Rechtbank Rotterdam, 02-12-2015 / 490348


ECLI:NL:RBROT:2015:9029

Inhoudsindicatie
Afwijzing spoedverzoek schorsing in uitoefening van het gezag na het horen van de ouders.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-12-02
Publicatiedatum
2015-12-09
Zaaknummer
490348
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

beschikking



RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd


zaakgegevens: C/10/490348 / JE RK 15-3729

datum uitspraak: 2 december 2015


beschikking afwijzing verzoek schorsing van het ouderlijk gezag in de zaak van
Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht, hierna te noemen de Raad,

gevestigd te Rotterdam,


betreffende


[Naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [roepnaam] .


De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:


[Naam moeder] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats] ,


[Naam vader] , hierna te noemen de vader,

wonende te [woonplaats] .


Het procesverloop

Gelet is op het mondelinge verzoek van 2 december 2015 en de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 3 december 2015, ingekomen bij de griffie op 3 december 2015.


Naar aanleiding van het op 2 december 2015 telefonisch door de Raad gedane spoedverzoek is de rechtbank, in de persoon van de kinderrechter, afgereisd naar het woonadres van de ouders, waar op dat moment ook [de minderjarige] verbleef. De kinderrechter heeft zich, alvorens met de ouders te spreken, op de hoogte doen stellen van de situatie van [de minderjarige] door de huisarts, de behandelend oncoloog van het Sophia kinderziekenhuis (beiden telefonisch), de jeugdverpleegkundige verbonden aan de thuiszorgorganisatie en de vertegenwoordigster van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: de GI) , mw. [naam] , werkzaam bij het Crisis interventie team (CIT) .


Vervolgens heeft de kinderrechter de ouders, de tante van [de minderjarige] , mw. [naam] en - opnieuw - mw. [naam] gehoord.


De feiten

Het ouderlijk gezag over [de minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.

[de minderjarige] woont bij zijn ouders.



Het verzoek

De Raad heeft verzocht de ouders geheel te schorsen in de uitoefening van het gezag en de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond te belasten met de voorlopige voogdij over [de minderjarige] .


De Raad heeft daartoe het volgende gesteld.

De vijfjarige [de minderjarige] heeft een uitgezaaide vorm van kanker en is terminaal. Zijn levensverwachting is volgens de artsen maximaal één week. Omdat de tumor zich in zijn longen bevindt, kan hij het benauwd krijgen en kan hij pijn ondervinden. Het is noodzakelijk dat die pijn wordt bestreden met medicatie. Zowel de specialistische jeugdverpleegkundige alsook de huisarts zijn van mening dat de zorg thuis onvoldoende kan worden gewaarborgd, omdat de ouders niet willen meewerken en negatief staan ten opzichte van het verstrekken van morfine ten behoeve van pijnbestrijding. De huisarts en de jeugdverpleegkundige zijn van mening dat [de minderjarige] moet worden overgebracht naar het ziekenhuis om daar pijnbestrijding te krijgen en humaan te sterven. Het ontbreekt de ouders aan voldoende inzicht in de ernst van de situatie van hun zoon.


Het standpunt van de ouders


De ouders hebben aangegeven zich inmiddels te hebben neergelegd bij de gedachte dat hun zoon zal sterven. Zij hadden gehoopt dat de artsen in het Sophia kinderziekenhuis een fout hadden gemaakt en hadden daarom een second opinion gevraagd in Heidelberg, waar zij kort te voren met [de minderjarige] waren geweest. De visie van de Duitse artsen was echter geen andere dan die van de medici in het Sophia. De ouders wilden nu dat hun kind thuis, te midden van het gezin en de familie, zou kunnen sterven. Daartoe was een specialistische thuiszorgorganisatie ingeschakeld, die twee jeugdverpleegkundigen met de uitvoering van de zorg had belast. De ouders en de tante gaven aan dat met deze jeugdverpleegkundigen was afgesproken dat de toediening van morfine en de verhoging van de hoeveelheid van dat middel, alleen in overleg met de ouders zou plaatsvinden. De ouders vreesden dat toediening van te veel morfine tot een voortijdige dood van hun kind zou leiden en meenden dat ook het toedienen van zuurstof, naast morfine, zijn situatie kon verlichten. Omdat de ouders, naar de mening van deze verpleegkundigen, zich niet aan de gemaakte afspraken hielden, was de ingezette hulp beëindigd.


