Rechtbank Rotterdam, 24-12-2015 / ROT 15/2748


ECLI:NL:RBROT:2015:9420

Inhoudsindicatie
Bestuurlijke boete aan feitelijk leidinggevende vanwege overtreding van het bankverbod. Tevens vroegtijdige openbaarmaking van het boetebesluit. Eerder heeft de rechtbank Rotterdam (bij uitspraak van 24 juli 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:6173)) het beroep van de onderneming in de procedure tegen de aan haar opgelegde bestuurlijke boete van € 200.000,- ongegrond verklaard en de hoogte van de boetes van de andere twee feitelijk leidinggevenden gematigd naar een bedrag van elk € 75.000,-. Net als in de uitspraak van 24 juli 2015 ziet de rechtbank in hetgeen is aangevoerd door eiser aanleiding voor het oordeel dat de aan eiser opgelegde bestuurlijke boete van € 100.000,- op grond van de evenredigheid verder dient te worden gematigd met 25%. Dit betekent dat aan eiser op die grond een boete van € 75.000,- dient te worden opgelegd. Nu DNB in het bestreden besluit op een andere grond, namelijk bij de beoordeling van de draagkracht, reeds tot een matiging van het boetebedrag van € 75.000,- is gekomen, is eiser naar het oordeel van de rechtbank door het motiveringsgebrek niet benadeeld. De rechtbank passeert dit gebrek daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. De rechtbank is van oordeel dat uit hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd niet kan worden afgeleid dat hij de boete niet kan dragen. DNB heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van één van de in artikel 1:97, vierde lid, van de Wft genoemde omstandigheden die aan volledige openbaarmaking van de boetebesluiten in de weg staan.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-12-24
Publicatiedatum
2015-12-29
Zaaknummer
ROT 15/2748
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • RF 2016/33
  • JONDR 2016/413
  • UDH:FR/12766 met annotatie van mr. drs. S.J. Hoes-Weishut, mr. B.J. Boutellier, mr. A.E.E. Verspyck Mijnssen en mr. J. Sluijter
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2


zaaknummer: ROT 15/2748


uitspraak van de meervoudige kamer van 24 december 2015 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser ( [eiser] ),

gemachtigde: mr. M.R. Hosemann,


en


de Nederlandsche Bank N.V., verweerster (DNB),

gemachtigde: mr. C.M. Bitter.



Procesverloop


Bij besluit van 13 maart 2014 (het primaire besluit) heeft DNB aan [eiser] wegens het feitelijk leidinggeven aan de overtreding van artikel 2:11, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht (Wft) een bestuurlijke boete van € 100.000,- opgelegd. Tevens heeft DNB besloten tot vroegtijdige openbaarmaking van dit boetebesluit als bedoeld in artikel 1:97 van de Wft.


Bij besluit van 20 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft DNB de opgelegde boete met aanpassing van de motivering gematigd tot een bedrag van € 75.000,- en het bezwaar van [eiser] voor het overige ongegrond verklaard.


[eiser] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


DNB heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2015.

[eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

DNB heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, die werd vergezeld door mr. F.E. de Bruijn en [medewerker van DNB] .



Overwegingen


1. [onderneming 1] is opgericht op 15 juli 2010 en is een dochteronderneming van [onderneming 2] . Bestuurders van [onderneming 2] zijn [a] , [b] en sinds 26 april 2012 [eiser] . [onderneming 1] heeft gelden aangetrokken van het publiek door obligaties uit te geven (emissies) en heeft gelden uitgeleend aan [onderneming 3] . [onderneming 3] heeft deze gelden in Thais vastgoed geïnvesteerd; het [project] , een winkelcentrum.

