Rechtbank Rotterdam, 29-10-2015 / 11/870399-12.ov


ECLI:NL:RBROT:2015:7773

Inhoudsindicatie
Ontneming van uit mensenhandel verkregen voordeel.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-10-29
Publicatiedatum
2015-11-02
Zaaknummer
11/870399-12.ov
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 11/870399-12 (ontneming)

Datum uitspraak: 29 oktober 2015

Tegenspraak (gemachtigd raadsman)

VONNIS


Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde:


[veroordeelde] ,

geboren op Curaçao op [geboortedag] 1986,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,

waarnemend raadsman mr. N. Claassen, advocaat te Schiedam.



ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 oktober 2015.


De behandeling van de vordering op de terechtzitting is voorafgegaan door een schriftelijke conclusiewisseling tussen officier van justitie mr. D.N.G. Woei-A-Tsoi en de raadsman van de veroordeelde, mr. G.R. Stolk, advocaat te Schiedam, met uitzondering van de conclusie van dupliek.



VOORAFGAANDE VEROORDELING


Bij arrest van het Gerechtshof Den Haag van 17 november 2014 is de veroordeelde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, wegens het meermalen plegen van mensenhandel in de periode van 1 januari 2011 tot en met 8 juni 2011 en de periode van 9 juni 2011 tot en met 15 januari 2013. Het arrest is nog niet onherroepelijk. Van het arrest is een kopie als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.



VORDERING


De vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en tot het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel van € 27.793,70.


De vordering van de officier van justitie is gebaseerd op artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het betreft voordeel verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld.



STANDPUNT VERDEDIGING


De raadsman van de veroordeelde heeft zich op de terechtzitting op het standpunt gesteld dat het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat moet worden vastgesteld op een lager bedrag dan is gevorderd, te weten op € 8.396,85. De raadsman heeft ter onderbouwing hiervan aangevoerd – verkort en zakelijk weergegeven – dat, gelet op hetgeen [slachtoffer] dienaangaande tegenover de politie heeft verklaard, een andere verdeelsleutel moet worden gehanteerd dan de officier van justitie heeft gedaan, dat [slachtoffer] bij [nachtclub A] geen 100 euro, maar 50 euro per dag heeft verdiend, en dat het, gelet op het feit dat zij toen werkzaam was bij [nachtclub C] , niet zo kan zijn dat [slachtoffer] in diezelfde periode (wederom) bij [nachtclub B] heeft gewerkt.



VASTSTELLING VAN HET WEDERRECHTELIJK VERKREGEN VOORDEEL


Gebleken is dat de veroordeelde door middel van en uit de baten van de hiervoor vermelde strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dit voordeel dient hem te worden ontnomen.


De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zijn opgenomen in de aan dit vonnis gehechte bijlage II. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.


De rechtbank gaat bij de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat van het navolgende uit.


Opbrengst [adres] in Rotterdam

De rechtbank gaat, gelet op hetgeen [slachtoffer] dienaangaande heeft verklaard, ervan uit dat [slachtoffer] aan de [adres] in Rotterdam heeft gewerkt gedurende de periode van 1 januari 2011 tot en met 15 april 2011, dat zij twee klanten per week had en dat de klanten haar € 150,- per keer betaalden. De totale opbrengst bedraagt:


15 weken x 2 klanten x € 150,- = € 4.500,-


De rechtbank gaat, gelet op de verklaringen van [slachtoffer] en de getuige [getuige] , ervan uit dat [slachtoffer] in die periode nog de gehele opbrengst afdroeg aan de veroordeelde.


Opbrengst [nachtclub A] , gevestigd aan de [adres]

De rechtbank gaat, gelet op het overzicht van het UWV, ervan uit dat [slachtoffer] bij [nachtclub A] heeft gewerkt gedurende de periode van 1 juli 2011 tot en met 31 augustus 2011. De rechtbank neemt als uitgangspunt een werkweek van vijf dagen. Anders dan de raadsman gaat de rechtbank, gelet op hetgeen [slachtoffer] dienaangaande heeft verklaard alsmede op het in de bewijsmiddelen aangehaalde Blackberry Messenger bericht, ervan uit dat [slachtoffer] € 100,- per werkdag verdiende. De totale opbrengst bedraagt:


8 weken x 5 dagen per week x € 100,- = € 4.000,-


De rechtbank gaat, gelet op de verklaring van [slachtoffer] dienaangaande, evenals de raadsman, ervan uit dat [slachtoffer] vijftig procent van de opbrengst afdroeg aan de veroordeelde. Het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt derhalve € 2.000,-.


