Rechtbank Rotterdam, 09-12-2015 / C/10/472041 / HA ZA 15-271


ECLI:NL:RBROT:2015:9449

Inhoudsindicatie
Rechtsmiddel van derdenverzet van artikel 376 Rv staat niet open omdat eiseres zich slechts beroept op benadeling in haar verhaalsmogelijkheden. Dit is niet een benadeling van een recht, maar een benadeling in een belang. Hierdoor is niet voldaan aan de vereisten van artikel 376 Rv. Ook anno 2015 bestaat geen aanleiding voor een verruiming van de situaties waarin sprake is van benadeling van een recht.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-12-09
Publicatiedatum
2015-12-18
Zaaknummer
C/10/472041 / HA ZA 15-271
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel



zaaknummer / rolnummer: C/10/472041 / HA ZA 15-271


Vonnis van 9 december 2015


in de zaak van


de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

IMPRO HERGISWIL AG,

gevestigd te Hergiswil, Zwitserland,

eiseres,

advocaat mr. M. Bonarius,


tegen


1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KOREA TRADE AND DISTRIBUTION CENTER B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. P.J. Peters,


2. de rechtspersoon naar het recht van de plaats van haar vestiging

AGRICULTURAL AND FISHERY MARKETING CORPORATION,

gevestigd te Seoul, Zuid-Korea,

gedaagde,

advocaat mr. D.D. Castelijns.



Partijen worden hierna aangeduid als Impro, KTDC en AFMC.



1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaardingen van 27 februari 2015, met de producties 1 tot en met 15;
  • - de conclusie van antwoord van KTDC, met de producties 1 tot en met 22;
  • - de conclusie van antwoord van AFMC, met de producties 1 tot en met 32;
  • - het tussenvonnis van 22 juli 2015, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;
  • - het proces-verbaal van de comparitie van 13 oktober 2015 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Op de comparitie is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.




2Het geschil

Impro vordert, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:

het verzet tegen het vonnis van 5 november 2008, gewezen tussen AFMC en KTDC, gegrond te verklaren;

het vonnis van 5 november 2008 te vernietigen;

KTDC en AFMC hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.


KTDC en AFMC voeren verweer hiertegen en concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van Impro in haar vorderingen, althans tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Impro in de proceskosten, dit uitvoerbaar bij voorraad. AFMC vordert ook rente over de proceskosten en nakosten.


3 3. De overwegingen

3.1.

De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

Impro heeft, op basis van een arrest van 20 november 2012 van het hof Amsterdam, een titel voor een vordering op KTDC van circa € 1,5 miljoen, te vermeerderen met rente en kosten.

Impro heeft ten laste van KTDC beslag gelegd, onder meer op de onroerende zaken van KTDC. Dit is begonnen met een in 1996 gelegd conservatoir beslag.

Op 5 november 2008 is door de rechtbank Rotterdam een verstekvonnis gewezen tussen AFMC en KTDC (met kenmerk: 311018 / HA ZA 08-1737). Hierbij is KTDC veroordeeld tot betaling aan AFMC van het equivalent in euro’s van circa 8,7 miljard Koreaanse Won, te vermeerderen met rente en kosten. Dit gaat inmiddels per saldo om een bedrag van circa € 6,5 miljoen.

AFMC heeft ten laste van KTDC beslag gelegd, onder meer op de onroerende zaken van KTDC. Dit is begonnen met een in juli 2008 gelegd conservatoir beslag, dat daarna executoriaal is geworden.

De beslagen zaken zijn nog niet uitgewonnen.


3.2.

Door middel van deze procedure wenst Impro als derde in verzet te komen tegen het vonnis van de rechtbank van 5 november 2008, dat tussen gedaagden is gewezen. Dit betreft het rechtsmiddel van derdenverzet dat in artikel 376 Rv is geregeld.

Artikel 376 Rv luidt:

“Derden zijn bevoegd zich te verzetten tegen een vonnis hetwelk hunne regten benadeelt, indien zij noch in persoon, noch wettiglijk vertegenwoordigd, of indien zij welke zij vertegenwoordigen, in het geding niet zijn geroepen, of door voeging of tusschenkomst geene partij zijn geweest”.


3.3.

De rechtbank zal eerst beoordelen of Impro in dit geval bevoegd is zich tegen het vonnis van 5 november 2008 te verzetten.


3.3.1.

Bij dagvaarding voert Impro aan dat zij door het vonnis van 5 november 2008 wordt benadeeld, omdat zij de executie-opbrengsten zal moeten delen met AFMC, naar verhouding van hun vorderingen. Volgens Impro wordt zij daardoor in haar rechten benadeeld. Nu zij in de procedure tussen gedaagden niet is opgeroepen en daarin niet door voeging of tussenkomst partij is geweest, is zij op grond van artikel 376 Rv bevoegd zich te verzetten tegen genoemd vonnis, aldus Impro.

