Rechtbank Rotterdam, 24-09-2015 / 10/682155-14


ECLI:NL:RBROT:2015:8028

Inhoudsindicatie
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee gevallen van mishandeling, met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. Hij heeft beide slachtoffers een harde vuistslag tegen het hoofd gegeven, waardoor zij beiden pijn hebben ondervonden en ernstig hoofdletsel hebben opgelopen. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat het bij beide aangevers ontstane zwaar lichamelijk letsel waarschijnlijk is ontstaan doordat de twee daarvoor met elkaar gevochten hadden. De rechtbank verwerpt tevens het door de verdachte gedane beroep op noodweer. Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank in het voordeel van de verdachte onder meer rekening met het feit dat de verdachte heeft meegewerkt aan een mediationtraject met de slachtoffers en dat dit traject positief is afgesloten.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-09-24
Publicatiedatum
2015-11-06
Zaaknummer
10/682155-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team straf 2


Parketnummer: 10/682155-14

Datum uitspraak: 24 september 2015

Tegenspraak



Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:


[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1]

[adres 1] ,

raadsman mr. W.J. van Bel, advocaat te Rotterdam.

1Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 10 september 2015.

2Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. C.M. Casteleijns heeft gevorderd:

  • - bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;
  • - veroordeling van de verdachte tot een taakstraf van 120 uur;
  • - toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen L.B. [achternaam] en M.S. [achternaam] , vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

4Waardering van het bewijs

4.1

Standpunt verdediging


Aangevoerd is dat, hoewel vaststaat dat de verdachte de aangevers ieder één klap heeft gegeven, het nog maar de vraag is of hun zware letsel het gevolg is van het handelen van de verdachte. De verdediging stelt dat het aannemelijker is dat het zwaar lichamelijk letsel - te weten het letsel aan de rechter zijde van het hoofd/gezicht - is ingetreden als gevolg van het voorafgaande geweld tussen de aangevers zelf. Uit de verschillende getuigenverklaringen volgt immers dat de aangevers elkaar over en weer hebben geslagen, voordat de verdachte erbij kwam. Daarnaast heeft één van de aangevers verklaard dat zij met z’n tweeën op de grond zijn gevallen, althans dat de één de ander naar de grond heeft getrokken. Bovendien bevindt het zware letsel zich bij beide aangevers aan de rechterkant van het gezicht, terwijl de verdachte rechtshandig is en hij frontaal is benaderd en hij de aangevers dus aan de linkerkant van hun gezicht heeft geraakt. Hierdoor dient voor zowel feit 1 als feit 2 vrijspraak te volgen voor het ten laste gelegde zwaar lichamelijk letsel.

4.2

Beoordeling


De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

In de nacht van zaterdag 10 mei 2014 op zondag 11 mei 2014, passeerden de verdachte en zijn vriend, [naam vriend] , de twee aangevers; de broers L.B. [achternaam] en M.S. [achternaam] , op de [adres 2] te [plaats 2] .

De aangevers hadden op dat moment ruzie met elkaar.

De verdachte heeft de aangevers aangesproken. Vervolgens is aangever L.B. [achternaam] (gekleed in een donkerblauwe jas) op de verdachte afgelopen, heeft hij de verdachte bij zijn jas vastgepakt en maakte hij een beweging alsof hij de verdachte wilde gaan slaan. De verdachte heeft deze klap niet afgewacht en heeft L.B. [achternaam] een vuistslag gegeven. L.B. [achternaam] is hierdoor op de grond gevallen en is kort buiten bewustzijn geraakt.

Vervolgens is aangever M.S. [achternaam] (gekleed in een lichtblauwe jas) met zijn handen naar voren op de verdachte afgelopen en heeft de verdachte ook hem één vuistslag gegeven. M.S. [achternaam] is op de grond gevallen en in elkaar gezakt. Hij is langere tijd buiten bewustzijn geweest en maakte daarbij een snurkend geluid.

De verdachte en [naam vriend] hebben aangever M.S. [achternaam] vervolgens in een stabiele zijligging gelegd. Kort daarna arriveerde de politie.

De twee aangevers zijn vervolgens naar het ziekenhuis gebracht.

4.2.1

Causaliteit

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat het bij de beide aangevers ontstane zwaar lichamelijk letsel waarschijnlijk is ontstaan doordat zij daarvoor met elkaar gevochten hadden. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.


