Rechtbank Rotterdam, 09-12-2015 / C/10/458046 / HA ZA 14-874


ECLI:NL:RBROT:2015:9073

Inhoudsindicatie
Tussentijds hoger beroep opengesteld. Beslissing van 30 september 2015 over artikel 8:211 (b) BW is principieel van aard. Eventueel ander oordeel in hoger beroep (of cassatie) betekent wezenlijke wijziging voor in eerste aanleg nog te nemen beslissingen.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-12-09
Publicatiedatum
2015-12-18
Zaaknummer
C/10/458046 / HA ZA 14-874
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Afdeling privaatrecht

Team haven en handel


zaaknummer / rolnummer: C/10/458046 / HA ZA 14-874


Vonnis van 9 december 2015


in de zaak van


1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats 2] ,

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats 3] ,

4. [eiseres],

wonende te [woonplaats 4] ,

5. [eiser 4],

wonende te [woonplaats 5] ,

6. [eiser 5],

wonende te [woonplaats 6]

7. [eiser 6],

wonende te [woonplaats 7] ,

8. [eiser 7],

wonende te [woonplaats 8] ,

9. [eiser 8],

wonende te [woonplaats 9] ,

10. [eiser 9],

wonende te [woonplaats 10] ,

11. [eiser 10],

wonende te [woonplaats 11] ,

eisers,

advocaat mr. A.C. van der Bent,


tegen


de coöperatie

COOPERATIEVE RABOBANK ROTTERDAM U.A.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. A.I.M. van Mierlo.


Eisers zullen hierna gezamenlijk “ [eisers] ” genoemd worden en gedaagde “Rabobank”.


1De verdere procedure

1.1.

De rechtbank verwijst naar haar vonnis van 30 september 2015.


1.2.

Rabobank heeft bij brief van haar advocaat van 30 oktober 2015 verzocht om verlof om tussentijds hoger beroep in te stellen.

Het betoog van Rabobank komt er kort gezegd op neer dat de beslissing in het tussenvonnis van 30 september 2015 over verhaalbaarheid van de vorderingen uit zee-arbeidsovereenkomsten een onaanvaardbare oprekking van het voorrecht van artikel 8:211 aanhef en onder b BW inhoudt en dat, indien die oprekking in hoger beroep of cassatie niet wordt gevolgd, de verdere behandeling van de vorderingen (schadebegroting) anders dient te verlopen. Daarom heeft Rabobank er belang bij om dat oordeel tussentijds in hoger beroep (of cassatie) te doen toetsen, zo voert Rabobank aan.


1.3.

Namens [eisers] heeft mr. Van der Bent bij brief van 13 november 2015 bezwaar gemaakt tegen het openstellen van tussentijds hoger beroep.

Het betoog van [eisers] komt er kort gezegd op neer dat de vorderingen van de zeevarenden niet behoeven te worden begroot en dat de door de rechtbank nog te geven beslissingen relatief gering zijn, zodat het juister is de afwikkeling in eerste aanleg af te maken.


1.4.

De rechtbank heeft bij brief van 19 november 2015 tussentijds hoger beroep van het vonnis van 30 september 2015 opengesteld.


1.5.

Bij brief van 23 november 2015 heeft mr. Van der Bent verzocht om die beslissing in een vonnis vast te leggen.



2De overwegingen

2.1.

Het vonnis van 30 september 2015 is een tussenvonnis in de zin van artikel 337 lid 2 Rv. Ingevolge artikel 337 lid 2 Rv kan in beginsel geen hoger beroep worden ingesteld van een tussenvonnis als het onderhavige, tenzij de rechter in het tussenvonnis of nadien anders heeft bepaald. Gelet op die regeling dient de rechter terughoudendheid te betrachten ten aanzien van een verzoek om toestemming tot tussentijds hoger beroep.

2.2.

Anders dan [eisers] betoogt, ligt in de vorderingen besloten dat de rechtbank de (met voorrang boven hypotheek verhaalbare) omvang van de vorderingen zal begroten.

De beslissing van 30 september 2015 over artikel 8:211 aanhef en onder b BW is in zekere zin principieel van aard. Indien in hoger beroep (of cassatie) het oordeel van de rechtbank over artikel 8:211 aanhef en onder b BW mocht worden vernietigd, dan zal dat (wellicht) doorwerken bij de beoordeling van de vraag naar de (met voorrang boven hypotheek verhaalbare) omvang van de vorderingen.

Daarom ligt het in de rede dat eerst in hoger beroep (of cassatie) wordt onderzocht of die beslissing juist is, voordat de omvang van de vorderingen wordt bepaald.


2.3.

Om die reden heeft de rechtbank in de brief van 19 november 2015 tussentijds hoger beroep opengesteld van het vonnis van 30 september 2015.

De rechtbank zal dat in dit vonnis voor zover vereist bevestigen.


3De beslissing

De rechtbank


bevestigt dat de rechtbank hoger beroep heeft opgesteld van het vonnis van 30 september 2015, zoals aan partijen bericht bij brief van 19 november 2015.


Dit vonnis is gewezen door mrs. W.P. Sprenger, P.A.M. van Schouwenburg-Laan en A.N. van Zelm van Eldik en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 december 2015.

1928/1885/10