Rechtbank Rotterdam, 11-02-2015 / 14/65


ECLI:NL:RBROT:2015:849

Inhoudsindicatie
dagloon, loon binnen de referteperiodenog niet vorderbaar
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-02-11
Publicatiedatum
2015-02-12
Zaaknummer
14/65
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3


zaaknummer: ROT 14/65


uitspraak van de meervoudige kamer van 11 februari 2015 in de zaak tussen

[eiser], te Rotterdam, eiser,


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: D. Meijers.



Procesverloop


Bij besluit van 1 juli 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser met ingang van

21 januari 2013 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Het dagloon is hierbij vastgesteld op € 139,40.


Bij besluit van 22 november 2013 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het dagloon met ingang van 21 januari 2013 vastgesteld op

€ 128,18.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Bij besluit van 3 april 2014 (bestreden besluit II) heeft verweerder het bestreden besluit I gewijzigd in die zin dat het dagloon is vastgesteld op € 131,98.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2015. Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Overwegingen


1.1.

Eiser is op 21 augustus 2012 op staande voet ontslagen door [werkgever]Met ingang van 19 november 2012 is eiser gaan werken bij [werkgever 2] waar hij aan het einde van zijn proeftijd (per 21 januari 2013) is ontslagen. Op 24 januari 2013 heeft eiser een aanvraag voor een WW-uitkering ingediend.


1.2.

Verweerder heeft bij besluit van 31 januari 2013 de aanvraag afgewezen, omdat eiser vanaf 21 augustus 2012 niet in 36 weken ten minste 26 weken heeft gewerkt. Bij beslissing op bezwaar van 8 mei 2013 heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar van eiser ongegrond verklaard.


1.3.

Op 25 juni 2013 heeft eiser wederom een WW-uitkering aangevraagd. Eiser heeft hierbij een op 1 juli 2013 ondertekende vaststellingsovereenkomst overgelegd tussen hem en Stichting Aafje Thuiszorg Huizen Zorghotels, waaruit blijkt dat het dienstverband per 11 oktober 2012 is beëindigd.


1.4

Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit en het bestreden besluit I genomen. In het bestreden besluit I stelt verweerder zich op het standpunt dat het naar aanleiding van de vaststellingsovereenkomst nabetaalde loon buiten de berekening van het dagloon blijft, omdat dit loon pas na afloop van het refertejaar vorderbaar is geworden. Verder constateert verweerder dat de maand december 2011 ten onrechte is meegenomen in de dagloonberekening en dat het dagloon daardoor ten onrechte is vastgesteld op € 139,40 en niet op € 128,18. Verweerder heeft deze fout niet met terugwerkende kracht maar per toekomende datum 20 januari 2014 gecorrigeerd, zodat eiser zich op deze correctie kan instellen.


1.5.

Bij het bestreden besluit II heeft verweerder het bestreden besluit I gewijzigd in die zin dat het dagloon wordt verhoogd tot € 131,98.


2. Het onderhavige beroep van eiser is met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht mede gericht tegen het bestreden besluit II. Eiser heeft tegen het bestreden besluit II geen (nadere) gronden ingediend, noch het beroep ingetrokken. De rechtbank zal de beroepsgronden van eiser daarom uitsluitend beoordelen voor zover deze kunnen worden geacht betrekking te hebben op het aldus gewijzigde besluit.


3.1.

Eiser stelt zich op het standpunt dat de ingangsdatum van zijn WW-uitkering niet 21 januari 2013 is maar 11 oktober 2012 moet zijn.


3.2.

De rechtbank kan dit standpunt van eiser niet volgen, nu niet is gebleken dat eiser een aanvraag per 11 oktober 2012 heeft ingediend. Gelet hierop heeft verweerder de aanvraag van eiser van 25 juni 2013 terecht als een herhaling van de aanvraag van 24 januari 2014 aangemerkt en de referteperiode vastgesteld op 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012.


4. Voor zover eiser betoogt dat het loon dat aan hem is uitbetaald naar aanleiding van de vaststellingsovereenkomst meegenomen dient te worden in de berekening van het dagloon overweegt de rechtbank dat verweerder het dagloon in beginsel mag vaststellen aan de hand van de gegevens die de werkgever aan de Belastingdienst heeft opgegeven. Deze gegevens kan verweerder raadplegen via Suwinet. De vaststellingsovereenkomst is pas op 1 juli 2013, dus na afloop van de referteperiode tot stand gekomen, zodat dit loon in de referteperiode nog niet vorderbaar was. Dit loon is ook pas na de vaststellingsovereenkomst en derhalve na afloop van de referteperiode feitelijk nabetaald. Verweerder heeft dit loon dan ook terecht in de berekening van het dagloon buiten beschouwing gelaten.


5. Gelet op het vorenstaande dient het beroep van eiser ongegrond te worden verklaard.


6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.Beslissing


De rechtbank:


verklaart het beroep ongegrond;


Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzitter, en mr. R.H.L. Dallinga en mr. A Pahladsingh, leden, in aanwezigheid van mr. H. van der Waal-de Vries, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2015.






griffier voorzitter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep