niet zonder meer van de juistheid van de stelling van [eiser] , dat hij voorafgaand aan de indiensttreding van [persoon2] heeft aangegeven het niet eens te zijn met haar benoeming, worden uitgegaan. In het kader van dit kort geding valt niet vast te stellen wie van partijen het gelijk aan zijn zijde heeft. Hiervoor is een nader onderzoek naar de feiten vereist, waarvoor dit kort geding zich niet leent. Bovendien is waarschijnlijk ook bewijslevering nodig, bijvoorbeeld door middel van getuigenverhoren. Ook daarvoor leent dit kort geding zich niet goed.

4.14.

Het voorgaande betekent dat vordering II zal worden afgewezen.


Vordering V

4.15.

Het gevorderde onder V, het verbod tot opzegging van de maatschaps-overeenkomst, komt niet voor toewijzing in aanmerking. Vaststaat dat [gedaagde1] en [gedaagde2] de maatschapsovereenkomst inmiddels op 10 september 2015 hebben opgezegd. De akte vermeerdering eis, waarin het gevorderde verbod tot opzegging is opgenomen, dateert van 14 september 2015. Op dat moment was de vordering feitelijk al achterhaald. Niet goed is in te zien is welk belang [eiser] nog heeft bij de vordering, zodat deze zal worden afgewezen. Dat [eiser] heeft aangevoerd voornemens te zijn de opzegging van [gedaagde1] en [gedaagde2] aan te vechten maakt het voorgaande niet anders.


Vorderingen III en IV

4.16.

Op grond van het bovenstaande zal ook de gevorderde veroordeling van [gedaagde1] en [gedaagde2] in de kosten niet worden toegewezen.


4.17.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde1] en [gedaagde2] . Deze kosten worden begroot op € 816,- aan salaris advocaat (standaard tarief kort geding volgens de Liquidatietarieven) en € 285,00 aan griffierecht.



5De beslissing

De voorzieningenrechter


5.1.

wijst het gevorderde af,


5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde1] en [gedaagde2] , tot op heden begroot op € 1101,00,


5.3.

verklaart dit vonnis wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Verschuur en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2015.




1634/2323