Volgens DNB blijkt uit haar onderzoek dat [onderneming 1] in ieder geval in de periode van 26 mei 2011 tot en met 27 januari 2012 uit hoofde van emissie III in totaal 328 obligatieovereenkomsten met anderen dan professionele marktpartijen heeft afgesloten voor een totaalbedrag van € 2.600.000,- en in ieder geval in de periode van 16 juni 2011 tot en met 29 juli 2011 vijf kredietuitzettingen heeft gedaan naar [onderneming 3] voor een totaalbedrag van € 1.930.862,20. Op 16 februari 2013 heeft [onderneming 3] die leningen terugbetaald aan [onderneming 1] , waarmee volgens DNB de overtreding van het bankverbod door [onderneming 1] werd beëindigd.


1.1.

DNB heeft aan [onderneming 1] een bestuurlijke boete opgelegd wegens overtreding van het

bankverbod in de periode van 16 juni 2011 tot 16 februari 2013 en aan [eiser] , [a] en [b] ieder een bestuurlijke boete van € 100.000,- opgelegd wegens het in de hiervoor genoemde periode feitelijk leidinggeven aan de overtreding van artikel 2:11, eerste lid, van de Wft.


1.2.

Bij uitspraak van 24 juli 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:6173) heeft de rechtbank Rotterdam het beroep van [onderneming 1] in de procedure tegen de aan haar opgelegde bestuurlijke boete van € 200.000,- ongegrond verklaard. Tevens heeft de rechtbank bij die uitspraak de hoogte van de boetes van [a] en [b] gematigd naar een bedrag van elk € 75.000,- en de beroepen voor het overige ongegrond verklaard.


2. Bij het bestreden besluit in deze procedure heeft DNB de bij het primaire besluit opgelegde bestuurlijke boete aan [eiser] gematigd tot € 75.000,- op grond van de door [eiser] overgelegde financiële gegevens betreffende zijn draagkracht en de motivering in die zin aangepast. Voor het overige heeft DNB het primaire besluit gehandhaafd.


Overtreding

3. De beroepsgrond dat DNB zich ten onrechte op het standpunt stelt dat [onderneming 1] het bankverbod neergelegd in artikel 2:11, eerste lid, van de Wft heeft overtreden gedurende de vermelde periode, faalt.

De rechtbank verwijst naar hetgeen deze rechtbank hieromtrent heeft overwogen in haar uitspraak van 24 juli 2015 en beschouwt de overwegingen 3.1. tot en met 3.3.2. van die uitspraak als hier herhaald en ingelast.


Feitelijk leiding geven

4. [eiser] betoogt dat DNB zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de overtreding van het bankverbod door [onderneming 1] . Dit betoog faalt.


4.1.

Op grond van artikel 5:1, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen overtredingen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen. Artikel 51, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is van overeenkomstige toepassing.

Op grond van artikel 51, tweede lid, Sr kan, indien een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, de strafvervolging worden ingesteld en kunnen de in de wet voorziene straffen en maatregelen, indien zij daarvoor in aanmerking komen, worden uitgesproken:

1°. tegen die rechtspersoon, dan wel

2°. tegen hen die tot het feit opdracht hebben gegeven, alsmede tegen hen die feitelijke leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging, dan wel

3°. tegen de onder 1° en 2° genoemden tezamen.


4.2.

Volgens vaste jurisprudentie kan van feitelijk leidinggeven aan verboden gedragingen sprake zijn indien de desbetreffende functionaris, hoewel daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden, maatregelen ter voorkoming van deze gedragingen achterwege laat (beschikkingscriterium) en bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedragingen zich zullen voordoen (aanvaardingscriterium). In deze situatie wordt de zojuist bedoelde functionaris geacht opzettelijk de verboden gedragingen te bevorderen.


4.3.

Toegespitst op de onderhavige zaak betekent dit dat moet worden beoordeeld of [eiser] :

a. op de hoogte was van de gedragingen van [onderneming 1] waarmee artikel 2:11, eerste lid, van de Wft is overtreden, althans bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze gedragingen zich zouden voordoen,

b. bevoegd en redelijkerwijs gehouden was deze gedragingen te voorkomen en/of te beëindigen, en

c. maatregelen daartoe achterwege heeft gelaten.


4.4.

