Rechtbank Rotterdam, 01-12-2015 / 10/690041-15


ECLI:NL:RBROT:2015:8785

Inhoudsindicatie
Doodslag. Gevangenisstraf 10 jaar. Betrouwbaarheid getuigenverklaringen. NFI-rapport.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-12-01
Publicatiedatum
2015-12-01
Zaaknummer
10/690041-15
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team straf 1


Parketnummer: 10/690041-15

Datum uitspraak: 1 december 2015

Tegenspraak


Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:


[verdachte],

geboren te [land] op [1987],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres], ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats], locatie [locatie],

raadsvrouw mr. P.H. Ruys, advocaat te Rotterdam.

1Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 17 november 2015.

2Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E. Baars heeft gevorderd:

  • - vrijspraak van de impliciet primair tenlastegelegde moord;
  • - bewezenverklaring van de impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag;
  • - veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar met aftrek van voorarrest.

4Waardering van het bewijs

4.1.

Partiële vrijspraak primair tenlastegelegde moord

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “met voorbedachten rade” moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of op het genomen besluit om het slachtoffer van het leven te beroven en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat de verdachte de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en om zich daarvan rekenschap te geven.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat op basis van de behandeling ter terechtzitting en het dossier onvoldoende wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte met bedoelde voorbedachte rade heeft gehandeld, zodat de verdachte van de impliciet primair tenlastegelegde moord zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering

4.2.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken bij gebreke van wettig en overtuigend bewijs. De verdachte ontkent het tenlastegelegde feit en er is geen direct bewijs waaruit blijkt dat het de verdachte is geweest die op 3 februari 2015 het slachtoffer heeft doodgeschoten. Er zijn immers geen camerabeelden en geen getuigen die verklaren dat zij hebben gezien dat de verdachte het slachtoffer heeft doorgeschoten. De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben voorts op de bewuste avond geen vuurwapen gezien bij de verdachte en de ooggetuigen hebben ook geen vuurwapen waargenomen bij de man die zij naar de auto zagen rennen. De getuigenverklaringen bevatten bovendien tegenstrijdigheden en de verklaringen van de getuigen [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 2] zijn zelfs op onderdelen onbetrouwbaar en kunnen in zoverre niet tot het bewijs worden gebezigd.

Daarnaast geldt dat de verdachte niet als enige in de [personenauto] reed en uit de NFI-rapportage blijkt het tijdstip, de plaats en de bron van de secundaire overdracht van de schotsporen niet. De uitspraak van de deskundige dat er sprake is van een extra zeldzaam element bij de schotresten in de [personenauto], de hulzen en de jas van het slachtoffer mist wetenschappelijke onderbouwing en kan dus niet tot bewijs dienen.

4.2.2.

Beoordeling

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.


Bij de meldkamer van de politie Rotterdam zijn op 3 februari 2015 omstreeks 23.56 uur meerdere meldingen binnengekomen, inhoudende dat de melders een drietal schoten hoorden in de [naam straat 1] waarna zij een man zagen instappen in een rode personenauto die stond op de kruising van de [naam straat 1] en de [naam straat 2]. De auto reed vervolgens hard weg over de [naam straat 2] en reed richting de [naam straat 3]. Kort hierop waren politieambtenaren ter plaatse. Zij troffen in de voortuin van een woning gelegen aan de [naam straat 4] [huisnummer] een slachtoffer aan met een schotwond in het lichaam. Op de [naam straat 1] troffen zij twee hulzen aan. Het slachtoffer is vervoerd naar het ziekenhuis alwaar hij op 4 februari om 01.08 uur is overleden. Blijkens sectie door de patholoog is het slachtoffer overleden ten gevolge van een doorschot door de rug en borst. Het slachtoffer bleek [slachtoffer] te zijn.


