Rechtbank Rotterdam, 04-02-2015 / 10/740349-14


ECLI:NL:RBROT:2015:891

Inhoudsindicatie
noodweer (exces), putatief noodweer
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-02-04
Publicatiedatum
2015-02-11
Zaaknummer
10/740349-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team straf 1


Parketnummer: 10/740349-14

Datum uitspraak: 4 februari 2015

Tegenspraak



Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:


[verdachte],

[geboortedatum],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]

[adres],

ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting preventief gedetineerd in de

Penitentiaire Inrichting Middelburg, locatie Torentijd,

raadsvrouw: mr. W. van der Voet, advocaat te Rotterdam.



ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING


Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 21 januari 2015.



TENLASTELEGGING


Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.



EIS OFFICIER VAN JUSTITIE


De officier van justitie mr. M.G. Vreugdenhil heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde poging doodslag en van het onder 2 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt het volgen van een behandeling bij Het Dok of een soortgelijke instelling.



BEWEZENVERKLARING


Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan op die wijze dat:


1.

hij op 27 augustus 2014 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een

persoon genaamd[slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes,

in de buik van die[slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;


2.

hij op 27 augustus 2014 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4,7 gram cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.


Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.



BEWIJSMOTIVERING


De overtuiging dat de verdachte het onder 1 en 2 bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Deze bewijsmiddelen zijn opgenomen in de bij dit vonnis gevoegde bijlage II.



NADERE BEWIJSOVERWEGING TEN AANZIEN VAN FEIT 1


De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft aangevoerd dat is komen vast te staan dat de verdachte - minstgenomen - voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van[slachtoffer].


De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de poging doodslag omdat de verdachte geen opzet had op het doden van [slachtoffer]. Met betrekking tot het voorwaardelijk opzet op het levensbedreigend gewond raken van[slachtoffer] heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Aangevoerd is dat de verdachte het op een vitaal lichaamsdeel, noch op [slachtoffer] gemunt had en dat niet kan worden uitgesloten dat de verdachte alleen maar wilde afschrikken door met het mes naar voren uit te halen.


De feiten waar de rechtbank van uitgaat

Op 27 augustus 2014 is in een uitgaansgelegenheid een ruzie ontstaan tussen de verdachte en de broer van[slachtoffer]. De portier van de uitgaansgelegenheid, de getuige [getuige], heeft hierop de verdachte uit de uitgaansgelegenheid gezet. Bij de deur en/of het portiek van de uitgaansgelegenheid is het tot een confrontatie gekomen. In die confrontatie heeft de verdachte een mes getrokken en heeft hij het slachtoffer in de buikstreek gestoken, waarmee hij het slachtoffer potentieel dodelijk letsel heeft toegebracht. Het mes was 26,5 cm lang en had een lemmet van 11,5 cm lang en 3 cm breed dat aan één zijde geslepen was en waarbij de eerste 3,5 cm was voorzien van een karteling.


Opzet

Voor een bewezenverklaring van de tenlastegelegde poging doodslag moet het opzet van de verdachte gericht zijn geweest op de dood van [slachtoffer]. De rechtbank beschouwt het opzet van de verdachte daarop als een gegeven, nu het met een dergelijk fors mes steken in de buik naar uiterlijke verschijningsvorm meebrengt dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte het intreden van de dood bij aangever heeft gewild of in elk geval op de koop toe heeft genomen. Dat de dood bij aangever niet is opgetreden, is buiten het handelen van de verdachte gelegen.



STRAFBAARHEID FEITEN


Kwalificaties


De bewezen feiten leveren op:


1

poging tot doodslag;

2

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Noodweer, noodweerexces, putatief noodweer


Door de raadsvrouw van de verdachte is primair een beroep gedaan op noodweer, subsidiair op noodweerexces en meer subsidiair op putatief noodweer en is bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.


Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat het begane feit geboden was door de noodzakelijke verdediging tegen een (dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.


Ter zitting zijn de beelden bekeken die zijn gemaakt door de camera’s die binnen in het café hangen. Daarop is te zien dat te zien dat vrijwel direct nadat de verdachte door de portier naar buiten was geduwd, de broer van de verdachte een schoppende beweging door de deurpost heen het portiek in maakte. Op die camerabeelden is verder te zien dat vrijwel direct na de schoppende beweging van de broer, het slachtoffer het café weer in strompelt/valt en zijn hand bij zijn buik houdt, omdat hij inmiddels door de verdachte gestoken was.

Naar het oordeel van de rechtbank is onder meer gelet op deze beelden aannemelijk geworden dat direct nadat de verdachte naar buiten was gewerkt door de portier, en hij dus nog (dichtbij) de deuropening stond, de broer van slachtoffer een schoppende beweging in zijn richting heeft gemaakt. Gelet op de manier van schoppen moet dat richting zijn onderlijf zijn geweest. Ook twijfelt de rechtbank er gelet op de camerabeelden en verklaringen van getuigen niet aan dat de broer van het slachtoffer op dat moment dronken was en zich (zeer) agressief richting de verdachte gedroeg.