Ten aanzien van L.B. [achternaam] (feit 1)

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij L.B. [achternaam] , toen deze op hem af kwam, zo hard mogelijk van zich af heeft geslagen waardoor deze naar achteren viel en vervolgens zittend op de grond terecht kwam. Getuige [naam vriend] heeft verklaard dat L.B. [achternaam] na deze klap een rood linkeroog had en even buiten bewustzijn is geweest. [naam vriend] had voor het incident geen letsel bij het slachtoffer waargenomen. Volgens de door de FARR opgestelde letselbeschrijving heeft de aangever breuken in zijn rechteroogkas, rechterkaak en rechterjukbeen.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de omstandigheid dat L.B. [achternaam] na de "zo hard mogelijke” klap van verdachte naar achter is gevallen en op de grond terecht is gekomen, hij even buiten bewustzijn is geweest en het feit dat getuige [naam vriend] heeft verklaard dat hij voorafgaand aan het incident geen letsel heeft waargenomen, voldoende is komen vast te staan dat het bij L.B. [achternaam] geconstateerde letsel is veroorzaakt door de klap van de verdachte. De rechtbank acht in dit verband niet relevant of het letsel bij L.B. [achternaam] al dan niet direct is veroorzaakt door de vuistslag of dat dit is veroorzaakt door het vallen op de grond. In beide gevallen is het ontstane letsel immers toerekenbaar aan de verdachte.




Ten aanzien van M.S. [achternaam] (feit 2)

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij M.S. [achternaam] eveneens zo hard mogelijk van zich af heeft geslagen door hem een vuistslag tegen het hoofd te geven. M.S. [achternaam] viel hierdoor als een plank achterover en heeft daarbij volgens de verdachte waarschijnlijk met zijn hoofd de grond geraakt. M.S. [achternaam] is na de klap geruime tijd buiten bewustzijn geweest.

Het bij M.S. [achternaam] volgens de FARR vastgestelde letsel betreft (onder meer): een bloeduitstorting op het achterhoofd, een breuk in de schedel en bloedingen tussen het hersenvlies en de schedel alsmede twee kneuzingen van de hersenen.

De rechtbank is van oordeel dat dit letsel past bij een harde klap op het hoofd dan wel een harde val met het hoofd op de grond, zoals door de verdachte omschreven. Ook hier geldt dat in beide gevallen het hierdoor ontstane letsel aan de verdachte worden toegerekend.


4.2.2

Zwaar lichamelijk letsel De rechtbank kwalificeert het bij L.B. [achternaam] en M.S. [achternaam] ontstane letsel als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 Wetboek van Strafrecht. De door de FARR opgemaakte letselbeschrijvingen bieden hier voor beiden, gezien de aard van de letsels en het langdurige herstelproces, voldoende aanleiding voor.


4.3

Conclusie


De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte L.B. [achternaam] en M.S. [achternaam] heeft mishandeld als gevolg waarvan zij zwaar lichamelijk letsel hebben bekomen.

4.4

Bewezenverklaring


In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:


1.


hij op 11 mei 2014, te [plaats 2] , gemeente [gemeente] , opzettelijk mishandelend een persoon (te weten L.B. [achternaam] ), in het gezicht heeft gestompt, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (gezichtsbreuken (oogkaswand en bovenkaak en jukbeen) heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;


2.


hij op 11 mei 2014 te [plaats 2] , gemeente [gemeente] , opzettelijk mishandelend een persoon (te weten M.S. [achternaam] ), tegen het hoofd heeft gestompt, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (bloedingen tussen hersenvlies en schedel en bloed onder spinnenwebvlies en schedelbreuk en jukbeenbreuk en hersenkneuzingen) heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;


Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:


1mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;


2mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.


Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.


De feiten zijn dus strafbaar.

6Strafbaarheid verdachte

6.1.

Standpunt verdediging


De verdachte heeft zo moeten handelen om zichzelf te beschermen. Hij was genoodzaakt zich ter bescherming van zijn lijf of leden te verdedigen tegen de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door de aangevers. Daartoe heeft hij proportioneel geweld gebruikt door elk van de aangevers één klap te geven.

6.2.

Beoordeling


6.2.1

Vaststelling van de feiten en juridisch kader

De verdachte en de getuige [naam vriend] hebben verklaard dat L.B. [achternaam] op de verdachte is afgelopen, hem bij zijn jas heeft vastgepakt en een beweging heeft gemaakt alsof hij de verdachte wilde gaan slaan. Hierop heeft de verdachte L.B. [achternaam] eerst geslagen.

