Rechtbank Rotterdam, 17-12-2015 / 486747


ECLI:NL:RBROT:2015:9740

Inhoudsindicatie
Gesloten machtiging wordt niet beëindigd vanwege gebrek aan financiële middelen om het terugplaatsingstraject te begeleiden.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-12-17
Publicatiedatum
2015-12-24
Zaaknummer
486747
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • PFR-Updates.nl 2016-0002
Uitspraak

beschikking



RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd


zaakgegevens: C/10/486747 / JE RK 15-3138

datum uitspraak: 17 december 2015


beschikking in de zaak van
[Naam moeder] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats] ,


betreffende


[Naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [roepnaam] .


De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:


de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen de GI,

gevestigd te Rotterdam.


Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 5 november 2015 en de

daaraan ten grondslag liggende stukken;

- een ter zitting overgelegde brief van de advocaat van de moeder, mr. Y.M. Schrevelius, van

30 november 2015, met als bijlage het veiligheidsplan dat [naam minderjarige] en zijn moeder hebben opgesteld en ondertekend;

- de briefrapportage van de GI van 2 december 2015, ingekomen bij de griffie op

3 december 2015;

- een brief van de advocaat van de moeder van 14 december 2015, die, zoals ter terechtzitting is besproken, mee zal worden genomen in de beoordeling;

- een brief van de GI van 16 december 2015, die, zoals ter terechtzitting is besproken, zal worden meegenomen in de beoordeling.


Op 9 december 2015 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de minderjarige [naam minderjarige] , in bijzijn van zijn advocaat mr. G.E. van der Pols,

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. Y.M. Schrevelius voornoemd,

- namens de GI, mw. [naam 1] en mw. [naam 2] .


De minderjarige [naam minderjarige] is tevens afzonderlijk gehoord, ook in bijzijn van zijn advocaat.




De feiten

Het ouderlijk gezag over [naam minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder.


[naam minderjarige] verblijft in Harreveld, een instelling voor gesloten jeugdhulp van Avenier.


Bij beschikking van 23 januari 2015 is [naam minderjarige] onder toezicht gesteld tot 23 januari 2016.


Bij beschikking van 14 september 2015 is een machtiging gesloten jeugdhulp verleend met ingang van 1 oktober 2015 tot 23 januari 2016.


Het verzoek

Namens de moeder is het verzoek gewijzigd, in die zin dat thans wordt verzocht de machtiging gesloten plaatsing van 14 september 2015 op te heffen en subsidiair om de machtiging om te zetten in een voorwaardelijke machtiging.


Ter zitting is het verzoek door en namens de moeder als volgt toegelicht.

Volgens de moeder is het niet in het belang van [naam minderjarige] dat hij nog langer in Harreveld blijft. [naam minderjarige] blijkt in de instelling nauwelijks behandeling voor zijn problematiek te krijgen. Hij is op eigen initiatief Concerta gaan slikken. Daarbij komt dat [naam minderjarige] - onder meer vanwege het tijdelijk stopzetten van zijn verloven - zijn zoontje [naam 3] al enkele weken niet heeft gezien. [naam minderjarige] kan op deze manier geen band met [naam 3] opbouwen.


Wat de GI betreft komt een thuisplaatsing bij moeder pas in zicht als [naam minderjarige] een dagbesteding in de vorm van onderwijs heeft en het MST-traject is gestart. Gebleken is dat [naam minderjarige] op zijn vroegst op 1 februari 2016 kan starten met een opleiding op het Albeda College. Zowel de moeder als [naam minderjarige] zetten zich in om alsnog voor een dagbesteding voor [naam minderjarige] te zorgen. De moeder heeft op korte termijn een gesprek voor het regelen van een Reboundschool en [naam minderjarige] wil in een Turkse winkel gaan werken. Ook is het verlof van [naam minderjarige] in het afgelopen weekend goed verlopen. Het grote probleem is dat er tot het einde van het jaar 2015 geen financiële middelen zijn om het MST-traject in te zetten, maar daar moet [naam minderjarige] niet de dupe van worden.