De beoordeling


De rechtbank overweegt, dat zij op grond van artikel 1:268, eerste lid, sub b van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW), een ouder geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van het gezag kan schorsen, indien een medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaar noodzakelijk is om ernstig gevaar voor diens gezondheid af te wenden en een ouder die het gezag uitoefent toestemming daarvoor weigert.


De door de kinderrechter gehoorde artsen en jeugdverpleegkundige bevestigden in meer of mindere mate hetgeen door de Raad was gesteld. [de minderjarige] is terminaal ziek en hij behoeft een medische behandeling in de vorm van medicatie ter bestrijding van pijn en benauwdheid bij het stervensproces. De rechtbank beschouwt een dergelijke behandeling als een noodzakelijke medische behandeling in de zin van artikel 1:268, eerste lid sub b BW.


Daarnaast werd door de artsen en de jeugdverpleegkundige het standpunt van de Raad, dat de ouders niet bereid waren toe te staan dat hun zoon (voldoende) medicatie kreeg, bevestigd. Daarom was opname in een ziekenhuis noodzakelijk.


Door de jeugdverpleegkundige werd voorts aangegeven dat zijn organisatie niet meer bereid was thuiszorg aan [de minderjarige] te bieden, vanwege het feit dat de ouders zich niet aan gemaakte afspraken met betrekking tot pijnbestrijding wilden houden. Dit besluit zou zijn genomen door de directrice van die organisatie. De kinderrechter heeft daarop de jeugdverpleegkundige en de vertegenwoordigster van de GI verzocht, elk afzonderlijk, telefonisch contact met die directrice op te nemen, teneinde te verifiëren of dat besluit zo was genomen en om na te gaan of er toch nog een mogelijkheid bestond die hulp te hervatten.

Uit deze telefonische contacten bleek dat de thuiszorgorganisatie niet bereid was de hulp te hervatten. De kinderrechter heeft daarop gevraagd of een andere thuiszorgorganisatie in de hulpvraag zou kunnen voorzien. Daarop werd zowel door de jeugdverpleegkundige alsook de vertegenwoordigster van de GI negatief geantwoord.


De kinderrechter heeft de ouders vervolgens de vraag voorgelegd of, in geval er toch nog een thuiszorgorganisatie zou worden gevonden die [de minderjarige] zou willen verzorgen, zij bereid zouden zijn de invulling van die zorg, en dus ook de toediening van de medicatie en de bepaling van de hoeveelheid daarvan, aan die organisatie over te laten en [de minderjarige] niet weer aan een reis bloot te stellen. De ouders gaven aan daartoe bereid te zijn. Daarop heeft de kinderrechter de vertegenwoordigster van de GI verzocht alles in het werk te stellen een andere thuiszorgorganisatie te vinden om [de minderjarige] thuis, bij zijn ouders, te verzorgen, zodat hij uiteindelijk thuis zou kunnen sterven. De vertegenwoordigster van de GI heeft aan dit verzoek gehoor gegeven en uiteindelijk is een andere thuiszorgorganisatie bereid gevonden de noodzakelijke zorg te bieden. Tussen die organisatie, de GI en de ouders zijn vervolgens afspraken gemaakt en vastgelegd. Gelet op het voorgaande is de noodzaak om [de minderjarige] tegen de wil van de ouders op te nemen in een ziekenhuis komen te vervallen. Daarnaast staat voldoende vast dat de ouders toestemming geven voor de noodzakelijk geachte behandeling van hun zoon.


[de minderjarige] krijgt nu weer, in de thuissituatie, de zorg die hij nodig heeft.


De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:268, eerste lid, sub b BW niet is voldaan. Het verzoek tot schorsing van de ouders in de uitoefening van het gezag zal daarom worden afgewezen.


De beslissing

De rechtbank:


Wijst af het verzoek tot schorsing van de ouders in de uitoefening van het gezag over [de minderjarige] .



Deze beschikking is gegeven door mr. J. van Driel, kinderrechter, in tegenwoordigheid van V.E. Scholtens als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2015.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshofDen Haag.