Bij de beantwoording van de vraag of aan deze criteria is voldaan stelt de rechtbank voorop dat om als feitelijk leidinggevende te kunnen worden aangesproken, anders dan [eiser] betoogt, het (voorwaardelijk) opzet slechts behoeft te zijn gericht op de desbetreffende gedragingen (kleurloos opzet) en niet op de wederrechtelijkheid daarvan (boos opzet). DNB hoeft dus, anders dan [eiser] meent, niet te bewijzen dat hij wist dat een vergunning was vereist voor de activiteiten, maar alleen dat hij opzettelijk zijn bijdrage aan de activiteiten heeft verricht, wetende dat daarvoor geen vergunning was verleend. Dat dit laatste het geval was, heeft hij erkend, zodat DNB zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat voldaan is aan het aanvaardingscriterium.


4.5.

Het betoog van [eiser] dat uit het arrest van de Hoge Raad van 7 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:24) moet worden afgeleid dat in plaats van kleurloos opzet (voorwaardelijk) boos opzet zou zijn vereist om te kunnen spreken van feitelijk leidinggeven, onderschrijft de rechtbank niet. In die zaak stond ter beoordeling de bewezenverklaring van het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op het overtreden van vergunningsvoorschriften (de gedraging). De vraag of dat opzet tevens gericht is geweest op het overtreden van de wetsbepaling waarin deze gedraging is verboden (de wederrechtelijkheid van de gedraging), is daarbij expliciet noch impliciet aan de orde gesteld. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat de Hoge Raad ook niet vermeldt dat sprake is van een verandering van zijn rechtspraak op dit punt.


4.6.

[eiser] was sinds april 2010 in dienst van [onderneming 2] als controller. Dat [eiser] pas vanaf 26 april 2012 formeel bestuurder is geworden van [onderneming 2] en daarmee middellijk bestuurder van [onderneming 1] , na plaatsing van emissies I tot en met III, maakt niet dat [eiser] niet als feitelijk leidinggevende aan de overtreding kan worden aangemerkt.

Onder meer uit de bijlage bij de brief van 9 juli 2012 van [onderneming 1] en de gespreksverslagen van 24 september 2012 met [eiser] , van 12 oktober 2012 met [a] , en van 8 januari 2013 met [b] blijkt dat hij samen met [a] en [b] het initiatief heeft genomen om gelden aan te trekken van niet-professionele marktpartijen inzake in ieder geval emissies II en III, om vervolgens deze gelden voor risico van [onderneming 1] uit te lenen aan [onderneming 3] . Vanaf de oprichtingsdatum van [onderneming 1] heeft [eiser] tezamen met [a] en [b] leiding gegeven. [eiser] heeft de investeringsstructuur opgezet, waarbij het zijn verantwoording was te (laten) onderzoeken of deze structuur in overeenstemming was met de Wft. [eiser] was binnen [onderneming 1] medeverantwoordelijk voor de inhoud en de samenstelling van de prospectussen voor de emissies I tot en met III en de daarbij gevoegde documenten. [eiser] was mede-verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken binnen [onderneming 1] en [onderneming 2] in Nederland. De feitelijke overboeking van de gelden naar [onderneming 3] werd door [eiser] (gezamenlijk met [a] ) geregeld.


4.7.

De rechtbank is met DNB van oordeel dat aan de drie in 4.3 vermelde criteria is voldaan en dat [eiser] derhalve als feitelijk leidinggevende aan de overtreding kan worden aangemerkt. Anders dan [eiser] heeft aangevoerd is de rechtbank van oordeel dat DNB zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld, dat ten aanzien van hem voldaan is aan het beschikkingscriterium. Het gaat om een relatief kleine onderneming, die naast de bestuurders geen werknemers in dienst had. Vaststaat dat de activiteiten die aan de overtreding ten grondslag liggen, de kern vormen van de onderneming van [onderneming 1] , die gezamenlijk door [eiser] , [a] en [b] werd bestuurd. Ieder voor zich, zo blijkt uit de door DNB vastgestelde feiten en – dit is ook in de uitspraak van deze rechtbank van 24 juli 2015 vastgesteld ten aanzien van [a] en [b] – had een eigen, actieve inbreng in de ontwikkeling en uitvoering van de activiteiten, terwijl zij elkaar daarover informeerden en gezamenlijk besloten. Gelet daarop kan [eiser] niet staande houden dat de bestaande taakverdeling in de weg staat aan het oordeel dat ieder van hen feitelijk leiding heeft gegeven aan de overtreding van het bankverbod. Ook wordt in de stukken geen steun gevonden voor de stelling dat [eiser] slechts een uitvoerende rol had.

[eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij de maximaal te vergen zorg in acht heeft genomen om te voorkomen dat hij feitelijk leiding zou hebben gegeven aan de overtreding van het bankverbod.

Het feit dat juridische specialisten zijn geraadpleegd bij de structurering van de activiteiten en het opstellen van diverse daarvoor benodigde documenten maakt niet dat hem ter zake in het geheel geen verwijt treft. Dit klemt temeer nu niet is gebleken dat hij aan één van deze adviseurs de vraag heeft voorgelegd of de gehele financieringsconstructie ten behoeve van de ontwikkeling van vastgoed in Thailand voldeed aan de toepasselijke wetgeving hier te lande, en meer in het bijzonder of die op grond van de Wft zonder meer was toegelaten.


Bevoegdheid

5. De rechtbank is van oordeel dat DNB terecht heeft geconcludeerd dat [eiser] in de periode van 16 juni 2011 tot 16 februari 2013 feitelijk leiding heeft gegeven aan de overtreding door [onderneming 1] van artikel 2:11, eerste lid, van de Wft, zodat zij op grond van artikel 1:81, tweede lid, van de Wft bevoegd was aan [eiser] een bestuurlijke boete op te leggen.


Verwijtbaarheid

6. Het subsidiaire betoog dat de overtreding [eiser] niet kan worden verweten, omdat [onderneming 1] zich gedurende het gehele proces van de onderscheiden emissies heeft laten bijstaan door specialisten vanuit diverse disciplines, faalt.

Op [eiser] rust een eigen verantwoordelijkheid om zich aan de wet te houden. Door kennis te nemen van de tekst van artikel 2:11 van de Wft en de daarbij behorende toelichting heeft hij zich een beeld kunnen vormen van het toepassingsbereik van deze bepaling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft DNB zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat specifiek advies over de strekking en overtreding van (artikel 2:11 van) de Wft is ingewonnen. Dit is ter zitting ook door [eiser] erkend. In beroep is slechts verwezen naar opdrachtbevestigingen en niet is gebleken dat advies is gevraagd aan kantoren die gespecialiseerd zijn in financieringsconstructies.


Evenredigheid van de boete

7. [eiser] betoogt dat het boetebedrag (verder) dient te worden gematigd vanwege de geringe ernst en verminderde verwijtbaarheid.

[eiser] stelt zich daarbij op het standpunt dat beleggers in de periode van de vermeende overtreding niet zijn benadeeld en dat geen enkele belegger heeft geklaagd of zijn zorgen heeft geuit over diens investering. Ten tijde van het primaire besluit betaalde [onderneming 1] steeds tijdig en volledig de coupon uit aan de beleggers en hebben zij dus geen hinder ondervonden van de omstandigheid dat [onderneming 1] niet onder toezicht stond. In dit verband heeft [eiser] gewezen op een uitspraak van het College voor het Beroep en bedrijfsleven (CBb) van 7 mei 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:CA1184) waarbij verminderde verwijtbaarheid is aangenomen omdat bij het bemiddelen in financiële producten consumenten niet zijn benadeeld. [eiser] stelt voorts dat zijn zaak gelijk is aan de zaak [c] (ECLI:NL:RBROT:2014:1436) waarbij verminderde verwijtbaarheid is aangenomen wegens het inwinnen van juridisch advies.