Op de camerabeelden is alleen de binnenzijde van het café zichtbaar en het steekincident zelf – dat klaarblijkelijk vlak voor de deur in het portiek plaatsvond – dus niet. Evenmin is derhalve zichtbaar of de verdachte pas na deze de trap en in reactie daarop – zoals door de verdediging is betoogd – zijn mes pakte, dat uitklapte en vervolgens daarmee heeft gestoken, of dat hij, zoals door onder andere de portier is verklaard, op dat moment het mes al zichtbaar in zijn hand had. Echter, ook als de verdachte naar aanleiding van de schoppende beweging van de broer het mes heeft getrokken, heeft de verdachte disproportioneel gereageerd door het slachtoffer vervolgens met dat mes in de buik te steken. Van evenredigheid tussen aanval en verdediging kan dan niet worden gesproken. De conclusie kan dan ook niet anders zijn dan dat (alleen al vanwege het ontbreken van de proportionaliteit) van een noodweersituatie geen sprake kan zijn geweest.


Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of verdachte een beroep op noodweerexces toekomt. Bij beoordeling van een beroep op noodweerexces moet worden voorop gesteld dat een overschrijding van de grenzen van een noodzakelijke verdediging op grond van artikel 41, lid 2, Wetboek van Strafrecht niet strafbaar is, indien zij het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging door de aanranding veroorzaakt.


De rechtbank is van oordeel dat moeilijk valt in te zien hoe een relatief beperkte wederrechtelijke aanranding, waarbij aan de kant van de broer van het slachtoffer niet meer geweld is gebruikt dan een paar duwen en een schop richting het onderlijf van verdachte, zulke paniekgevoelens bij verdachte zou hebben kunnen oproepen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de portier van het café zich bevond in de directe nabijheid van enerzijds verdachte en anderzijds het slachtoffer en zijn broer. Daar moet een de-escalerende werking van uit zijn gegaan. Tot slot betrekt de rechtbank in haar oordeel, dat uit de verklaringen van verdachte, noch uit die van omstanders blijkt van aanwijzingen dat verdachte op enig moment vanuit een hevige gemoedsbeweging het mes heeft gebruikt.


Het beroep op noodweerexces faalt aldus eveneens.


Nu evenmin is gebleken van een situatie waarin de verdachte op objectieve gronden redelijkerwijs mocht aannemen dat sprake was van een (dreigende) noodweersituatie, faalt het beroep op putatief noodweer(exces) eveneens.


Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten.


De feiten zijn dus strafbaar en de verdachte is strafbaar.



STRAFMOTIVERING


De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.


De verdachte heeft zich in een caféruzie schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door het slachtoffer met een groot mes in zijn buik te steken. Het slachtoffer is daardoor zeer ernstig gewond geraakt en heeft in het ziekenhuis een levensreddende operatie moeten ondergaan. Ook daarna heeft het slachtoffer enige tijd in het ziekenhuis moeten verblijven. Het is dan ook niet aan de verdachte te danken dat het slachtoffer nog in leven is. Het slachtoffer ondervindt ook nu nog de fysieke en geestelijke gevolgen van het steekincident, hetgeen duidelijk werd uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring. Het voorgaande is des te schrijnender nu het slachtoffer juist de ruzie tussen zijn broer en de verdachte wilde sussen.

De rechtbank houdt er voorts rekening mee dat het feit zich heeft afgespeeld in een in Rotterdam bekend en druk bezocht café, waar zich ook op dat moment veel mensen bevonden, welke mensen ongewild getuige zijn geworden van een gewelddadig steekincident. Een delict als het onderhavige draagt een voor de rechtsorde schokkend karakter en daarnaast brengt het bij de burgers angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.


De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het in het bezit hebben van harddrugs.

Verdovende middelen leveren een gevaar op voor de volksgezondheid, nu deze stoffen sterk verslavend zijn en regelmatig gebruik hiervan in de regel lichamelijk, psychisch en sociaal schadelijke gevolgen met zich brengt. Daarbij heeft de verdachte door het voorhanden hebben van deze harddrugs een rol gehad in de verspreiding van harddrugs, hetgeen veel gerelateerde vermogens- en andere criminaliteit tot gevolg heeft.


Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf.


De rechtbank heeft acht geslagen op het op naam van de verdachte gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 januari 2015.


Psychiater C.J.F. Kemperman heeft een rapport over de verdachte opgemaakt d.d.

