Rechtbank Rotterdam, 02-09-2015 / 482509 / HA RK 15-675


ECLI:NL:RBROT:2015:8663

Inhoudsindicatie
Wrakingsverzoek afgewezen. Vooropgesteld wordt dat bij het beoordelen van het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf (mvv) een ander toetsingskader gehanteerd wordt dan bij het beoordelen van de klacht tegen de dwangbehandeling. Het gegeven van deze twee verschillende toetsingskaders brengt mee dat in beginsel geen sprake is van een situatie waarbij de rechter in haar uitspraak in de beschikking tot het verlenen van een mvv reeds is vooruitgelopen op het oordeel ten aanzien van een dwangbehandeling. In het algemeen geldt dat de omstandigheid dat een rechter eerder een uitspraak heeft gedaan waarmee degene die de wraking verzoekt het niet eens is, niet een omstandigheid is die er op wijst dat de onpartijdigheid van de rechter schade zou kunnen lijden. Dat klemt in dit geval te meer nu de rechter, zoals zij heeft gesteld, in de beschikking tot het verlenen van de mvv niet heeft meegewogen het voornemen van de behandelend arts om dwangbehandeling te starten. Verder acht de wrakingskamer in dit verband van belang dat bij de behandeling van de klacht van verzoeker tegen de dwangbehandeling de vraag naar het al dan niet aanwezig zijn van een stoornis bij verzoeker op basis van nieuwe feiten en omstandigheden opnieuw beoordeeld kan worden. Er is geen reden om aan te nemen dat de rechter daarover dan niet meer objectief kan oordelen, enkel omdat zij eerder een mvv voor verzoeker heeft verleend.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-09-02
Publicatiedatum
2015-11-26
Zaaknummer
482509 / HA RK 15-675
Procedure
Wraking
Rechtsgebied
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken


Zaaknummer / rekestnummer: 10/482509 / HA RK 15-675


Beslissing van 2 september 2015


op het verzoek van


[naam verzoeker],

thans verblijvende in [naam instelling] te [plaats],

verzoeker,

advocaat mr. L.A. Middelkoop,


strekkende tot wraking van:

mr. B. Oonincx, rechter in de rechtbank Rotterdam, afdeling privaatrecht, team familie I (hierna: de rechter).



1Het procesverloop en de processtukken


Op 30 april 2015 heeft de rechter verzoeker in [naam instelling] gehoord en vervolgens een beschikking gewezen, inhoudende de verlening van de machtiging tot voortgezet verblijf (hierna: mvv) van verzoeker in een psychiatrisch ziekenhuis tot 11 april 2016.

Die procedure draagt als kenmerk 482047.


Op 31 juli 2015 heeft verzoeker zich met zijn verzoekschrift tot de rechtbank gewend, inhoudende het verzoek zijn klacht, welke klacht zich richt tegen het door [naam instelling] genomen besluit van 21 mei 2015 tot dwangbehandeling van verzoeker, gegrond te verklaren opdat de onrechtmatigheid van de dwangbehandeling zou komen vast te staan en de rechtsgevolgen zouden worden vernietigd.


Op 3 augustus 2015 heeft de rechtbank kenbaar gemaakt dat de klacht tegen de dwangbehandeling op 10 augustus 2015 zou worden behandeld door een meervoudige kamer, in welke kamer onder meer de rechter zitting zou nemen.


Op 4 augustus 2015 heeft de raadsvrouw van verzoeker de klacht tegen de dwangbehandeling aangevuld met het bij de Hoge Raad ingediende cassatiemiddel tegen de beslissing tot verlening van de mvv.


Op 5 augustus 2015 heeft de raadsvrouw van verzoeker de rechter verzocht zich te verschonen voor de zitting van 10 augustus 2015.


Bij schrijven van 7 augustus 2015 heeft de rechter aan de raadsvrouw van verzoeker te kennen gegeven dat zij in de inhoud van het schrijven van de raadsvrouw geen reden zag zich te verschonen.