Daarnaast wijst [eiser] er op dat de overtreding reeds geruime tijd was beëindigd voordat DNB besliste tot het opleggen van de boete. Hij heeft steeds alle medewerking verleend aan het onderzoek door DNB en heeft mede besloten tot een herstructurering ten einde aan de vermeende overtreding een eind te maken. Ten onrechte is naar zijn opvatting uitgegaan van een basisbedrag van € 2.000.000,-, terwijl het hier om een boeteoplegging aan een natuurlijk persoon gaat. [eiser] doet een beroep op rechtsoverweging 7.3. van de uitspraak van deze rechtbank van 24 juli 2015 en stelt zich op het standpunt dat die passage ook op hem van toepassing is.


7.1.

Gelet op artikel 10 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector (Bbfs) valt een overtreding van artikel 2:11, eerste lid, van de Wft onder boetecategorie 3. Voor deze categorie geldt op grond van artikel 1:81, tweede lid, van de Wft het basisboetebedrag van € 2.000.000,-.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Bbfs verlaagt of verhoogt de toezichthouder het basisbedrag met ten hoogste 50 procent indien de ernst of duur van de overtreding een dergelijke verlaging of verhoging rechtvaardigt. Op grond van het derde lid verlaagt of verhoogt de toezichthouder het basisbedrag met ten hoogste 50 procent indien de mate van verwijtbaarheid van de overtreder een dergelijke verlaging of verhoging rechtvaardigt.


7.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft DNB de overtreding van het bankverbod gezien de duur, het aantal transacties en de omvang van de transactiestromen aanzienlijk in omvang kunnen achten en als ernstige overtreding kunnen beschouwen. Dat beleggers geen klachten zouden hebben heeft DNB naar het oordeel van de rechtbank niet van belang kunnen achten, omdat het doel van de Wft verder gaat dan het beschermen van belangen van beleggers. Dat beleggers niet zouden zijn benadeeld, hetgeen de rechtbank niet objectief heeft kunnen vaststellen, doet er niet aan af dat [eiser] als feitelijk leidinggevende in strijd met de Wft heeft gehandeld. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken dat de feiten en omstandigheden in de uitspraak van het CBb van 7 mei 2013 vergelijkbaar zijn met die van [eiser] en [onderneming 1] , alleen al omdat het daar een overtreding betreft van een ander wettelijk voorschrift dan hier aan de orde.


7.3.

Het beroep van [eiser] op het gelijkheidsbeginsel faalt. Van een gelijk geval als in de zaak van [c] is geen sprake. DNB heeft in het verweerschrift toegelicht dat de matiging van de boete in de zaak [c] niet slechts is gekoppeld aan het inwinnen van juridisch advies.


7.4.

DNB heeft het basisboetebedrag voor [eiser] , gezien de omvang van de aangetrokken gelden en de omstandigheden dat de overtreding inmiddels is beëindigd en dat hij medewerking heeft verleend aan het onderzoek naar de overtreding, gematigd tot € 100.000,-. DNB heeft onderscheid gemaakt tussen het opleggen van een bestuurlijke boete voor de natuurlijke personen en de onderneming, nu de feitelijk leidinggevenden allen (in eerste instantie) een boete van € 100.000,- kregen opgelegd en [onderneming 1] een boete van € 200.000,-.


7.5.

Net als in de uitspraak van 24 juli 2015 ziet de rechtbank in hetgeen is aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat de aan [eiser] opgelegde bestuurlijke boete van € 100.000,- op grond van de evenredigheid verder dient te worden gematigd met 25%.

Van apert kwade wil zijdens [eiser] is niet gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft DNB ten onrechte geen gewicht toegekend aan de omstandigheid dat de overtreding in korte tijd ongedaan is gemaakt en dat ook [eiser] zich hiertoe heeft ingespannen. Dat zijn rol afweek van [a] en [b] , zoals ter zitting gesteld, is de rechtbank onvoldoende gebleken. Kort nadat een openbare waarschuwing is uitgevaardigd (30 oktober 2012) en de voorzieningenrechter de dag erna uitspraak heeft gedaan, heeft [onderneming 1] zich op 1 november 2012 alsnog bereid verklaard emissies IV en V niet te laten plaatsvinden, dan wel te bevriezen. De personen die reeds gelden hadden ingelegd kregen hun gelden teruggestort. Vervolgens heeft de Raad van Commissarissen van [onderneming 2] op 7 januari 2013 toegezegd dat de door DNB geconstateerde overtreding zou worden beëindigd, hetgeen op 16 februari 2013 daadwerkelijk is gebeurd. De structuur is in zeer korte tijd omgezet.

