Rechtbank Rotterdam, 07-12-2015 / 15/4973


ECLI:NL:RBROT:2015:8871

Inhoudsindicatie
Wet dwangsom ivm melding/aanvraag Wmo. De door eiser gedane verzoeken om een scootmobiel kunnen niet worden aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Door verweerder is niet binnen twee weken na de aanvraag van 20 juli 2015 beslist. Onder de stukken bevindt zich alleen een ingebrekestelling van 6 juli 2015, waarin tevens wordt verzocht om een besluit tot vaststelling van de verbeurde dwangsom. Op 6 juli 2015 had verweerder wel een melding maar nog geen aanvraag ontvangen, zodat de ingebrekestelling prematuur is en eiser dus nog geen beroep kon instellen. Niet gebleken dat niet redelijkerwijs kon worden gevergd dat verweerder in gebreke werd gesteld alvorens beroep in te stellen. Bij besluit van 10 juli 2015 heeft verweerder vastgesteld dat hij, bij gebreke van een aanvraag, geen dwangsom is verschuldigd. De rechtbank merkt, uit een oogpunt van proceseconomie en in aanmerking genomen de strekking van artikel 4;19, eerste lid, van de Awb, eisers beroep aan als mede betrekking hebbend op dit besluit. De ingebrekestelling was prematuur, zodat deze niet kan leiden tot verschuldigdheid van een dwangsom.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-12-07
Publicatiedatum
2015-12-08
Zaaknummer
15/4973
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1


zaaknummer: ROT 15/4973


uitspraak van de meervoudige kamer van 7 december 2015 in de zaak tussen

[eiser], te Rotterdam, eiser,

gemachtigde: mr. B. Özates,


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. D. Çevik.



Procesverloop


Bij besluit van 10 juli 2015 heeft verweerder eiser meegedeeld dat geen dwangsom verschuldigd is voor het niet tijdig beslissen op eisers aanvraag om een scootmobiel op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015)


Eiser heeft op 10 augustus 2015 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om een scootmobiel.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2015. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Overwegingen


1.1.

Op grond van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder een aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.


1.2

Artikel 7 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Rotterdam 2015 (de Verordening) luidde tot 1 juli 2015:

“Aanvraag

1. De aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt schriftelijk ingediend door middel van het ondertekenen van een daarvoor opgenomen passage in het gespreksverslag, als bedoeld in artikel 6, waarbij de cliënt tevens aangeeft of hij de ondersteuning wenst te ontvangen in de vorm van een maatwerkvoorziening of in de vorm van een pgb.

2. Als het onderzoek niet binnen zes weken is afgerond en de cliënt geen gespreksverslag heeft ontvangen, kan hij een aanvraag schriftelijk indienen via een daartoe door het college vastgesteld formulier.

3. Het college kan in het dringende belang van de cliënt besluiten om: a. een maatwerkvoorziening ambtshalve te verstrekken indien en zolang het niet mogelijk is dat hiervoor door of namens de cliënt een aanvraag wordt ingediend; of b. een al dan niet ambtshalve ingediende aanvraag in behandeling te nemen zonder ondertekend gespreksverslag, indien en zolang de cliënt niet in staat of bereid is het gespreksverslag te ondertekenen.

4. Het college kan besluiten dat een aanvraag ook op een andere wijze mogelijk is.


Met ingang van 1 juli 2015 luidt het tweede lid: “Als het onderzoek niet binnen zes weken is afgerond of als het college de cliënt in de gelegenheid wil stellen alvast een aanvraag in te dienen, terwijl het gespreksverslag nog niet beschikbaar is, is een aanvraag ook mogelijk via een daartoe door het college vastgesteld formulier.”


2. Uit artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 volgt dat de procedure ter verkrijging van een maatwerkvoorziening start met een melding, waarna onderzoek door verweerder plaatsvindt. Een aanvraag kan op grond van het negende lid pas worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij dit niet binnen de termijn van zes weken is uitgevoerd.