Meteen nadat L.B. [achternaam] was geslagen, kwam M. S. [achternaam] met zijn handen naar voren op de verdachte aflopen, waardoor verdachte dacht dat hij hem ook wilde aanvallen. De verdachte heeft ook hem toen een vuistslag gegeven.


De aangevers kunnen zich ter zake van de confrontatie met de verdachte niets herinneren. Er zijn behoudens de getuige [naam vriend] en de verdachte geen andere verklaringen hieromtrent afgelegd. Uitgaande van de door de verdachte en getuige [naam vriend] gegeven lezing van de feiten was sprake van een dreiging van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van lijf en leden van de verdachte door achtereenvolgens L.B. [achternaam] en M.S. [achternaam] . De vraag is vervolgens of de verdachte zich hier noodzakelijkerwijs tegen moest verdedigen (subsidiariteitseis) en of de wijze waarop hij dat gedaan heeft gepast is (proportionaliteitseis). Alleen als aan die beide voorwaarden is voldaan, kan de verdachte een geslaagd beroep op noodweer doen.


6.2.2

Ten aanzien van L.B. [achternaam] (feit 1)

De rechtbank leidt uit de verklaring van de verdachte af dat hij de klap van L.B. [achternaam] niet heeft afgewacht maar L.B. [achternaam] direct een vuistslag heeft gegeven.

De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke reactie van de verdachte in de gegeven situatie niet noodzakelijk was. De verdachte had kunnen wegrennen op het moment dat L.B. [achternaam] op hem af kwam lopen en zelfs toen die hem vervolgens bij zijn jas pakte en zijn vuist ophief, had de verdachte zich nog kunnen losrukken en weggaan om zich zodanig aan de situatie te onttrekken. In de gegeven situatie is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet voldaan aan het subsidiariteitsvereiste waardoor het beroep op noodweer faalt.


6.2.3

Ten aanzien van M.S. [achternaam] (feit 2)

De rechtbank stelt vast dat het moment dat M.S. [achternaam] op de verdachte afkwam, direct gevolgd is na de vuistslag tegen het gezicht van L.B. [achternaam] . De verdachte kon, naar het oordeel van de rechtbank, in de gegeven situatie niet anders dan zich verweren tegen het dreigend gevaar van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding door M.S. [achternaam] . Hiermee is aan het subsidiariteitsvereiste voldaan. De rechtbank is echter van oordeel dat de verdachte zich, met het geven van een kennelijk zeer harde vuistslag, te heftig en derhalve niet op gepaste wijze heeft verdedigd. In dit verband is van belang dat de verdachte de gevolgen van zijn eerste vuistslag al had kunnen zien, zodat hij kon weten welk effect die teweeg kon brengen. De verdachte volgde, zo blijkt uit zijn verklaring, bokstrainingen, waardoor hij nog meer dan een ander inzicht had moeten hebben in zijn kracht en de gevolgen die het kan hebben als hij - zoals hij zelf heeft verklaard - op zijn hardst met zijn vuist van zich afslaat. De verdachte heeft dan ook door het geven van een zeer harde vuistslag tegen het hoofd van de aangever niet proportioneel gereageerd op de aanval van de aangever. Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen. Dat bij de verdachte sprake was van een hevige gemoedstoestand, die door de dreigende aanranding werd veroorzaakt, is gesteld noch gebleken, zodat hem ook geen geslaagd beroep toekomt op noodweer-exces.

6.3.

Conclusie


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.


De verdachte is dus strafbaar.

7Motivering straf

7.1.

Algemene overweging


De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.


De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee gevallen van mishandeling, met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. Hij heeft beide slachtoffers een harde vuistslag op het hoofd gegeven, waardoor zij beide pijn hebben ondervonden en ernstig hoofdletsel hebben opgelopen. Dit zijn ernstige feiten. De verdachte heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers.


Het is algemeen bekend dat gebeurtenissen als deze grote emotionele impact hebben op de slachtoffers. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke misdrijven hiervan nog langdurig nadelige gevolgen kunnen ondervinden. Uit de toelichtingen die de slachtoffers bij hun vorderingen als benadeelde partij hebben ingediend blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is.


Op dergelijke feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een forse taakstraf.