Dit betekent dat aan [eiser] op die grond een boete van € 75.000,- dient te worden opgelegd.

Nu DNB in het bestreden besluit op een andere grond, namelijk bij de beoordeling van de draagkracht, reeds tot een matiging van het boetebedrag van € 75.000,- is gekomen, is [eiser] naar het oordeel van de rechtbank door het motiveringsgebrek niet benadeeld. De rechtbank passeert dit gebrek daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.


Draagkracht

8. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de boete verder dient te worden gematigd op grond van zijn gebrek aan draagkracht. Het is voor hem niet mogelijk een bedrag van € 75.000,-, te betalen over een periode van twee jaar. [eiser] voert aan dat hij vanaf 1 juli 2014 niet langer een dienstverband heeft met [onderneming 2] en sindsdien op projectbasis werkt vanuit een eigen vennootschap, [onderneming 4] , met alle financiële onzekerheden van dien. Daarbij stelt hij zich op het standpunt dat de door DNB voor het eerst in het verweerschrift kenbaar gemaakte draagkrachtberekening onjuist is.

Onduidelijk is hoe DNB over de jaren 2010-2014 tot een gemiddeld netto jaarinkomen van [bedrag 1] is gekomen, dit inkomen ligt lager. Met toekomstige verdiensten kan geen rekening worden gehouden. [eiser] is enig kostwinnaar van een gezin met vier kinderen, beschikt over geen enkele financiële reserve, heeft een hypothecaire schuld van [bedrag 2] met een maandelijkse betalingsverplichting van [bedrag 5] ,-, en een lening van [bedrag 3] - met een maandelijks aflossingspercentage van [bedrag 4] ,-. De reële kosten voor het onderhoud van een gezin met vier kinderen overstijgt het bedrag van € 400,- dat resteert na aftrek van de vaste lasten ruimschoots. Indien de boete niet wordt gematigd, zal [eiser] een beroep moeten doen op de schuldsanering.


8.1.

Volgens DNB heeft [eiser] over de jaren 2010-2014 een gemiddeld jaarinkomen van [bedrag 1] bruto (ter zitting is toegelicht dat dit bedrag eerder abusievelijk als netto bedrag is gepresenteerd). Zijn jaarlijkse vaste lasten, bestaande uit aflossing van de hypotheek, afbetaling van persoonlijke leningen en kosten voor levensonderhoud bedragen [bedrag 6] ,-. [eiser] heeft een vrijelijk beschikbaar inkomen van [bedrag 7] ,- op jaarbasis. Op grond daarvan acht DNB hem in staat om over een periode van twee jaar een boetebedrag van € 75.000,- te voldoen. Verdere matiging zou volgens het standpunt van DNB ernstig afbreuk doen aan het punitieve karakter van de opgelegde boete.


8.2.

De rechtbank is van oordeel dat uit hetgeen [eiser] in beroep heeft aangevoerd niet kan worden afgeleid dat hij de boete niet kan dragen. [eiser] heeft onvoldoende inzage gegeven in zijn financiële gegevens. Dat hij inmiddels geen of minder inkomsten zou genereren dan tijdens zijn werkzaamheden voor [onderneming 2] valt voor DNB en de rechtbank niet te verifiëren op basis van de huidige gegevens. Zo heeft DNB tijdens de zitting er terecht op gewezen dat zijn inkomsten vanuit [onderneming 4] onduidelijk zijn en dat er op een bankafschrift van oktober 2014 zowel een storting van € 2.700,- als van € 6.000,- is gedaan. Daarnaast is ter zitting gebleken dat [eiser] sinds 4 juli 2014 bestuurder van een onderneming genaamd [onderneming 5] is, maar daarvan heeft hij in het geheel geen gegevens overgelegd. Dat er geen gegevens zouden zijn dan wel dat [eiser] geen enkel inkomen uit deze onderneming zou hebben ontvangen is niet aannemelijk gemaakt. Voor matiging op grond van zijn draagkracht bestaat dan ook geen aanleiding.

