Rechtbank Rotterdam, 08-12-2015 / 10/690045-15


ECLI:NL:RBROT:2015:8972

Inhoudsindicatie
primair medeplegen, subsidiair medeplichtigheid bewezen verklaard
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-12-08
Publicatiedatum
2015-12-08
Zaaknummer
10/690045-15
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team straf 1


Parketnummer: 10/690045-15

Datum uitspraak: 8 december 2015

Tegenspraak



Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:


[verdachte 1],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats 1],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [woonplaats],

raadsvrouw mr. M. Schmit, advocaat te Rotterdam.

1Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 24 november 2015.

2Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. Blom heeft gevorderd:

  • - bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde;
  • - veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 8 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf voor de duur van 120 uur.

4Waardering van het bewijs


Bewijswaardering


Standpunt verdediging ten aanzien van feit 1 primair

Aangevoerd is dat er geen sprake is van medeplegen van het ten laste gelegde feit. De verdachte is enkel voorafgaand aan het feit aanwezig geweest in de auto en heeft geen uitvoeringshandelingen verricht.


Beoordeling feit 1 primair en subsidiair

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het pinnen met de gestolen bankpas op 7 december 2014. Zij heeft medeverdachte [naam] benaderd voor dit feit. Vervolgens is zij met [naam] en andere medeverdachten in de auto richting de woning van [slachtoffer] gereden. Daar is de bankpas van [slachtoffer] door de medeverdachten van de verdachte weggenomen. Vervolgens is de verdachte met de medeverdachten naar de stad gereden en heeft [naam] met de gestolen pas geld gepind. De verdachte is op hem blijven wachten in de auto. Door [naam] in te schakelen en steeds (op de achtergrond) aanwezig te zijn bij de planning en uitvoering van het delict heeft de verdachte een wezenlijke rol gehad en is sprake van medeplegen van de diefstal. Ten aanzien van het pinnen op 11 december 2014 geldt dat geen sprake is van medeplegen nu de verdachte weliswaar de bankpas heeft overhandigd aan de medeverdachten, die daarmee vervolgens zijn gaan pinnen, maar dit overhandigen op instructie van de tante van de verdachte gebeurde en de verdachte niet bij het daarna pinnen met de bankpas aanwezig was. Voor wat betreft het pinnen op 11 december 2014 wordt de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid bewezen verklaard.


Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:


1.

zij,

op 7 december 2014 te

Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

geldbedragen van € 1000 en € 4950, toebehorende aan [slachtoffer],

waarbij verdachte en haar mededaders de weg te nemen goederen onder

hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel,

te weten door met een bankpas met bijbehorende pincode, tot het gebruik

waartoe zij, verdachte, en haar mededaders niet gerechtigd waren,

voornoemde geldbedragen te pinnen van

een rekening van voornoemde [slachtoffer];


en


[naam] en zijn mededaders

op 11 december 2014 te

Rotterdam, tezamen en in vereniging met

anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening hebben weggenomen

geldbedragen van € 3,03 en € 4900, toebehorende aan [slachtoffer],

waarbij verdachte en zijn mededaders de weg te nemen goederen onder

hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel,

te weten door met een bankpas met bijbehorende pincode, tot het gebruik

waartoe hij, verdachte, en zijn mededaders niet gerechtigd waren,

voornoemde geldbedragen te pinnen van

een rekening van voornoemde [slachtoffer],

bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen en aldaar opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk gelegenheid, middelen en inlichtingen heeft verschaft door:

- het benaderen van en contact leggen met een persoon die

bereid zou zijn gebruik te maken van de bankpas met bijbehorende

pincode van die [slachtoffer] en

- ervoor te zorgen dat die pas met bijbehorende pincode in het bezit is

gekomen van die [naam] en zijn mededader wetende dat die [naam] en

zijn mededader met die pas geld zouden gaan opnemen;


2.

zij,

in de periode van 07 december 2014 tot en met 11 december 2014 te

Rotterdam,

tezamen en in vereniging met anderen,

een bankpas met bijbehorende pincode heeft verworven,

voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl zij en haar

mededaders ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die pas

wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.


Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:


1.