Ter nadere onderbouwing voert Impro aan dat sprake is geweest van schijnovereenkomsten, met name overeenkomsten van geldlening, tussen gedaagden, die de basis hebben gevormd voor het vonnis van 5 november 2008. De geldleningen hebben alleen als doel het recht van verhaal door Impro te frustreren. Impro betoogt dat AFMC geen vorderingen had op KTDC, althans dat alle kosten van KTDC al jaarlijks waren vereffend met AFMC. Verder betoogt Impro dat de gestelde vorderingen op 5 november 2008 waren verjaard. Volgens Impro zou er nooit een veroordelend vonnis zijn gekomen indien de rechtbank destijds had geweten dat sprake was van schijnovereenkomsten.

Volgens Impro wordt zij benadeeld in haar recht op verhaal, omdat verhaal grotendeels onmogelijk is, gelet op de omvang van de beide vorderingen en de relatief beperkte verhaalsmogelijkheden bij KTDC. Impro voert aan dat zij moet worden beschermd in haar recht op tenuitvoerlegging wanneer die tenuitvoerlegging wordt gehinderd door een vonnis dat tot stand is gekomen door een samenwerking tussen AFMC en KTDC met het oogmerk Impro te benadelen.


3.3.2.

Gedaagden hebben aangevoerd dat het rechtsmiddel van derdenverzet van artikel 376 Rv voor Impro niet openstaat omdat Impro zich slechts beroept op benadeling in haar verhaalsmogelijkheden. Dit is niet een benadeling van een recht, maar een benadeling in een belang. Hierdoor is niet voldaan aan de vereisten van artikel 376 Rv, aldus gedaagden.


3.4.

De vraag is of het vonnis van 5 november 2008 de rechten van Impro benadeelt. Alleen dan staat voor Impro het rechtsmiddel van derdenverzet open. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de stellingen van Impro niet dat zij in een of meer rechten wordt benadeeld door het vonnis. Haar betoog ziet uitsluitend op de invordering van haar vordering op KTDC, ook al spreekt Impro (ook) over een recht op verhaal en/of een recht op tenuitvoerlegging.

Niet onaannemelijk is dat Impro nadeel ondervindt van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 5 november 2008. Impro en AFMC verhalen zich immers op dezelfde vermogensbestanddelen van KTDC en zullen dus executie-opbrengsten moeten delen, al dan niet met nog andere schuldeisers. Dit nadeel is echter feitelijk van aard en staat niet gelijk aan benadeling van een recht. De rechtbank heeft hierbij ook het volgende in aanmerking genomen.


3.5.

Gedaagden hebben in dit kader ter ondersteuning van hun standpunt verwezen naar jurisprudentie, waaruit voortvloeit dat (slechts) in drie omschreven situaties sprake is van benadeling van een recht. Volgens Impro is, waar het onder meer gaat over een arrest van de Hoge Raad uit 1939, sprake van wel zeer oude jurisprudentie.


3.5.1.

In de onderhavige zaak is niet in discussie dat geen sprake is van een of meer van de drie bedoelde situaties waarin sprake is van benadeling van een recht. In het bijzonder heeft het vonnis van 5 november 2008 geen gezag van gewijzigde dat zich uitstrekt tot Impro, betreft het geen constitutief vonnis en bevat het geen voor executie vatbare veroordeling die ook een recht van Impro rechtstreeks raakt (hetgeen anders zou liggen als op basis van het vonnis vermogensbestanddelen van Impro zouden kunnen worden uitgewonnen).


3.5.2.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat anno 2015 ook het verhaalsbelang van Impro als een benadeling van een recht moet worden aangemerkt. De rechtbank verwijst in dit kader naar het arrest van de Hoge Raad van 28 november 2014 (met toepassing van artikel 81 lid 1 RO; zie ECLI:NL:HR:2014:3452) en in het bijzonder de desbetreffende conclusie van de Advocaat-Generaal van 26 september 2014 (ECLI:NL:PHR:2014:1834). In deze conclusie worden voornoemde drie situaties besproken en wordt aandacht besteed aan het restrictieve karakter van het rechtsmiddel derdenverzet en wordt geen aanleiding gezien voor een verruiming (zie met name onder 2.4.2 en 2.4.4). De rechtbank sluit zich hierbij aan.


3.6.

Hieruit volgt dat Impro niet bevoegd is verzet in te stellen tegen het vonnis van 5 november 2008. De rechtbank zal Impro niet-ontvankelijk verklaren in haar vorderingen. Dit leidt er ook toe dat de inhoudelijke standpunten van partijen niet aan de orde komen in dit vonnis.


3.7.

Impro zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten begroot de rechtbank, voor beide gedaagden afzonderlijk, op € 904 voor advocatensalaris (2 forfaitpunten in tarief II).


3.8.

Voor een zelfstandige veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (voor € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Impro niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak).



4De beslissing

De rechtbank:

4.1.

verklaart Impro niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde derdenverzet tegen het vonnis van 5 november 2008, gewezen in de zaak tussen AFMC en KTDC;


4.2.

veroordeelt Impro in de kosten van de procedure, aan de zijde van KTDC begroot op € 904 en aan de zijde van AFMC op € 904;


4.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;


4.4.

veroordeelt Impro tot betaling aan AFMC van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag van de kostenveroordeling indien dat bedrag niet binnen 14 dagen na dit vonnis wordt voldaan.


Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en is in het openbaar uitgesproken op 9 december 2015.

1694 / 1980