3. Op 20 juli 2015 heeft een medewerker van verweerder een huisbezoek bij eiser afgelegd. Daarvan is een gespreksverslag opgemaakt dat door eiser is ondertekend. Daarmee heeft eiser op die dag, overeenkomstig het bepaalde in artikel 7, eerste lid van de Verordening, een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb gedaan om een maatwerkvoorziening in de vorm van een scootmobiel.


4. Eisers stelling dat hij al eerder een aanvraag heeft gedaan, volgt de rechtbank niet.

Voor eisers stelling dat hij eind februari 2015 al een scootmobiel had aangevraagd, bieden de stukken geen aanknopingspunt. Uit verweerders brief van 15 juli 2015 blijkt wel dat eiser op 23 maart 2015 telefonisch om een scootmobiel heeft gezocht. Dit verzoek heeft verweerder gelet op de hierboven weergegeven wettelijke systematiek terecht aangemerkt als een melding. Verder kan uit de “Algemene rapportage” van 5 augustus 2015 worden afgeleid dat verweerder op 13 april 2015 telefonisch een hulpvraag van eiser om een scootmobiel heeft ontvangen. Deze hulpvraag kan evenmin worden aangemerkt als aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, nu op 13 april 2015 nog geen onderzoek had plaatsgevonden en evenmin de in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 vermelde termijn van zes weken na de melding was verstreken. Dat verweerder in de brief van 30 juni 2015, waarin eiser wordt uitgenodigd voor een gesprek, het woord “aanvraag” gebruikt ter aanduiding van eisers verzoek van 23 maart 2015, wekt weliswaar (onnodig) verwarring, maar betekent niet dat dit verzoek daarmee moet worden aangemerkt als aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb.

5.1.

Op grond van artikel 2.3.5, tweede lid, van de Wmo 2015 geeft het college de beschikking binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag. Bij besluit van 7 augustus 2015, door eiser – naar onweersproken is gesteld – ontvangen op 11 augustus 2015, heeft verweerder beslist op eisers aanvraag van 20 juli 2015 en hem een maatwerkvoorziening in de vorm van een scootmobiel toegekend. Verweerder heeft dus niet binnen de termijn van twee weken beslist.


5.2.

Voor een ontvankelijk beroep tegen het niet tijdig beslissen is op grond van artikel 6:12, eerste lid, van de Awb vereist dat twee weken zijn verstreken na de dag waarop een belanghebbende het bestuursorgaan na het verstrijken van de beslistermijn in gebreke heeft gesteld. Onder de stukken bevindt zich alleen een ingebrekestelling van 6 juli 2015, waarin tevens wordt verzocht om een besluit tot vaststelling van de verbeurde dwangsom. Op 6 juli 2015 had verweerder wel een melding maar nog geen aanvraag ontvangen, zodat de ingebrekestelling prematuur is en eiser dus nog geen beroep kon instellen. Nu niet blijkt dat van eiser niet redelijkerwijs kon worden gevergd dat hij verweerder in gebreke stelt alvorens beroep in te stellen, is het beroep niet-ontvankelijk.


6. Bij besluit van 10 juli 2015 heeft verweerder vastgesteld dat hij, bij gebreke van een aanvraag, geen dwangsom is verschuldigd. De rechtbank merkt, uit een oogpunt van proceseconomie en in aanmerking genomen de strekking van artikel 4;19, eerste lid, van de Awb, eisers beroep aan als mede betrekking hebbend op dit besluit.


7. Op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. Uit 5.2 volgt dat de ingebrekestelling prematuur was, zodat deze niet kan leiden tot verschuldigdheid van een dwangsom. Het beroep tegen het besluit van 10 juli 2015 is daarom ongegrond.


8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 10 juli 2015 ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, voorzitter, en mr. H. Bedee en mr. A. Douwes, leden, in aanwezigheid van J. van Mazijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 december 2015.






griffier voorzitter









Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.