Ter zitting van 10 augustus 2015 is door de meervoudige kamer van deze rechtbank, van welke kamer de rechter deel uitmaakt, een aanvang gemaakt met de behandeling van de klacht van verzoeker tegen de voorgenomen dwangbehandeling.

Bij gelegenheid van deze behandeling heeft de raadsvrouw van verzoeker de wraking van de rechter verzocht.


Verzoeker alsmede de rechter zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 14 augustus 2015.


Ter zitting van 19 augustus 2015, waar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn verschenen de raadsvrouw van verzoeker mr. L.A. Middelkoop en de rechter. De raadsvrouw van verzoeker heeft het standpunt van verzoeker nader toegelicht.



2Het verzoek en het verweer daartegen


2.1.

De gemachtigde van verzoeker heeft (beknopt weergegeven) het volgende aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd.

De rechter heeft op 30 april 2015 de beschikking inzake de mvv afgegeven. In algemene zin geldt niet dat de rechter die deze machtiging afgeeft geen deel moet uitmaken van de meervoudige kamer die beslist over een klacht met betrekking tot de dwangbehandeling, maar in dit specifieke geval geldt dat wel. De mvv is afgegeven op dezelfde gronden als waarop thans dwangbehandeling is aangezegd. Bij de behandeling van genoemd verzoek om een mvv is door de arts ter zitting gezegd dat de machtiging gebruikt zal worden om dwangbehandeling met antipsychotica te starten. Om die reden is in deze zaak de beoordeling van de mvv nauw verweven met de beoordeling van het bezwaar van verzoeker tegen de dwangbehandeling.

Bij mijn cliënt zou er sprake zijn van een psychose, vanuit welke psychose sprake zou zijn van psychotische achterdocht op basis waarvan hij zich niet zou willen laten behandelen voor zijn longklachten. Op grond van dat gevaarcriterium is de mvv afgegeven. Die mvv is echter ook het toegangskaartje voor de dwangbehandeling.

De arts wil mijn cliënt gaan behandelen met antipsychotica. De verwachting van de arts is dat de verdachte door die medicatie meer bereidheid en minder achterdocht jegens zijn somatische arts zal hebben. Dit is ter zitting besproken zodat ter zitting duidelijk geworden is waar de arts de mvv voor wilde gaan gebruiken. De mvv is dus in feite aangevraagd om de dwangbehandeling te kunnen starten. De hiermee gepaard gaande vrijheidsberoving van mijn cliënt, is op de koop toe genomen.

In het proces-verbaal van de zitting van 30 april 2015 is neergelegd dat er ter zitting gesproken is over de dwangbehandeling. De arts heeft gezegd dat hij de mvv wilde hebben omdat hij de dwangbehandeling van mijn cliënt wilde starten omdat er geen wijziging was opgetreden in het beeld dat van cliënt bestond.

De mvv en de dwangbehandeling hebben dezelfde grond. Als de dwangbehandeling niet zou zijn toegekend, zou de grond van opname aan de opname ontvallen en zou ik kunnen verzoeken om het ontslag van mijn cliënt. Zo nauw is de samenhang. Ik acht de rechter dan ook niet vrij om ten aanzien van het ingediende verzoekschrift tegen de beslissing tot dwangbehandeling te beslissen.

Ik heb naderhand informatie ontvangen, namelijk de verslagen van het verplegend personeel dat geen psychotische kenmerken ziet bij mijn cliënt. Uit de stukken van de huisarts blijkt dat mijn cliënt zich niet aan een somatische behandeling onttrekt.

Mijn cliënt moet het gevoel hebben dat zijn zaak door een onafhankelijk college wordt beoordeeld. Het gaat om de dwangbehandeling van mijn cliënt, dit is een vergaande maatregel. Mijn cliënt stelt nu dat het verzoekschrift inhoudende de klacht tegen de dwangbehandeling beoordeeld zal gaan worden door een rechter die eerder heeft geoordeeld dat hij psychotisch is en een gevaar is voor zichzelf.