De vraag die de rechtbank moet beoordelen, is of de verdachte degene is geweest die het slachtoffer heeft dood geschoten.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Blijkens de verklaringen van [getuige 1] woonde zij samen met de verdachte in zijn flatwoning aan de [naam straat 5] te [plaats]. [Getuige 1] ging in de avond van

3 februari 2015 met het slachtoffer met haar auto naar de woning van de verdachte om daar haar oorbellen op te halen. [Getuige 1] had de verdachte kort daarvoor met de telefoon van het slachtoffer ingelicht over haar komst. Bij aankomst bleef het slachtoffer in de auto achter en ging [getuige 1] naar de woning van de verdachte. [Getuige 2] deed voor [getuige 1] de portiekdeur open en de verdachte liet [getuige 1] binnen in zijn woning.

Omdat [getuige 1] volgens de verdachte ten onrechte een kussen van hem had meegenomen toen zij eerder die avond met haar spullen bij hem was vertrokken, liep [getuige 1] terug naar haar auto om dat kussen te halen. Bij terugkomst bij haar auto zag [getuige 1] dat het slachtoffer niet meer in haar auto zat. Toen [getuige 1] vervolgens met het kussen weer naar boven liep naar de woning van de verdachte zag zij de verdachte in een zwarte jas naar beneden lopen, in zijn auto (een bordeaux rode [personenauto] met kenteken [kenteken 1] (naar de rechtbank begrijpt heeft zij bedoeld kenteken [kenteken])) stappen, de autosleutels uit haar auto halen en vervolgens hard wegrijden. De verdachte sloeg met zijn auto rechtsaf richting de [naam straat 2]. [Getuige 1] hoorde minder dan een minuut daarna klappen.


De verklaringen van [getuige 1] zijn gedetailleerd en consistent en vinden bovendien steun in de historische gegevens van de telefoon van het slachtoffer, de verklaring van getuige [getuige 5] van de [naam organisatie] die, zoals [getuige 1] ook heeft verklaard, later op die avond kwam omdat zij geen sleutels van haar auto meer had, en de verklaring van [getuige 2]. [Getuige 2], verklaart immers dat er op 3 februari 2015 omstreeks 23.00-24.00 uur een meisje aanbelde bij haar woning aan de [naam straat 5] [nummer] te [plaats] die haar vroeg of zij de portiekdeur open wilde doen en met haar mee wilde lopen, dat het meisje aanbelde bij een woning ergens in het midden van de galerij, dat er werd opengedaan door een jongen, dat zij het meisje iets hoorde zeggen over oorbellen, dat het meisje op een gegeven moment weer naar buiten kwam en dat, toen zij en het meisje beneden bij de portiekdeur waren, de verdachte langs hen heen rende en met grote snelheid wegreed in een rode auto richting de [naam straat 4] en dat zij kort hierop drie knallen hoorde.

De rechtbank acht de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] geloofwaardig en betrouwbaar en zal deze dan ook voor het bewijs gebruiken.


De getuigen [getuige 6], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 7], bewoners van een flatgebouw aan de [naam straat 1] te [plaats], hebben verklaard dat zij op 3 februari 2015 vlak voor middernacht drie schoten hoorden. Zij zagen kort hierna op de [naam straat 1] en/of vanuit de richting van de [naam straat 4] een man met donker haar en een zwarte jas rennen naar een op de kruising van de [naam straat 1] met de [naam straat 2] geparkeerd staande rode personenauto met geopend bestuurdersportier. Deze man stapte als bestuurder in waarna die auto hard wegreed over de [naam straat 2] richting de [naam straat 3].

Deze verklaringen zijn ieder afzonderlijk zeer specifiek met betrekking tot de bovenstaande waarnemingen en op de belangrijke onderdelen gelijkluidend. De rechtbank acht deze verklaringen dan ook geloofwaardig en heeft geen redenen om aan de juistheid hiervan te twijfelen. Dat er enkele verschillen zijn in de verklaringen, zoals is aangevoerd door de verdediging, en dat deze waarnemingen in het donker zijn geschied, tast de kern van die verklaringen niet aan. De rechtbank acht deze verklaringen betrouwbaar en zal deze eveneens voor het bewijs gebruiken.

Blijkens camerabeelden reed op 3 februari 2015 om 23.56:06 uur een auto met hoge snelheid komend uit de richting van de [naam straat 1] richting [naam straat 6] en om 23.56:36 uur reed een bordeaux rode auto met zwarte velgen gelijkend op een [personenauto] op de [naam straat 6] komend vanuit de richting van de [naam straat 2] rijdend richting de [naam straat 7].