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd

en

medeplichtigheid aan diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd


2.

medeplegen van opzetheling.


Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.


De feiten zijn dus strafbaar.

5Strafbaarheid verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.


De verdachte is dus strafbaar.

6Motivering straf

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Feiten waarop de straf is gebaseerd


De verdachte heeft samen met anderen een gestolen bankpas in bezit gehad. Met deze bankpas en bijbehorende pincode hebben de verdachte en haar mededaders op 7 december 2014 meerdere geldbedragen tot een totaalbedrag van € 5.950,-- gepind van de rekening van [slachtoffer]. De verdachte is daarnaast behulpzaam geweest bij het pinnen van een geldbedrag van circa € 4900,-- op 11 december 2014. Dit zijn nare feiten waarbij de verdachte haar eigen gewin voorop heeft gesteld en geen respect heeft getoond voor andermans eigendom. Door haar handelen heeft de verdachte schade veroorzaakt en het slachtoffer en daarmee in dit geval diens nabestaanden gedupeerd.


De door de verdachte gepleegde feiten spelen zich af tegen de achtergrond van het misdrijf waarbij [slachtoffer] om het leven is gekomen. De verdachte heeft echter geen aandeel in dit misdrijf, zodat de rechtbank de onderhavige zaak op zichzelf beschouwt en abstraheert van het levensdelict.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 september 2015, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.


Reclasseringsrapport

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het voortgangsverslag van Reclassering Nederland van 28 oktober 2015.

Conclusies van de rechtbank

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank zal naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient er met name toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.


Voorts zal de rechtbank een taakstraf van na te noemen duur opleggen.


Alles afwegend worden na te noemen straffen passend en geboden geacht.

7Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 48, 57, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

8Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

9Beslissing

De rechtbank:


verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;


verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;


stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;


verklaart de verdachte strafbaar;


veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 (tweeëntwintig) dagen;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 14 (veertien) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op twee jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;


stelt als algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken;


beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;


beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;


heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, dat bij eerdere beslissing is geschorst.



Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H. Janssen, voorzitter,

en mrs. J.F. Koekebakker en S.M. den Hollander, rechters,

in tegenwoordigheid van A.C. de Sain, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 december 2015.



Bijlage I


Tekst gewijzigde tenlastelegging


Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat


1.

zij,

in of omstreeks de periode van 7 december 2014 tot en met 11 december 2014 te

Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

geldbedragen van € 1000 en/of € 4950 en/of € 3,03 en/of € 4900, althans enig(e) geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer],

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar

mededader(s),

waarbij verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel,

te weten door met een pinpas/bankpas met bijbehorende pincode, tot het gebruik

waartoe zij, verdachte, en/of haar mededader(s) niet gerechtigd was/waren,

meermalen, althans eenmaal (telkens) voornoemde geldbedragen te pinnen van

een rekening van voornoemde [slachtoffer];

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht


Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:


[naam] en/of zijn mededader(s)

in of omstreeks de periode van 7 december 2014 tot en met 11 december 2014 te

Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

geldbedragen van € 1000 en/of € 4950 en/of € 3,03 en/of € 4900, althans enig(e) geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer],

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel,

te weten door met een pinpas/bankpas met bijbehorende pincode, tot het gebruik

waartoe hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren,

meermalen, althans eenmaal (telkens) voornoemde geldbedragen te pinnen van

een rekening van voornoemde [slachtoffer],

bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen en aldaar (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft

door:

- het benaderen van en/of contact te leggen met een of meer perso(o)n(en) die

bereid zouden zijn gebruik te maken van de pinpas/bankpas (met bijbehorende

pincode) van die [slachtoffer] en/of

- ervoor te zorgen dat die pas (met bijbehorende pincode) in het bezit is

gekomen van die [naam] en/of zijn mededader(s) (wetende dat die [naam] en/of

zijn mededader(s) met die pas geld zou(den) gaan opnemen);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht


2.

zij,

in of omstreeks de periode van 07 december 2014 tot en met 11 december 2014 te

Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) een pinpas/bankpas met bijbehorende pincode heeft verworven,

voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl zij en/of haar

mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die pas

wist(en) dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht