Rechtbank Rotterdam, 14-01-2015 / 465609 / HA RK 14-1022


ECLI:NL:RBROT:2015:9838

Inhoudsindicatie
Wrakingsverzoek afgewezen. Het behoort tot de taak van de (kanton)rechter om naar aanleiding van de stellingen van de partijen nader onderzoek te doen en zo nodig kritische vragen te stellen. Een comparitie van partijen heeft tot doel het verkrijgen van inlichtingen en het beproeven van een schikking. De rechter kan zich hierbij actief opstellen. Uit het - tot het moment van wraking - enkel stellen van (kritische) vragen door de rechter aan één der procespartijen, kan dan ook niet worden opgemaakt, dat de rechter vooringenomenheid koestert jegens die procespartij. Het gegeven dat verzoeker tijdens de comparitie van partijen op de vragen van de rechter onduidelijke dan wel onvolledige antwoorden gaf, dan wel leek te geven, kan juist aanleiding voor de rechter zijn geweest om door te vragen ten einde een helder beeld te krijgen van de zaak. In dit licht bezien, geeft hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht geen aanleiding om aan te nemen, dat er zich omstandigheden hebben voorgedaan die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koesterde, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees, objectief gerechtvaardigd was.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-01-14
Publicatiedatum
2016-01-08
Zaaknummer
465609 / HA RK 14-1022
Procedure
Wraking



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR-Updates.nl 2016-0017
Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken


Zaaknummer / rekestnummer: 465609 / HA RK 14-1022


Beslissing van 14 januari 2015


op het verzoek van


[naam verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat mr. O.J. Praamstra,


strekkende tot wraking van:

mr. V.F. Milders, rechter in de rechtbank Rotterdam, afdeling privaatrecht, team Kanton III (hierna: de rechter).



1Het procesverloop en de processtukken


Bij dagvaarding van 24 juli 2014 heeft verzoeker [naam vennootschap] gedagvaard te verschijnen ter openbare terechtzitting van 14 augustus 2014 van deze rechtbank in de procedure van verzoeker tegen [naam vennootschap] Bij vonnis van 1 oktober 2014 is een comparitie van partijen gelast, die op 10 december 2014 zou plaatsvinden voor de rechter.

Deze procedure draagt als kenmerk 3301982 CV EXPL 14-37853.


Bij gelegenheid van de comparitie van partijen op 10 december 2014 heeft de raadsman van verzoeker de wraking van de rechter verzocht.


De wrakingskamer heeft kennis genomen van het dossier met zaaknummer 3301982 CV EXPL 14-37853, waarin zich onder meer bevindt het proces-verbaal van de op 10 december 2014 gehouden comparitie van partijen.


Verzoeker, diens advocaat, alsmede de rechter zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 30 december 2014.


Ter zitting van 8 januari 2015, waar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn verschenen verzoeker en diens raadsman mr. Praamstra, de rechter, alsmede mr. Bor namens [naam vennootschap]

De raadsman van verzoeker alsmede de rechter hebben hun standpunt nader toegelicht.






2Het verzoek en het verweer daartegen



Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft de raadsman van verzoeker namens verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

Mijn cliënt is door zijn werkgever [naam vennootschap] op staande voet ontslagen in verband met een incident in 2013. De werkgever van cliënt heeft cliënt naar aanleiding van dat incident geconfronteerd met haar bevindingen. Op dat moment was mijn cliënt echter niet duidelijk op welk incident zijn werkgever doelde, waardoor cliënt niet goed heeft kunnen reageren op de stelling van zijn werkgever.

Ten aanzien van het wrakingsverzoek is niet het standpunt van cliënt dat de rechter hem geen vragen mocht stellen over dat incident. Het standpunt is dat mijn cliënt op de vragen van de rechter steeds heeft aangegeven dat hij het antwoord niet wist, waarna de rechter desondanks bleef doorvragen. Aan de andere procespartij werden geen vragen gesteld. Door het handelen van de rechter is bij cliënt de indruk ontstaan dat de rechter slechts doende was het standpunt van cliënt te falsifiëren. Cliënt had reeds stukken ingediend en op vragen van de rechter meermalen aangegeven het antwoord niet te weten. Op het desondanks doorvragen van de rechter kon cliënt alleen onsamenhangende antwoorden geven, hetgeen gevolgen kan hebben voor de geloofwaardigheid van cliënt. Door zo te handelen heeft de rechter de geloofwaardigheid van mijn cliënt ondergraven, waardoor bij mijn cliënt de vrees is ontstaan dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koesterde.