In de beoordeling moet volgens vaste jurisprudentie de doelmatigheid van de opname meegenomen worden.


2.2.

De rechter heeft niet in de wraking berust. Er is volgens haar geen sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking kan opleveren. Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – door de rechter het volgende aangevoerd:

Anders dan verzoeker meent, is bij beschikking van 30 april 2015 de mvv niet afgegeven op de gronden waarop thans door de instelling dwangbehandeling is aangezegd. Een verzoek tot afgifte van de mvv wordt getoetst aan de daarvoor geldende wettelijke criteria. Zoals blijkt uit de beschikking van 30 april 2015 heb ik (enkel) aan die criteria getoetst en ben ik enkel op grond van die criteria tot afgifte van de machtiging overgegaan. Over de noodzaak van dwangbehandeling heb ik me niet uitgelaten. Ik heb wel overwogen dat verzoeker lijdende is aan een stoornis.

Ik was op 30 april 2015 bevoegd noch gehouden te toetsen of dwangbehandeling al dan niet de rechterlijke toets zou doorstaan. Het te beoordelen verzoek zag op de externe rechtspositie van verzoeker, waarmee wordt gedoeld op de verschillende manieren waarop iemand tegen zijn wil kan worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. De rechter beslist over de gedwongen opname van een betrokkene, niet over zijn behandeling.

In zijn algemeenheid geldt dat bij een beslissing omtrent de termijn van een af te geven machtiging tot gedwongen opname beoordeeld wordt wat de verwachte termijn is waarbinnen het gevaar, dat verzoeker vormt, zal zijn geweken. Het is bij de beoordeling van de duur van een af te geven machtiging gebruikelijk dat de rechter zich daarover laat voorlichten door de deskundige, zijnde de behandelaar. Uit hetgeen de behandelaar uiteen heeft gezet, heb ik, zoals blijkt uit de beschikking, enkel de conclusie getrokken dat onduidelijk was binnen welke termijn het gevaar, voortkomend uit de stoornis van verzoeker, zou zijn geweken. Ik heb me niet uitgelaten over de noodzaak van dwangbehandeling.

Ik ben me ervan bewust dat de onpartijdigheid van een rechter ter discussie kan komen te staan vanwege eerdere bemoeienis met een bepaalde zaak of betrokkene. Deze omstandigheid levert echter onvoldoende grond voor wraking op. Ik ben van mening dat geen sprake is van (bijzondere) omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat ik in de onderhavige zaak partijdig of bevooroordeeld ben of zou zijn. De uiteengezette beoordelingskaders en het toepassingsbereik van de betreffende procedures zijn zo verschillend dat een rechter beide verzoeken kan behandelen.


Het feit dat de behandelend arts de dwangbehandeling wilde gaan starten en dat dit ter zitting van 30 april 2015 besproken is, maakt de onderhavige zaak niet anders dan andere zaken. Het heeft geen rol gespeeld bij de beslissing tot het verlenen van de mvv. Het komt vaker voor dat een patiënt bezwaar maakt tegen de dwangbehandeling en dat dit bezwaar vervolgens beoordeeld wordt door de rechter die eerder de mvv heeft verleend.

Voor het verlenen van een mvv en het beoordelen van een verzoekschrift tegen een dwangbehandeling gelden andere toetsingskaders. Indien bij de behandeling ter zitting van een verzoekschrift tegen de dwangbehandeling nieuwe feiten en omstandigheden worden aangevoerd, kan de rechtbank die nieuwe feiten en omstandigheden meenemen in de beslissing op het verzoekschrift.

Uitgangspunt is de eerdere beschikking, echter als er nieuwe feiten en omstandigheden zijn, wordt niet aan het oordeel in die eerdere beschikking vastgehouden.

Als er op de zitting van 10 augustus 2015 nieuwe feiten en omstandigheden zouden zijn aangevoerd, zou ik niet weten waarom ik daar niet onpartijdig tegenover had kunnen staan.



3De beoordeling


3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.


3.2

Aan de namens verzoeker aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter door zijn persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is. Ook overigens is voor zodanig oordeel bij het onderzoek ter terechtzitting geen houvast gevonden.


3.3

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoeker van belang, maar is deze niet doorslaggevend.


3.4

De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.

De wrakingskamer stelt voorop dat bij het beoordelen van het verzoek tot het verlenen van een mvv een ander toetsingskader gehanteerd wordt dan bij het beoordelen van de klacht tegen de dwangbehandeling. Immers voor de vraag of een mvv moet worden verleend is nodig dat naar het oordeel van de rechter

- betrokkene is gestoord in de geestvermogens als bedoeld in de wet BOPZ;

- de stoornis ook na verloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging aanwezig zal zijn;

- de stoornis betrokkene na dat verloop het gevaar zal doen veroorzaken;

- het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten het psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend.


De toelaatbaarheid van de dwangbehandeling is echter afhankelijk van het antwoord op de vraag of aannemelijk is dat zonder die behandeling het gevaar dat de stoornis van de geestvermogens betrokkene doet veroorzaken niet binnen een redelijke termijn kan worden weggenomen, of voor zover dit volstrekt noodzakelijk is om het gevaar dat de stoornis van de geestvermogens betrokkene binnen de inrichting doet veroorzaken, af te wenden.


Het gegeven van deze twee verschillende toetsingskaders brengt mee dat in beginsel geen sprake is van een situatie waarbij de rechter in haar uitspraak in de beschikking tot het verlenen van een mvv reeds is vooruitgelopen op het oordeel ten aanzien van een dwangbehandeling.


In het algemeen geldt dat de omstandigheid dat een rechter eerder een uitspraak heeft gedaan waarmee degene die de wraking verzoekt het niet eens is, niet een omstandigheid is die er op wijst dat de onpartijdigheid van de rechter schade zou kunnen lijden. Dat klemt in dit geval te meer nu de rechter, zoals zij heeft gesteld, in de beschikking tot het verlenen van de mvv niet heeft meegewogen het voornemen van de behandelend arts om dwangbehandeling te starten. Verder acht de wrakingskamer in dit verband van belang dat bij de behandeling van de klacht van verzoeker tegen de dwangbehandeling de vraag naar het al dan niet aanwezig zijn van een stoornis bij verzoeker op basis van nieuwe feiten en omstandigheden opnieuw beoordeeld kan worden. Er is geen reden om aan te nemen dat de rechter daarover dan niet meer objectief kan oordelen, enkel omdat zij eerder een mvv voor verzoeker heeft verleend. Ook het gegeven dat de behandelend arts op 30 april 2015 heeft verklaard dat hij voornemens is om een dwangbehandeling te starten, maakt niet dat het de rechter niet meer vrij staat om daarover op onpartijdige wijze te beslissen, nu dat voornemen volgens de rechter bij haar beslissing tot verlening van een mvv geen rol heeft gespeeld en niet van omstandigheden is gebleken op grond waarvan daaraan zou moeten worden getwijfeld.


In dit licht bezien, geeft hetgeen namens verzoeker naar voren is gebracht geen aanleiding om aan te nemen, dat er zich omstandigheden hebben voorgedaan die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koesterde, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees, objectief gerechtvaardigd was.


3.5

Het verzoek is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.



4De beslissing


wijst af het verzoek tot wraking van mr. B. Oonincx.


Deze beslissing is gegeven door mr. P.H. Veling, voorzitter, mr. W.M.P.M. Weerdesteijn en mr. M.G.L. de Vette, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2015 in tegenwoordigheid van mr. S.A. Commandeur, griffier.







Verzonden op:

aan:

- [naam verzoeker]

- mr. B. Oonincx

- mr. L.A. Middelkoop

- [naam]; geneesheer-directeur van [naam instelling]

- [naam]; DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V.