3 november 2014. Dit rapport houdt het volgende in. De verdachte is een zwakbegaafde man, gefundeerd op een persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken. Bij de verdachte is sprake van alcoholmisbruik (in detentie in gedwongen remissie), pathologisch gokken (in remissie) en een schizofrenie van het paranoïde type, welke schizofrenie door middel van medicatie in remissie is. Dit was ook zo ten tijde van het plegen van het feit. Volgens de psychiater is de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar voor het ten laste gelegde. De recidivekans kan worden verlaagd door het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel met als bijzondere voorwaarden behandeling en begeleiding bij een instelling als Het Dok onder verplicht reclasseringstoezicht.


GZ psycholoog drs. J.J.M. van der Heijden heeft een rapport over de verdachte opgemaakt d.d. 6 november 2014. Dit rapport houdt het volgende in. Bij de verdachte is sprake van een ziekelijke stoornis in de zin van een paranoïde schizofrenie in remissie, misbruik van alcohol en van een gebrekkige ontwikkeling in de zin van trekken van een antisociale persoonlijkheid. Dit was ook zo ten tijde van het ten laste gelegde. Volgens de psycholoog is de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar voor het ten laste gelegde. Omdat het recidiverisico als hoog wordt ingeschat, wordt hulp noodzakelijk geacht. Omdat de verdachte tot nu toe niet gemotiveerd was tot aangaan van vrijwillige hulp, wordt een verplichte vorm van hulp bij een forensische polikliniek noodzakelijk geacht en geadviseerd. De voorkeur gaat uit naar een verplichte poliklinische behandeling. Geadviseerd wordt een dergelijke behandeling op te leggen binnen het kader van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel. Begeleiding en controle door de reclassering wordt daarbij geadviseerd.


De rechtbank neemt de conclusies van de genoemde gedragsdeskundigen met betrekking tot de verminderde toerekenbaarheid van de verdachte over en heeft hiermee rekening gehouden bij de strafoplegging.


Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt d.d. 6 januari 2015. In dit rapport wordt geadviseerd een voorwaardelijk strafdeel op te leggen. Hierbij worden de volgende bijzondere voorwaarden geadviseerd: een meldplicht, een behandelverplichting - ambulante behandeling bij forensische polikliniek Het Dok of soortgelijke ambulante forensische zorg - en andere voorwaarden het gedrag betreffende indien de reclassering dit noodzakelijk acht (bewindvoering, CoVa+, opvolgen van aanwijzingen over dagbesteding).


De rechtbank ziet gelet op al het voorgaande aanleiding om een deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, met als bijzondere voorwaarden meldplicht, behandeling bij forensische polikliniek Het Dok of soortgelijke ambulante forensische zorg en verplicht reclasseringscontact.


Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.



VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL


Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer], domicilie kiezende te Rotterdam, ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.284,21 aan materiële schade en een bedrag van € 2.500,- aan immateriële schade.


Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht en de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet heeft betwist, zal deze worden toegewezen.


Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.


Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.



TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 57, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.



BESLISSING

De rechtbank:


verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;


verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;


stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;


stelt als algemene voorwaarden:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;


stelt als bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling dit noodzakelijk vindt;

- de veroordeelde zal zich onder ambulante behandeling stellen van de forensische polikliniek Het Dok, of een soortgelijke instelling, voor zijn problematiek, gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering in overleg met Het Dok verantwoord vindt;

- de veroordeelde dient zich onder bewindvoering te stellen indien dit gedurende het toezicht nodig blijkt en zolang de reclassering dit nodig acht;

- de veroordeelde dient een CoVa+ te volgen indien gedurende het toezicht (en eventueel uit overleg met behandelaars) blijkt dat dit meerwaarde heeft en zolang de reclassering dit nodig acht;

- de veroordeelde dient eventuele aanwijzingen van de reclassering aangaande dagbesteding op te volgen;


geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;


beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], domicilie kiezende te Rotterdam toe tot een bedrag van € 3.784,21, bestaande uit € 1.284,21 aan materiële schade en

€ 2.500,- aan immateriële schade, en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen;


bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening;


wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;


veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;


legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 3.784,21 (drieduizend zevenhonderdvierentachtig euro en eenentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 3.784,21 (drieduizend zevenhonderdvierentachtig euro en eenentwintig eurocent) vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 47 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;


verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.



Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.V. Scheffers, voorzitter,

en mrs. M.M. Koevoets en E. Fels, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.A. Commandeur, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 februari 2015.


De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.


Bijlage I bij vonnis van 4 februari 2015:


TEKST TENLASTELEGGING


Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat


1.

hij op of omstreeks 27 augustus 2014 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een

persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een mes,

althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de buik, althans het lichaam,

van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht


2.

hij op of omstreeks 27 augustus 2014 te Rotterdam

opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 4,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 10 lid 3 Opiumwet