Opbrengst [nachtclub B] , gevestigd aan de [adres]

De rechtbank gaat, gelet op het overzicht van het UWV alsook op hetgeen [slachtoffer] dienaangaande heeft verklaard, ervan uit dat [slachtoffer] bij [nachtclub B] heeft gewerkt gedurende de periode van 1 september 2011 tot en met 28 februari 2012. De rechtbank neemt als uitgangspunt een werkweek van vijf dagen. De rechtbank gaat, gelet op het in de bewijsmiddelen aangehaalde Blackberry Messenger bericht, ervan uit dat [slachtoffer] € 100,- per werkdag verdiende. De totale opbrengst bedraagt:


25 weken x 5 dagen per week x € 100,- = € 12.500,-


De rechtbank gaat, gelet op de verklaring van [slachtoffer] dienaangaande, ervan uit dat [slachtoffer] vijftig procent van de opbrengst afdroeg aan de veroordeelde. Het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt derhalve € 6.250,-.


Opbrengst [nachtclub C] , gevestigd aan de [adres]

De rechtbank gaat, gelet op het overzicht van het UWV alsook op hetgeen [slachtoffer] dienaangaande heeft verklaard, ervan uit dat [slachtoffer] bij [nachtclub C] heeft gewerkt gedurende de periode 1 maart 2012 tot en met 31 december 2012 en dat zij in die periode het volgende heeft verdiend:

Van Tot en met SV-loon 01/12/2012 31/12/2012 268,14 01/09/2012 30/09/2012 174,17 01/08/2012 31/08/2012 599,10 01/06/2012 30/06/2012 313,25 01/05/2012 31/05/2012 507,47 01/04/2012 30/04/2012 511,81 01/03/2012 31/03/2012 419,76

De totale opbrengst bedraagt afgerond € 2.800,-.


De rechtbank gaat, gelet op de verklaring van [slachtoffer] dienaangaande, ervan uit dat [slachtoffer] vijftig procent van de opbrengst afdroeg aan de veroordeelde. Het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt derhalve € 1.400,-.


Opbrengst [nachtclub B] , gevestigd aan de [adres]


De rechtbank gaat – anders dan de raadsman – ervan uit dat [slachtoffer] een tweede maal bij [nachtclub B] heeft gewerkt, te weten gedurende de periode van 1 oktober 2012 tot en met 30 november 2012. Zowel [slachtoffer] als de eigenaar en de bedrijfsleider van [nachtclub B] hebben dat verklaard. Bovendien blijkt uit het overzicht van het UWV dat [slachtoffer] in de maanden oktober en november 2012 niets heeft verdiend bij [nachtclub C] . Het verweer van de raadsman op dit punt wordt dan ook verworpen. De rechtbank neemt als uitgangspunt een werkweek van vijf dagen. De rechtbank gaat, gelet op het in de bewijsmiddelen aangehaalde Blackberry Messenger bericht, ervan uit dat [slachtoffer] € 100,- per werkdag verdiende. De totale opbrengst bedraagt:


8 weken x 5 dagen per week x € 100,- = € 4.000,-


De rechtbank gaat, gelet op de verklaring van [slachtoffer] dienaangaande, ervan uit dat [slachtoffer] vijftig procent van de opbrengst afdroeg aan de veroordeelde. Het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt derhalve € 2.000,-.


Conclusie


Het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op:


€ 4.500,- + €2.000,- + € 6.250,- + € 1.400,- + 2.000,- = € 16.150,-.



VASTSTELLING VAN HET TE BETALEN BEDRAG


Bepaald zal worden dat het gehele bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel door de veroordeelde aan de Staat moet worden betaald.



TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.



BESLISSING


De rechtbank:


stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 16.150,- (zegge: zestienduizend honderdvijftig euro);


legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van € 16.150,- (zegge: zestienduizend honderdvijftig euro).



Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.L.M. Boek, voorzitter,

en mrs. B.A. Cnossen en J. de Lange, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H. Biemond, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 oktober 2015.


De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.