Het standpunt van de GI

Namens de GI heeft [naam 1] ter zitting voornoemde briefrapportage van

2 december 2015 als volgt toegelicht. In Harreveld wordt gewerkt met een sociaal competentiemodel en een methodiek waarbij de minderjarige zijn eigen doelen moet stellen. Harreveld was voornemens om EMDR in te zetten, maar [naam minderjarige] bleek hier niet gemotiveerd voor te zijn. Wel heeft Tactus reeds een aanvang genomen om de drugsproblematiek van [naam minderjarige] aan te pakken. Harreveld heeft aangegeven drie tot zes maanden voor de behandeling nodig te hebben. [naam 1] heeft medegedeeld dat de GI geen alternatieven voor MST heeft gevonden. De komende periode wil de GI gebruiken om te onderzoeken wanneer een dagbehandeling voor [naam minderjarige] in 2016 zou kunnen starten. Vanuit MST is aangegeven dat [naam minderjarige] eerst een dagbesteding moet hebben. [naam minderjarige] kan nu wel al worden aangemeld. De GI stelt zich op het standpunt dat op het moment dat een dagbesteding en MST voor [naam minderjarige] zijn geregeld en [naam minderjarige] daarnaast heeft laten zien dat zijn verloven goed verlopen, een terugplaatsing bij zijn moeder mogelijk is. Een eventuele opname bij De Fjord is niet meer aan de orde, omdat [naam minderjarige] hiervoor niet gemotiveerd is.

Ten aanzien van het subsidiaire verzoek heeft [naam 1] kenbaar gemaakt dat met Harreveld is besproken of een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp tot de mogelijkheden behoort. Harreveld staat niet achter de voorwaarden zoals ze thans zijn gesteld. Er missen nog zaken en [naam minderjarige] is volgens Harreveld nog niet toe aan een voorwaardelijke machtiging.


Het standpunt van de minderjarige

Door en namens [naam minderjarige] is ter zitting kenbaar gemaakt dat [naam minderjarige] zich aansluit bij het (gewijzigde) verzoek van de moeder.

[naam minderjarige] verblijft al gedurende lange tijd in Harreveld. In die tijd is er - behalve mentorgesprekken - nauwelijks behandeling aan [naam minderjarige] aangeboden. Tactus blijkt al enkele weken niet meer voor [naam minderjarige] te worden ingezet. Ook leert de ervaring dat Harreveld niet de mogelijkheden heeft om binnen de instelling EMDR-therapie te kunnen geven. Thans is wel het sociaal competentiemodel werkzaam en het veiligheidsplan dat door [naam minderjarige] en zijn moeder is opgesteld, is goed doordacht. Hierbij komt dat [naam minderjarige] vanuit de instelling geen (structurele) bezoekregeling met zijn zoon [naam 3] vast kan laten stellen. Er is afgesproken dat [naam minderjarige] af en toe [naam 3] kan zien, maar dit is onvoldoende om een goede band op te bouwen. In de thuissituatie zou een goede regeling wel mogelijk zijn.

[naam minderjarige] is er de dupe van dat er op dit moment geen financiële middelen zijn voor het MST-traject, terwijl het verblijf in Harreveld en de zorg die hij daar ontvangt, meer kosten met zich brengt. Gelet op het vorenstaande gaat de voorkeur uit naar een thuisplaatsing van [naam minderjarige] met een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp. Nu de betrokken jeugdhulpaanbieder - Harreveld - niet akkoord gaat met een voorwaardelijke machtiging, kan deze formeel gezien niet worden verleend. Bepleit is om [naam minderjarige] in ieder geval thuis te plaatsen. Er zijn nog voldoende mogelijkheden wat betreft een dagbesteding die kunnen worden onderzocht. Naast een stage of vrijwilligers(werk) zou [naam minderjarige] zich bijvoorbeeld bij het project Opboxen aan kunnen melden. De Boumankliniek zou het drugsgebruik van [naam minderjarige] kunnen controleren.