Dezelfde auto reed vervolgens met hoge snelheid richting [naam straat 8] en sloeg deze straat in bij een doodlopend stuk om 23.59:18 uur. Op de [naam straat 8] wonen de moeder en de broer van de verdachte. Op 5 februari 2015 werd in de [naam straat 9] te [plaats] door de politie een rode [personenauto] met kenteken [kenteken] in beslag genomen.

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij bijna dagelijks in de [personenauto] met kenteken [kenteken] rijdt. Getuige [getuige 8] heeft verklaard dat de verdachte altijd reed in de rode [personenauto] en dat niemand anders en zelfs zijn broer hierin niet mocht rijden.

Getuige [getuige 9], collega van de verdachte bij de [werk van de verdachte], heeft verklaard dat de verdachte altijd met een bordeauxrode auto met zwarte velgen op zijn werk kwam, ook op 3 februari 2015. Voorts volgt uit het dossier dat de verdachte op 4 februari 2015 de verzekeringspremie heeft betaald voor de rode [personenauto] met kenteken [kenteken].

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de verdachte zo hij al niet de enige gebruiker van de auto was, hij in ieder geval de hoofdgebruiker hiervan was, ook al stond de auto niet op zijn naam. Dit gegeven in combinatie met hetgeen hiervoor reeds is overwogen, leidt tot de conclusie dat het de verdachte is geweest die op 3 februari 2015 kort voor middernacht in de [personenauto] met kenteken [kenteken] heeft gereden.


Tussenconclusie:

De verdachte is kort voor het schietincident in de rode [personenauto] met kenteken [kenteken] gestapt en is in de richting gereden van de plaats waar het slachtoffer enkele ogenblikken later is neergeschoten. De verdachte is kort na de schoten uit de richting van de plaats waar het slachtoffer is gevonden, komen lopen en is vervolgens (weer) in de rode [personenauto] gestapt en met hoge snelheid weggereden via de [naam straat 2] naar de [naam straat 8], waar onder andere zijn moeder woont.


De twee op de [naam straat 1] aangetroffen hulzen, de jas van het slachtoffer en het stuur, de versnellingspook en de handrem van de [personenauto] met kenteken [kenteken] zijn bemonsterd op schotresten. Het door het NFI naar die bemonsteringen verrichte schotrestenonderzoek heeft een vrijwel zekere relatie aangetoond tussen de bemonsterde delen van de [personenauto] en een schietproces, alsmede een vrijwel zekere relatie tussen de bemonsterde delen van de jas van het slachtoffer en een schietproces. De bevindingen van het door het NFI verrichtte aanvullend schotrestenonderzoek zijn dat het waarschijnlijker is dat de hypothese dat de deeltjes die zijn aangetroffen op de bemonsteringen van de auto, de hulzen en de beschadiging in de jas van het slachtoffer dezelfde herkomst hebben juist is, dan dat de hypothese dat deze deeltjes verschillende bronnen van herkomst hebben juist is.

Het bovengenoemde schotrestenonderzoek is uitgevoerd door een deskundige van het NFI die tot voornoemde conclusies gekomen is op grond van de beschikbare literatuur met betrekking tot dit onderwerp, diens beschouwingen en ervaring als deskundige. De rechtbank is van oordeel dat de deskundige methodisch te werk is gegaan en dat zijn conclusies worden gedragen door de bevindingen. Hetgeen de raadsvrouw daartegen in heeft gebracht, is van onvoldoende gewicht om aan de conclusies van de deskundige te twijfelen.

Tussenconclusie:

De in de [personenauto] met kenteken [kenteken] aangetroffen schotresten zijn afkomstig van het schietincident als gevolg waarvan het slachtoffer het leven heeft gelaten.

