Rechtbank Rotterdam, 16-02-2015 / 466060 / HA RK 14-1105


ECLI:NL:RBROT:2015:9837

Inhoudsindicatie
Wrakingsverzoek afgewezen. Het proces-verbaalv van de zitting biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de rechter met zijn constatering dat de naam van verzoekster op de overgelegde foto te zien is, zover vooruit gelopen is op enige eindbeslissing, dat daar een schijn van partijdigheid uit voortvloeit. Dat een vonnis van de rechter in een andere zaak waarin verzoekster partij was, in hoger beroep niet in stand is gebleven, is evenmin voldoende om een schijn van partijdigheid op te leveren.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-02-16
Publicatiedatum
2016-01-08
Zaaknummer
466060 / HA RK 14-1105
Procedure
Wraking
Rechtsgebied
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken


Zaaknummer / rekestnummer: 10/466060 HA RK 14-1105


Beslissing van 16 februari 2015


op het verzoek van


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam vennootschap],

gevestigd te [plaats van vestiging],

verzoekster,

verschenen bij [naam directeur], directeur van verzoekster,


strekkende tot wraking van:

mr. A.J.L.M. van der Wildt, rechter in de rechtbank Rotterdam, afdeling privaatrecht, team kanton 1 (hierna: de rechter).



1Het procesverloop en de processtukken


Ter zitting van 11 december 2014 is door de rechter behandeld de tegen verzoekster ingestelde civielrechtelijke vordering. Die procedure draagt als kenmerk

2971776 \ CV EXPL 14-17335.


Bij gelegenheid van die behandeling heeft verzoekster wraking van de rechter verzocht.


De wrakingskamer heeft kennis genomen van het dossier van de hiervoor genoemde civielrechtelijke procedure, waarvan deel uitmaakt het proces-verbaal van de hiervoor genoemde zitting.


Verzoekster alsmede de rechter zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaand aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 12 januari 2015.


Ter zitting van 2 februari 2015, waar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn verschenen verzoekster en de rechter. Verzoekster en de rechter hebben hun standpunten nader toegelicht.



2Het verzoek en het verweer daartegen


2.1

Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 11 december 2014 heeft verzoekster ter adstructie van het wrakingsverzoek - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

Tijdens de zitting van 11 december 2014 heeft verzoekster gesteld dat de naam [naam vennootschap] op de folies op het raam van het bedrijfspand van verzoekster van buitenaf niet te zien is. Verzoekster hoorde de kantonrechter daarop zeggen dat hij de naam van verzoekster op de door de wederpartij van verzoekster overgelegde foto’s wel kon zien en dat die waarneming een vaststelling is. Verzoekster leidt daaruit af dat de rechter vooringenomen is. De rechter herleidde niet maar gaf een punt en legde verzoekster bovendien woorden in de mond die niet kloppen met hetgeen verzoekster heeft gezegd. Verzoekster heeft al eerder met de rechter van doen gehad en de rechter vertoonde toen hetzelfde gedrag. Tijdens de behandeling van het onderhavige wrakingsverzoek heeft verzoekster verduidelijkt dat zij met haar stelling dat zij eerder met de rechter van doen heeft gehad, en dat de rechter toen hetzelfde gedrag vertoonde, doelt op een andere zaak waarin de rechter verzoekster in het ongelijk heeft gesteld en waarin zij het hoger beroep vervolgens gewonnen heeft. Verzoekster maakt hieruit op dat de rechter iets tegen verzoekster of haar directeur heeft.


De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking kan opleveren. Daarbij heeft de rechter in zijn brief van 12 januari 2015 – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

Verzoekster heeft tot op heden nagelaten toe te lichten waaruit blijkt dat de rechter vooringenomen is geweest. Indien en voor zover verzoekster erop doelt dat de rechter hem als procespartij kritisch heeft bevraagd op de reconventionele vordering, dan is dat op zich juist. Doelstelling van een comparitie van partijen is om zoveel mogelijk de door partijen gestelde feiten te bespreken en vast te stellen wat wel en wat niet ter discussie staat. De stellingen van verzoekster waren in conventie en in reconventie beperkt en de rechter heeft verzoekster gevraagd om de feiten waarop de reconventionele vordering gebaseerd is aan te voeren en te verduidelijken. Verzoekster slaagde daar slechts beperkt in en daarom was nadere vraagstelling door de rechter geboden. Op een enig moment heeft de rechter verzoekster een aantal foto’s voorgehouden uit de laatste conclusie van de wederpartij van verzoekster en ontspon zich de discussie of de tekst op de folie van de ramen van buitenaf leesbaar was. De rechter heeft toen vastgesteld dat hij die tekst kon lezen en heeft dat aan partijen medegedeeld. Verzoekster heeft te kennen gegeven dat het niet leesbaar was. Uit die vaststelling van de rechter blijkt niet dat sprake zou zijn van vooringenomenheid.



De overige stellingen van verzoekster en de rechter worden – voor zover van belang – in de beoordeling besproken.


3De beoordeling


3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert, althans dat door verzoekster geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.


3.2

Aan de door verzoekster aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter door zijn persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is.


3.3

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoekster geuite vrees dat de rechter jegens haar een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoekster van belang, maar is deze niet doorslaggevend.


3.4

De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt. Het proces-verbaal van de zitting biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de rechter met zijn constatering dat de naam van verzoekster op de overgelegde foto te zien is, zover vooruit gelopen is op enige eindbeslissing, dat daar een schijn van partijdigheid uit voortvloeit.


3.5

Evenmin is het feit dat een vonnis van de rechter in een andere zaak waarin verzoekster partij was, in hoger beroep niet in stand is gebleven, voldoende om een schijn van partijdigheid op te leveren. Feiten die op dit punt tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, heeft verzoekster niet aangedragen.



De wrakingskamer heeft er goede nota van genomen dat zowel in de wrakingsprocedure als in de civiele procedure problemen zijn opgetreden in de verzending van stukken naar verzoekster, met name als gevolg van een gedeeltelijk verkeerde tenaamstelling. Hieraan kan - daargelaten nog dat verzoekster dit feit in strijd met artikel 37, lid 3, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet gelijk bij het wrakingsverzoek naar voren heeft gebracht - echter op zichzelf noch in combinatie met de overige door verzoekster naar voren gebrachte punten een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid van de rechter worden ontleend. Verzoekster heeft er wel gelijk in dat juiste verzending van stukken aandacht verdient.


3.7

Het verzoek is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.



4De beslissing


wijst af het verzoek tot wraking van mr. A.J.L.M. van der Wildt.


Deze beslissing is gegeven door mr. A.J.P van Essen, voorzitter, mr. A. Eerdhuijzen en mr. P. Vrolijk, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van

16 februari 2015 in tegenwoordigheid van mr. E.M. Beumer, griffier.





Verzonden op:


aan:

- verzoekster;

- mr. A.J.L.M. van der Wildt;

- [naam] v.o.f.