De beoordeling

De moeder heeft bij brief van 30 november 2015 het op artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek gebaseerde verzoek gewijzigd, in die zin dat thans wordt verzocht om op grond van artikel 1:265d, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek de machtiging tot uithuisplaatsing te beëindigen. Dit artikel is op grond van de schakelbepaling zoals neergelegd in artikel 6.1.2 van de Jeugdwet ook van toepassing op de zogenoemde gesloten machtiging.


De moeder heeft evenwel verzuimd om eerst de GI te verzoeken om de machtiging te beëindigen, terwijl dit wel, zoals volgt uit artikel 265d, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, een vereiste is om de moeder de kunnen ontvangen in het aan de kinderrechter gerichte verzoek om de gesloten machtiging te beëindigen. De uitdrukkelijke wens van zowel de moeder als [naam minderjarige] om de gesloten machtiging te beëindigen is evenwel ter zitting van 5 november 2015 uitvoerig besproken en in de beschikking van de kinderrechter van diezelfde datum is aan de GI de opdracht gegeven om te onderzoeken onder welke voorwaarden de gesloten machtiging beëindigd zou kunnen worden. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting van 10 december 2015 blijkt echter dat de GI een terugplaatsing van [naam minderjarige] bij de moeder nog steeds niet verantwoord acht. Hieruit kan worden afgeleid dat de GI een tot haar gericht verzoek om de gesloten machtiging te beëindigen ook zeer waarschijnlijk zou hebben geweigerd. Onder deze omstandigheden ziet de kinderrechter reden om het voormelde vormverzuim te passeren en het gewijzigde verzoek van de moeder toch inhoudelijk te beoordelen.


De GI heeft ter zitting gesteld dat zij pas tot een terugplaatsingstraject willen besluiten als [naam minderjarige] een dagbesteding heeft en MST kan worden ingezet. Uit de brief van de GI van 16 december 2015 volgt dat op zijn vroegst begin januari 2016 MST door de Viersprong kan worden ingezet en dat er ongeveer twee weken benodigd zijn om een goed ‘terugkeerplan’ te maken, voordat [naam minderjarige] definitief wordt teruggeplaatst. Bovendien heeft de GI ter zitting onweersproken gesteld dat MST pas kan worden ingezet als [naam minderjarige] een zinvolle dagbesteding heeft. Hoewel uit de nagezonden stukken blijkt dat [naam minderjarige] , de moeder en de GI van alles proberen om voor [naam minderjarige] een zinvolle dagbesteding te vinden, is dat tot op heden niet gelukt. Weliswaar is door de moeder een brief overgelegd van de eigenaar van een Turkse supermarkt dat [naam minderjarige] daar kan gaan werken, maar die enkele brief acht de kinderrechter onvoldoende om aan te nemen dat [naam minderjarige] tot 1 februari 2016 van een zinvolle en structurele dagbesteding verzekerd is.


Gelet op het belang van een goed begeleide terugplaatsing van [naam minderjarige] door de Viersprong, zal de kinderrechter het verzoek om (voorwaardelijke) beëindiging van de gesloten machtiging afwijzen. Indien [naam minderjarige] op dit moment zou worden teruggeplaatst zonder enkele vorm van begeleiding bestaat de reële kans dat [naam minderjarige] opnieuw een terugval krijgt en dat hij opnieuw (met spoed) gesloten geplaatst zal moeten worden. Dat MST niet direct kan worden ingezet vanwege een gebrek aan financiële middelen en er geen alternatieven voorhanden zijn om de terugplaatsing van [naam minderjarige] te begeleiden, is zuur voor [naam minderjarige] en zijn moeder, maar helaas een omstandigheid waar de GI noch de kinderrechter verandering in kunnen brengen. De kinderrechter geeft de GI wel in overweging om in aanloop naar de inzet van MST [naam minderjarige] meer vrijheden te gunnen, zodat hij kan bewijzen dat hij zich aan de gemaakte afspraken kan houden.



De beslissing

De kinderrechter:


wijst af het verzoek tot beëindiging van de machtiging tot uithuisplaatsing;


wijst ook af het overig verzochte.



Deze beschikking is gegeven door mr. J. de Gans, kinderrechter, in tegenwoordigheid van

M.A. den Hartog als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2015.






Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshofDen Haag.