Conclusie:

De verdachte heeft op 3 februari 2015 rond het tijdstip van het tenlastegelegde schietincident als enige gebruik gemaakt van de [personenauto] met kenteken [kenteken] en de in die [personenauto] aangetroffen schotresten zijn afkomstig van dat schietincident. Aldus is wettig en overtuigend bewezen dat het de verdachte is geweest die het slachtoffer heeft doodgeschoten.


4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:


hij op 03 februari 2015 te [plaats] opzettelijk, een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen een kogel door de rug en borst van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.


Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

doodslag.


Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.


De verdachte is dus strafbaar.

7Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.


De verdachte heeft op 3 februari 2015 kort voor middernacht [slachtoffer] in zijn rug geschoten als gevolg waarvan deze kort nadien is overleden. Het slachtoffer was pas 24 jaar oud. De reden voor deze lafhartige daad is onbekend en zal waarschijnlijk altijd onbekend blijven. De verdachte heeft het slachtoffer zijn leven ontnomen en bij de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed veroorzaakt. Dit spreekt voor zich en blijkt te meer uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen van de moeder, broer en zus van het slachtoffer; hun leven is op een tragische wijze veranderd met de gewelddadige dood van hun naaste. De nabestaanden zullen zonder het slachtoffer verder moeten leven. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur.


De rechtbank heeft in het nadeel van de verdachte meegewogen dat hij blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 oktober 2015 eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten en het bezit van een vuurwapen.


De rechtbank heeft kennisgenomen van het door Reclassering Nederland opgemaakte rapport over de verdachte, gedateerd 01 mei 2015.


De rechtbank legt de verdachte op grond van hetgeen zij hiervoor heeft overwogen, en gelet op hetgeen in vergelijkbare gevallen wordt opgelegd, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van tien jaar.

8In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen personenauto terug te geven aan beslagene.

8.2.

Beoordeling

De rechtbank gaat ervan uit dat de [personenauto] met kenteken [kenteken] onder de verdachte in beslag is genomen, nu deze op de beslaglijst van de verdachte staat. De rechtbank zal derhalve een last geven tot teruggave aan de verdachte.

9Vordering benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft de moeder van het slachtoffer, [naam], wonende te [plaats], zich in het geding gevoegd ter zake van het tenlastegelegde feit. De vordering bedraagt

€ 2.978,67 aan materiële schade en is opgebouwd uit de kosten van de uitvaart, van de notaris ter zake van verwerping van de nalatenschap, van een gedenkteken en kosten voor het laten maken van opname van de begrafenis, vermeerderd met wettelijke rente vanaf het moment van het schadeveroorzakend feit.

9.1.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de nabestaande door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding voldoende onderbouwd is en de vordering overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de vordering worden toegewezen, vermeerderd met de hierover gevorderde wettelijke rente zoals in het dictum bepaald.


Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil

en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

9.2.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 2.978,67, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2015.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

10Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

11Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de impliciet primair tenlastegelegde moord heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tien (10) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:- gelast de teruggave aan de verdachte van de personenauto met kenteken [kenteken].


veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij

[naam] te betalen een bedrag van € 2.978,67 (zegge: twee duizend

negenhonderdachtenzeventig euro en zevenenzestig eurocent), bestaande uit materiële

schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 februari 2015 tot aan de

dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 2.978,67 (hoofdsom), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 2.987,67 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 39 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.F. Koekebakker, voorzitter,

en mrs. H.J.M. van der Kaaij en S. Bek, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. van Puffelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.


De oudste en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.


Bijlage I


Tekst tenlastelegging


Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat


hij

op of omstreeks 03 februari 2015 te [plaats] opzettelijk en met voorbedachten

rade, in elk geval opzettelijk, een persoon genaamd [slachtoffer] van

het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet

na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een kogel in/door de rug

en/of borst, althans het lichaam van die [slachtoffer] geschoten,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;


(Art. 289/287 Wetboek van Strafrecht)

art 289 Wetboek van Strafrecht


Bijlage III


Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen



Voorwerpen waarde Dt. Beslis. Beslissing opmerkingen


1 STK 01 apr 2015 deponeren

Personenauto [kenteken]

[personenauto] 1.6 75 kw

Kl: rood

G [cijfers]



Alle bedragen zijn weergegeven in euro’s