2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven, dat niet sprake is van een omstandigheid, die grond tot wraking kan opleveren. Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

Het klopt dat ik vragen aan verzoeker heb gesteld over hetgeen was voorgevallen op de dag dat hij op staande voet is ontslagen. Ook heb ik doorgevraagd op de antwoorden van verzoeker en heb ik verzoeker met een aantal van zijn antwoorden geconfronteerd. Ik achtte een en ander van belang om een goed beeld te krijgen van de herinneringen van verzoeker over die dag en, niet in de laatste plaats, met het oog op het vaststellen van de relevante feiten en omstandigheden.

Niet valt in te zien waarom en in hoeverre ik met en door het stellen van vragen over de gang van zaken, de indruk heb gewekt het voor de (stellingname van) de wederpartij op te nemen.


2.3

Ter zitting heeft de rechter, in aanvulling op het bovenstaande, - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

Ook ter zitting van de wrakingskamer hoor ik niets, waaruit ik kan opmaken, wat het verwijt is dat mij gemaakt wordt, anders dan dat ik verzoeker vragen heb gesteld en dat ik kritisch heb doorgevraagd naar de herinneringen van verzoeker aan de dag, dat hij op staande voet is ontslagen. Dit heb ik gedaan, omdat bij mij de indruk bestond, dat verzoeker meer herinneringen had dan tot dan toe naar voren waren gekomen. Het kan zo zijn dat de raadsman van verzoeker verrast, of mogelijk onaangenaam verrast was door de antwoorden die verzoeker gaf op mijn vragen. Ik zie echter niet waarom ik mij zou moeten onthouden van het stellen van vragen over de voor deze zaak belangrijke gebeurtenis.



3De beoordeling


3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.


3.2

Aan de namens verzoekster aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter door zijn persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is. Ook overigens is voor zodanig oordeel bij het onderzoek ter terechtzitting geen houvast gevonden.


3.3

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de namens verzoekster geuite vrees dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is.


3.4

De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.

Het behoort tot de taak van de (kanton)rechter om naar aanleiding van de stellingen van de partijen nader onderzoek te doen en zo nodig kritische vragen te stellen. Een comparitie van partijen heeft tot doel het verkrijgen van inlichtingen en het beproeven van een schikking. De rechter kan zich hierbij actief opstellen.

Uit het - tot het moment van wraking - enkel stellen van (kritische) vragen door de rechter aan één der procespartijen, kan dan ook niet worden opgemaakt, dat de rechter vooringenomenheid koestert jegens die procespartij. Het gegeven dat verzoeker tijdens de comparitie van partijen op de vragen van de rechter onduidelijke dan wel onvolledige antwoorden gaf, dan wel leek te geven, kan juist aanleiding voor de rechter zijn geweest om door te vragen ten einde een helder beeld te krijgen van de zaak.


In dit licht bezien, geeft hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht geen aanleiding om aan te nemen, dat er zich omstandigheden hebben voorgedaan die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koesterde, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees, objectief gerechtvaardigd was.


3.5

Het verzoek is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.







4De beslissing


wijst af het verzoek tot wraking van mr. V.F. Milders.



Deze beslissing is gegeven door mr. A.P. Hameete, voorzitter, mr. J.H. de Wildt en mr. H.J.M. van der Kaaij, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 januari 2015 in tegenwoordigheid van mr. S.A. Commandeur, griffier.















Verzonden op:

aan:

- [naam verzoeker]

- mr. O.J. Praamstra

- mr. V.F. Milders

- [naam vennootschap], gemachtigde mr. R.J. Bor