Overigens is van belang dat ter zitting namens DNB desgevraagd is toegelicht dat een langere betalingstermijn dan twee jaar mogelijk is indien daartoe een voldoende gemotiveerd verzoek door [eiser] wordt gedaan.


Publicatie

9. DNB heeft het boetebesluit op 11 september 2014 op haar website gepubliceerd.

In het bestreden besluit heeft DNB overwogen dat zij geen reden ziet om de openbaarmaking in anonieme vorm te laten plaatsvinden, omdat geen van de in artikel 1:97, vierde lid, van de Wft genoemde omstandigheden aan volledige openbaarmaking in de weg staat.


9.1.

[eiser] betoogt met een beroep op artikel 1:97, vierde lid, van de Wft dat de openbaarmaking van de boetebesluiten geanonimiseerd dient plaats te vinden. Hij stelt dat hij in geval van volledige publicatie onevenredige schade lijdt.


9.2.

Deze beroepsgrond faalt. Op grond van artikel 1:97, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wft maakt de toezichthouder een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete ingevolge deze wet na bekendmaking openbaar, indien de bestuurlijke boete is opgelegd terzake overtreding van een bepaling, anders dan bedoeld onder a, die in de algemene maatregel van bestuur op basis van artikel 1:81, eerste lid, beboetbaar is gesteld met tariefnummer 3.

Op grond van het vierde lid geschiedt de openbaarmaking van het besluit in zodanige vorm dat het besluit niet herleidbaar is tot afzonderlijke personen, indien voorafgaand aan openbaarmaking door de toezichthouder kan worden vastgesteld dat bij volledige openbaarmaking:

a. voor zover de boete wordt opgelegd aan een natuurlijk persoon, bekendmaking van zijn persoonlijke gegevens onevenredig zou zijn;

b. betrokken partijen in onevenredige mate schade zou worden berokkend;

c. een lopend strafrechtelijk onderzoek zou worden ondermijnd; of

d. de stabiliteit van het financiële stelsel in gevaar zou worden gebracht.


9.3.

DNB heeft zich naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van één van de in artikel 1:97, vierde lid, van de Wft genoemde omstandigheden die aan volledige openbaarmaking in de weg staan.

DNB heeft haar belang bij integrale publicatie zwaarder kunnen laten wegen dan het door [eiser] gestelde belang bij geanonimiseerde publicatie. DNB heeft daarbij waarde kunnen hechten aan de omstandigheden dat het een ernstige overtreding betreft en dat van volledige publicatie generale en specifieke preventieve werking uitgaat.

Uit de uitspraak van het CBb van 22 januari 2015 (ECLI:NL:CBB:2015:6) volgt dat om te kunnen aannemen dat sprake is van onevenredige schade, het dient te gaan om een individuele, bijzondere situatie, waarbij de door de betrokkene als gevolg van de publicatie te verwachten schade zodanig uitzonderlijk is dat het belang van de bescherming van de markt daarvoor moet wijken. De rechtbank ziet in de door [eiser] gestelde reputatieschade en de omstandigheid dat de overtreding reeds in februari 2013 is beëindigd geen grond om aan te nemen dat sprake is van een uitzonderlijke situatie als hiervoor bedoeld.


10. Het beroep is ongegrond.


11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. Nifterick, voorzitter, en mr. M.C. Woudstra en mr.drs. A. Douwes, leden, in aanwezigheid van mr. E. Naaijen-van Kleunen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 december 2015.






griffier voorzitter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.