7.2.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.2.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 augustus 2015, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.2.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 23 december 2014. Dit rapport houdt in de kern het volgende in. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag. Er zijn geen eerdere geweldsdelicten bekend van de verdachte en hij toont spijt ten aanzien van het gebeurde. Ook zijn er geen problemen op één of meerdere leefgebieden geconstateerd die kunnen leiden tot recidive van het delict. Geadviseerd wordt een werkstraf op te leggen. Hierbij worden geen bijzondere voorwaarden geadviseerd.

7.2.3.

Mediationtraject

De verdachte heeft meegewerkt aan een mediationtraject en dit traject is naar tevredenheid van alle partijen afgesloten. De verdachte heeft tijdens dit traject ten overstaan van de slachtoffers zijn spijt betuigd over het gebeurde.

7.3.

Conclusies van de rechtbank

Bij het bepalen van de strafmaat neemt de rechtbank in het voordeel van de verdachte mee dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit, heeft meegewerkt aan een mediationtraject en veel spijt heeft van wat er is gebeurd en erg geschrokken is van de gevolgen. De rechtbank is overtuigd van de oprechtheid van de verdachte en acht, in navolging van de conclusies van de reclassering, de kans op herhaling klein. Ook neemt de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat mee dat de verdachte de aangevers heeft aangesproken, omdat hij de ruzie tussen beiden wilde stoppen. De verdachte heeft zich derhalve in eerste instantie met goede intenties met de ruzie tussen de aangevers bemoeid.


Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusie.


De rechtbank zal een taakstraf van na te noemen duur opleggen. Gelet op de hiervoor genoemde strafverminderende omstandigheden ziet de rechtbank daarbij aanleiding af te wijken van de door de officier van justitie gevorderde straf. Gelet op de conclusie in het reclasseringsrapport ziet de rechtbank geen aanleiding om in het kader van een voorwaardelijk strafdeel reclasseringscontact op te leggen.


Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

8Vorderingen benadeelde partijen / schadevergoedingsmaatregelen

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: L.B. [achternaam] , wonende te [plaats 3] , ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.020,26 aan materiële schade en een bedrag van € 2.750,- aan immateriële schade.


Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: M.S. [achternaam] , wonende te [plaats 4] , ter zake van het onder 2 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.174,22 aan materiële schade en een bedrag van € 4.250,- aan immateriële schade.


Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partijen door de onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks schade is toegebracht, de geclaimde schadebedragen genoegzaam zijn onderbouwd en de verdachte de vorderingen niet heeft betwist, zullen deze worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het schade toebrengende feit.


Nu de vorderingen van de benadeelde partijen zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.


Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57 en 300 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht.

10Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11Beslissing

De rechtbank:


verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;


verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;


stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;


verklaart de verdachte strafbaar;


veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;


beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen;


wijst de vordering van de benadeelde partij L.B. [achternaam] , wonende te [plaats 3] toe tot een bedrag van € 3.770,26, bestaande uit € 1.020,26 aan materiële schade en € 2.750,- aan immateriële schade, en veroordeelt de veroordeelde dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 11 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;


veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;


legt aan de veroordeelde de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 3.770,26 en beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 47 (zevenenveertig) dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.


wijst de vordering van de benadeelde partij M.S. [achternaam] , wonende te [plaats 4] toe tot een bedrag van € 5.424,22, bestaande uit € 1.174,22 aan materiële schade en € 4.250,- aan immateriële schade, en veroordeelt de veroordeelde dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 11 mei 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening;


veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;


legt aan de veroordeelde de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 5.424,22 en beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 5.424,22 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 62 (tweeënzestig) dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.



Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.I. Mentink, voorzitter,

en mrs. B.E. Dijkers en A. van Luijck, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.M.J. Bos, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.


De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.


Bijlage I


Tekst tenlastelegging


Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat


1.


hij op of omstreeks 11 mei 2014, te [plaats 2] , gemeente [gemeente] , opzettelijk mishandelend een persoon (te weten L.B. [achternaam] ), tegen het hoofd en/of in het gezicht heeft geslagen en/of gestompt, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel ((een) gezichtsbreuk(en) (oogkaswand en/of bovenkaak en/of jukbeen)), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;


art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht



2.


hij op of omstreeks 11 mei 2014 te [plaats 2] , gemeente [gemeente] , opzettelijk mishandelend een persoon (te weten M.S. [achternaam] ), tegen het hoofd en/of in het gezicht heeft geslagen en/of gestompt, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel ((een) bloeding(en) tussen hersenvlies en schedel en/of bloed onder spinnenwebvlies en/of schedelbreuk en/of jukbeenbreuk en/of hersenkneuzing(en)), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;


art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht